Tula (slavenleider)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tula
Portret van Tula, door Edsel Selberie
Portret van Tula, door Edsel Selberie
Algemene informatie
Bijnaam Rigaud/Kapitein
Geboren onbekend, onbekend
Overleden Willemstad, 3 oktober 1795
Bekend van De Curaçaose slavenopstand van 1795

Tula († Curaçao, 3 oktober 1795), ook wel 'Rigaud' genoemd, was de leider van de Curaçaose slavenopstand van 1795. Als slaaf werkte hij jarenlang op plantage Kenepa (Knip) in het Westen van Curaçao. Hij protesteerde tegen het onrecht dat slaven door hun meesters werd aangedaan en streefde naar vrijheid en gelijkheid. Hij sprak zijn medeslaven toe en nam het initiatief om op 17 augustus 1795 samen met ongeveer veertig tot vijftig medeslaven het werk neer te leggen en naar zijn ‘eigenaar’ Caspar Lodewijk Van Uytrecht te gaan om voor hun vrijheid te pleiten. Dit was het begin van uiteindelijk de grootste slavenopstand in de geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Onder zijn leiderschap trokken uiteindelijk rond de tweeduizend slaven op weg naar de gouverneur in Willemstad.[1]

Uit de overgeleverde bronnen over Tula blijkt dat hij, zeker voor een slaaf, goed geïnformeerd was, uitstekend meerdere talen kon spreken en gebruik maakte van verschillende retorica. Zo gebruikte hij argumenten uit de christelijke leer, de politiek en verwees hij naar de veranderende wetten van zijn tijd. Dit maakte hem een gerespecteerd leider. Toen tijdens de confrontatie met het koloniale leger de gewapende strijd nodig bleek om zijn doel te bereiken, ging hij dit niet uit de weg, maar het ging hem niet om macht, rijkdom of geweld. Zijn voornaamste punten waren de vrijheid van de slaven en gelijkheid van mensen in het algemeen, waarvoor hij streed tot aan zijn dood.[2]

Als leider van deze opstand was Tula hiermee een van de belangrijkste vrijheidsstrijders van de Nederlandse Antillen en in 2010 is hij uitgeroepen tot nationale held van Curaçao. Ieder jaar wordt op 17 augustus de opstand die onder zijn leiding gevoerd werd, herdacht op de Dia di lucha pa libertat: de dag van de vrijheidsstrijd, wat ook wel de 'Tula herdenking' wordt genoemd.[3]

Biografie[bewerken]

Mogelijke wegen naar volwassenheid[bewerken]

Waar en wanneer Tula precies geboren is, is niet bekend. Mogelijk wist hij dit zelf ook niet, aangezien veel persoonlijke informatie van slaven verloren ging met de handel en verschepingen van personen en meesters bekende informatie dikwijls niet deelden. Veel slaven wisten hierdoor hun eigen geboortedatum niet en konden alleen maar schatten hoe oud ze ongeveer waren. Door verschillende auteurs zijn wel interpretaties gegeven aan het leven van Tula voor de opstand:
In een van de eerste romans over de slavenopstand getiteld E rais ku no ke muri (De onsterfelijke wortel) van Guillermo Rosario, wordt het figuur van Tula bijvoorbeeld weergegeven in de persoon van ‘Kato’. Hij wordt hierin al vanaf zijn dertiende gevolgd, op het moment dat hij zich nog in Afrika bevindt. In het verhaal wordt duidelijk dat de hoofdpersoon al een vrouw en kind had in Afrika, voor hij naar Curaçao werd verscheept. Eenmaal op Curaçao groeit zijn wraakzucht en wordt een bezoek gebracht aan Toussaint Louverture in Haïti om wapens te leveren aan Curaçao. Samen met Louis Mercier, Pedro Wacau en Bastiaan ‘Carpata’ bereidt hij vervolgens de opstand voor.
In de roman Tula, Verloren vrijheid van Jeroen Leinders wordt echter beschreven hoe Tula bij zijn vader Jorboe en moeder Rosita woont op plantage Kenepa, samen met zijn gehandicapte broertje Quaku. Er wordt hierbij niet gerept over andere plekken waar hij geweest is, waardoor het idee kan ontstaan dat hij geboren en getogen is op deze plantage. Dit blijven echter romans en daarmee fictie. Wel kunnen deze verhalen helpen om een beeld te krijgen van die tijd en de gebeurtenissen begrijpelijker te maken.

Onvrede op de plantage[bewerken]

Wat wel zeker is en is vastgelegd in verschillende documenten is dat Tula als slaaf werkte op plantage Kenepa (Knip) in het Westen van Curaçao. Slavernij was in die tijd zeer gebruikelijk en Curaçao was zelfs een belangrijke post voor slaven. Rond 1795 groeide de onvrede op de plantages vanwege de verslechterde leef- en werkomstandigheden. Slaven klaagden over het schaarse voedsel, de dure levensmiddelen die ze zelf moesten kopen. Ze werden gedwongen om zelfs op zondag, normaal gesproken de rustdag, te gaan werken om zo hun eigen voedsel te bekostigen.[4] Dit ging in tegen het slavenreglement, waarin de meester zijn slaven diende te voeden. Daarnaast heerste er onvrede over de onrechtvaardige en zware straffen die werden uitgedeeld.[5] Tula protesteerde tegen deze gang van zaken en wees de meesters erop dat ze zelfs niet volgens hun eigen regels handelden. Toen in 1795 de Bataafse Republiek, het huidige Nederland en daarmee ook de Nederlandse Antillen, onder Frans regime kwam en het gerucht ging dat de slaven op Haïti onder Frans bewind bevrijd waren, meende hij eindelijk stevige grond te hebben om hetzelfde voor de slaven van Curaçao op te eisen. Samen met Bastiaan Carpata en Pedro Wacao en andere medeslaven van plantages uit de omgeving die hetzelfde dachten over slavernij, begon hij bijeenkomsten te organiseren en binnen een paar dagen had hij een klein leger gevormd dat bereid was te vechten voor hun vrijheid.[6] Hij sprak zijn medeslaven toe en nam het initiatief om in opstand te komen.

Opstand en verslaggeving over Tula bij de onderhandelingen[bewerken]

Monument ter nagedachtenis aan de opstand bij landhuis Kenepa

Op 17 augustus 1795 weigerde Tula om te gaan werken en samen met ongeveer veertig tot vijftig medeslaven ging hij naar zijn ‘eigenaar’ Caspar Lodewijk Van Uytrecht om voor hun vrijheid te pleiten, waarop zij meenden recht te hebben. Uit overmacht verwees Van Uytrecht hem door naar de gouverneur in Willemstad, om bij hem zijn verhaal te doen; de groep onder Tula’s leiding vertrok. De groep trok over het eiland langs verschillende plantages, zoals Lagun, Santa Cruz, Porto Marie, San Nicolas, Santa Martha en San Juan, waarbij steeds meer slaven zich aansloten. Ze bevrijdden slaven die gevangenzaten, zodat uiteindelijk de groep onder leiding van Tula werd uitgebreid tot tweeduizend slaven.[1] De Koloniale Raad probeerde de opstand tegen te gaan en de slaven terug te laten keren naar hun plantages door te onderhandelen. Verschillende gezanten werden gestuurd om met Tula te spreken als leider van de opstand en deden hier verslag over. Deze ‘blanke’ bronnen vormen het merendeel van wat bekend is over Tula. Een van de gezanten was franciscaner pater Jacobus Schinck. In zijn geschriften vertelt hij (omgezet in modern Nederlands):

“Toen ik het huis binnentrad, trof ik een neger genaamd Tula, voorzien van een degen, en men noemde hem kapitein. Veel negers kwamen rondom mij staan. [...] Tula begon te spreken: ‘Wij zijn al te erg mishandeld. Wij willen niemand kwaad doen, maar we willen onze vrijheid. De Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen en daarom moeten wij ook hier vrij zijn.’"[7][8]

Hieruit blijkt de duidelijke leidersrol die Tula vervulde en zijn welbespraaktheid. Hij verwijst naar de ontwikkelingen in de internationale politiek en trekt hieruit logische conclusies voor de situatie op Curaçao. Tula gaat verder:

[…] Heer pater, komen alle mensen niet voort uit Adam en Eva? Heb ik er kwaad aan gedaan dat ik 22 van mijn broeders verlost heb van hun boeien die hun onrechtmatig waren aangedaan? […] Ach Pater, men draagt meer zorg voor een beest: als een beest een been breekt, wordt het genezen.’”[9][10]

Ook de Bijbel wordt zo in de redevoering van Tula betrokken en hij wijst op het onrecht dat hen wordt aangedaan. Als boodschap aan de gouverneur geeft Tula als laatste aan pater Schinck mee: “Wij verlangen niet anders dan onze vrijheid.”[8][11] Deze werd echter niet aan de slaven gegeven, waarop enkele weken van bloedige slagen met het leger van de Koloniale Raad volgden met wisselende successen (zie voor een uitgebreide beschrijving van de opstand: De Curaçaose slavenopstand).

Door zijn rol in de opstand kreeg Tula, naast Kapitein, de bijnaam ‘Rigaud’, naar de Franse generaal en leider van de slavenopstand in San Domingo André Rigaud die leidde tot de vrijheid van de slaven in Haïti.[12] Er werd zelfs beweerd[bron?] dat Tula met hem in contact stond.[13] Zijn medeslaven van Curaçao hoopten dat hij hen naar de vrijheid zou brengen, net zoals Rigaud.

Tula's dood[bewerken]

Uiteindelijk werd Tula op 18 september 1795 verraden door een medeslaaf van Caspar Lodewijk van Uytrecht en ter dood veroordeeld nadat hij de valse verklaring had moeten afleggen dat zijn eigenlijke doel was om alle blanken op het eiland te vermoorden.[6] Na langdurige martelingen bekende Tula dat hij zich had laten inspireren door de Franse revolutie en de bevrijding van de slaven op Haïti. Hierdoor zou hij vinden dat op Curaçao de slavernij afgeschaft moest worden door de blanke overheersing omver te werpen en zelf de regering over te nemen.[14]

Door deze gedwongen uitspraken werd Tula uiteindelijk geëxecuteerd op een manier die in die tijd gebruikelijk was. Hij werd vastgebonden aan een kruis, waarna vanonder zijn botten werden gebroken met een ijzeren staaf (levend geradbraakt), daarna werd zijn gezicht geblakerd (verbrand) met fakkels en vervolgens werd hij onthoofd. Zijn hoofd werd samen met die van Bastiaan op een stok gezet en diende vervolgens als afschrikmiddel op het galgenveld. De rest van het lichaam werd samen met die van medeleiders Bastiaan Carpata en Pedro Wacao verzwaard in zee gegooid.[15][16]

Nalatenschap[bewerken]

Het feit dat de opstand hard neergeslagen en Tula veroordeeld werd, betekent niet dat het initiatief van Tula geen effect heeft gehad. Zijn opstand wordt gezien als belangrijke eerste stap in de emancipatie van de zwarte bevolking van Curaçao. Na Tula’s dood zorgden de Nederlandse autoriteiten ervoor dat de planters hun personeel beter gingen behandelen om meer opstanden te voorkomen. Op 20 november 1795 werden nieuwe regels van het beruchte slavenreglement voor de behandeling van slaven bekendgemaakt, die streng werden nageleefd. De zondag werd bijvoorbeeld weer een vrije dag,[6] er kwamen voorschriften voor een maximale werktijd en een minimale verstrekking van voedsel en kleding.[17] Het verzet van Tula en de opstanden die daardoor ontstaan zijn, droegen ertoe bij dat Nederland achtenzestig jaar later (in 1863, vele jaren na Engeland en Frankrijk) de slavernij heeft afgeschaft.[18]

Verschillende representaties van Tula[bewerken]

In de originele documenten uit de achttiende eeuw wordt de naam van de slavenleider op verschillende manieren weergegeven: Toela, Thoela, Toula, of Thoula, wat het Frans-Nederlandse klimaat van die tijd aangeeft.[19] Aangezien door deze inconsequenties er geen vaste schrijfwijze van deze naam leek te bestaan, is deze met de tijd mee veranderd. Tegenwoordig is de gebruikelijke schrijfwijze van deze klanken daarom Tula. Belangrijker is echter de manier waarop Tula is weergegeven in de verschillende soorten teksten waarin hij voorkomt. Door de jaren heen hebben hierin namelijk grote verschuivingen plaatsgevonden.

Verslagen uit 1795 over Tula: de bloeddorstige rebel[bewerken]

In de overgeleverde documenten uit 1795, zoals de journalen van Curaçao en de notulen van de extraordinaire politieraad, waarin verslag werd gedaan van de gebeurtenissen, wordt er naast de verschillende spellingen van de naam, meerdere malen gesproken over ‘de rebelleerende neeger’ of ‘opperhoofd der rebbellige negers’.[20] In de meerderheid van de gevallen wordt benadrukt dat het gaat om een ‘neeger’ en de ‘slaaf van de heer Casper Lodewijk van Uytrecht’ en daarmee om een minderwaardig persoon. In die tijd werden mensen met een donkere huidskleur sociaal immers als lager gezien. Meer specifiek wordt hij omschreven als ‘het hoofd, aanlijder, en aanvoerder van het moordzieke rot’[21] en ‘een zeer geveijnsd schurk’.[22] De raad-fiscaal P.Th. van Teylingen stelt zelfs voor om na de onthoofding van Tula boven zijn kop een inscriptie te plaatsen met: ‘het opperhoofd der moordenaars, plundering en brandstichters’.[23] Het gezag zorgde er zo voor dat Tula diende als afschrikmiddel: als iemand het in zijn hoofd halen om weer in opstand te komen, dan zou diegene hetzelfde lot wachten als Tula.

Ondanks dat het leven van Tula een grote impact heeft gehad op de geschiedenis van Curaçao, werd deze geschiedenis daarna door de Nederlandse machthebbers lang verzwegen. Aangezien er enkel ‘blanke’ bronnen van de overheersers waren overgeleverd, bleef met name een negatief beeld over van Tula. In Nederland werd in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw nog steeds een negatief beeld over hem geschetst. Tula werd afgedaan als moordenaar en opstandige slaaf die ‘een wrede onverantwoorde opstand geleid had’.[18] Ook op Curaçao was hij een taboe. Tula kwam niet voor in het lesmateriaal op de scholen op het eiland en werd niet besproken. Als er al over hem gesproken werd, was dat buiten school en ging het over een bloeddorstige rebel die de regering omver wilde helpen.[24] “Te lang is ons ingeprent dat er op 17 augustus niets te vieren viel, dat het maar om een paar opstandige slaven ging die niet eens gesteund werden door anderen.” zei Curaçaoënaar Ronnie Martina.[25] Ook in de orale overlevering, die een grote rol speelt in de Curaçaose cultuur, werd hij zo in een slecht daglicht geplaatst.

Eerste verhalen over Tula in het Papiaments[bewerken]

De eerste verhalen waarin Tula anders werd gepresenteerd, kwamen in de jaren zestig in het Papiaments. In het verhaal Tula van Pierre Lauffer vertelt de oude plantageopzichter Monchi bijvoorbeeld aan zijn kleinkinderen hoe dapper Tula was. Hij vertelt hoe Tula geweren uitdeelde en zijn kameraden aanmoedigde de soldaten van de Koloniale Raad tot vluchten te dwingen. Andere slaven vernielden en beroofden opslagplaatsen en staken in hun woede huizen in brand, maar Tula was het hier volgens hem niet mee eens. Tula zou volgens hem gezegd hebben: “Ta blo ora nos no tin otro moda, nos por uza arma” (God straft ons als wij anderen doden; alleen wanneer het niet anders kan, zullen we naar de wapens grijpen).[26] Dit ging in tegen het bloeddorstige karakter dat voor die tijd aan Tula werd toegeschreven. Pas als het niet anders kon, was Tula volgens de verteller bereid geweld te gebruiken. Monchi citeert: “Als zij weigeren ons aan te horen, zullen we zeer zeker om onze vrijheid strijden, tot aan de dood!”, waarna de verteller besluit: “Tula stierf als een echte man”.[26] Uit deze vertellingen bleken zo de goede bedoelingen van Tula. Hierin kwam naar voren dat hij niet een gewelddadig man was, maar dat de tegenpartij hem geen andere keus gaf dan geweld te gebruiken, wilde hij zijn rechtvaardige doel bereiken.

In 1968 wordt door Guillermo Rosario zelfs een volledige roman gewijd aan de slavenopstand op Curaçao, in het Papiaments: E rais ku no ke muri (De onsterfelijke wortel). Zoals eerder genoemd, krijgt Tula hierin de naam ‘Kato’ en wordt zijn leven al vanaf zijn fictieve jeugd beschreven. Doordat de lezer mee kan lezen hoe hij tot slaaf wordt gemaakt en wordt gescheiden van zijn vrouw en kind, wordt het begrijpelijker wat Tula aanzet tot de opstand. Hij kreeg zo een menselijker perspectief. De sociale betrokkenheid van Rosario die uit dit werk bleek, deed echter nog weldadig aan in een tijd, waarin de meeste mensen niet geassocieerd wilde worden met deze ‘schurk’.[27] De eerste verhalen die een ander beeld gaven waren echter een feit.

Omslag met Domaccassés toneelstuk Tula[bewerken]

De grote verandering in het beeld over Tula kwam in 1971 met het toneelstuk Tula, e Rebelion di 1795 van Pacheco Domaccassé, gespeeld door zijn groep Nos Kausa en geregisseerd door de Belgische regisseur Tone Brulin.[28][29] Met Tula als hoofdpersoon was dit het eerste stuk over de slavernijgeschiedenis van Curaçao vanuit het perspectief van de zwarte Curaçaoënaar.[29] Doordat Tula van begin tot eind gevolgd wordt in dit toneelstuk, werd hij neergezet als rechtvaardige strijder, met name door zijn tekst: “No ta nos intenshon pa hasi ningun hende [….] ningun klase di daño, pero… pero… si ta sánger mester drama pa nos libertat i di nos rumannan, lo é drama!” (Het is niet onze bedoeling om wie dan ook enige schade toe te brengen, maar…, maar… als het bloed moet vloeien om onze vrijheid en die van onze broeders te verkrijgen, dan zál het vloeien!).[27] Domacassé wilde hiermee Curaçao bewust maken van haar eigen cultuur, nadat hier jarenlang met name vertalingen van traditioneel westerse toneelstukken waren vertoond. Hij wilde het volk wakker schudden en bewondering en erkenning meegeven voor eigen ras en identiteit door ze te laten inzien welke heldendaden Tula had verricht. Door bij te dragen aan de emancipatie van de gewone man was Tula de ware held van Curaçao, volgens Domacassé, en niet de generaals Bolívar, Brion en Piar.[30]

Deze boodschap over Tula werd zeer goed ontvangen door de critici. Het bekende Antilliaanse dagblad Amigoe sprak over een ‘historisch ogenblik’, de Beurs- en Nieuwsberichten bejubelde de aandacht voor ‘een belangrijk stuk Antilliaanse geschiedenis’ en het Theater der Zeit noemde het ‘das erste nationale Drama’.[31] Het toneelstuk over Tula kon daardoor met veel succes herhaaldelijk opgevoerd worden op Bonaire en Curaçao en kreeg een belangrijke maatschappelijke functie. Met Tula creëerde Domacassé zo namelijk een antikolonialistische bewustwording van de eigen geschiedenis, die door westerse geschiedschrijvers vervalst was.[32]

Standbeelden en herdenkingen van de nationale held[bewerken]

Sinds het verschijnen van dit toneelstuk over Tula, verschenen er meerdere werken over hem, zoals gedichten, proza en dansvoorstellingen, waarin zijn imago werd hersteld. Ook in bekende Caraïbische werken wordt er naar hem verwezen. In de roman Dubbelspel van Frank Martinus Arion wordt de bestaande Winston Churchillweg bijvoorbeeld uit eerbetoon vervangen door de Tulaweg.[33] Door deze stijgende bekendheid en eer wordt Tula vanaf de jaren tachtig op verschillende manieren herdacht. Zo werd in 1985 door middel van een proclamatie 17 augustus, de dag waarop de opstand begon, uitgeroepen tot de Dia di lucha pa libertat: de Dag van de Vrijheidsstrijd.[34] Ieder jaar wordt op deze dag de opstand herdacht en worden de leiders en met name Tula geëerd, waardoor het ook wel de ‘Tula herdenking’ of ‘Dag van Tula’ wordt genoemd.[3][35] In hetzelfde jaar werd bij het rif de Parke di Lucha pa Libertat (het Park van de Vrijheidsstrijd) geopend, waar sinds 1998 een standbeeld van Tula staat op de plek waar hij onthoofd is.[36]

Een van de monumenten ter nagedachtenis aan Tula's opstand uit 1795

In 1970 was er in Curaçao al een standbeeld van Tula gemaakt door de Nederlandse beeldhouwer Toos Hagenaars. Toen kwam er echter nog veel protest, omdat hij nog gezien werd als ‘schurk’ en de slavernij beter vergeten kon worden volgens de Antillianen.[37] Hagenaars nam het beeld daarom weer mee naar Nederland, waar het geplaatst is in Winschoten. Het nieuwe monument uit 1998 aan de Zuidkust van Curaçao is nu echter een van de bezienswaardigheden op het eiland, waar elk jaar de Tula herdenking plaatsvindt en er staan zelfs meerdere beelden verspreid over het eiland, van een vuist met losse boeien, die refereren aan de opstand van Tula.

Ook is er sinds 1998 de Ruta Tula; een tocht langs de belangrijkste plaatsen van Tula’s strijd tijdens de slavenopstand, waar de geschiedenis door acteurs weer tot leven wordt gebracht.[38] Deze wordt jaarlijks gehouden rond de herdenkingsdag van Tula. Het Landhuis Knip, waar Tula werkte als slaaf en hij de slavenopstand begon, is sinds 2007 zelfs het Museo Tula[39] geworden: het Tula Museum. Hier kan men naast het verhaal over Tula meer te weten komen over de Afro-Curaçaose culturele erfenis, waaronder de slavernijgeschiedenis en het verzet hiertegen.[2][40]

Tula werd zo steeds meer gezien als symbool tegen de slavernij. In 2010 werden hij en andere leiders van de slavenopstand officieel gerehabiliteerd als ‘mannen en vrouwen van eer en goede naam’ en op initiatief van het Fundashon Rehabilitashon Tula werd hij zelfs officieel uitgeroepen tot nationale held van Curaçao.[41] Dit werd nog eens benadrukt in 2013, toen het 150 jaar geleden was dat de slavernij door Nederland werd afgeschaft. Dat jaar werd door de ministerraad namelijk uitgeroepen tot het jaar ter ere van de vrijheidsstrijder Tula.[42] Volgens oud-premier Don Martina kan de nationale held Tula zich nu voegen bij illustere internationale vrijheidsstrijders zoals Nelson Mandela, Martin Luther King en Gandhi.[41]

Internationale bekendheid door de film Tula: The Revolt[bewerken]

Ook buiten Curaçao kwam er aandacht voor Tula, met name in 2012 door de speelfilm Tula: The Revolt van Jeroen Leinders. Dit is een Nederlandse filmproductie, maar met een internationale cast. De hoofdrollen van Tula en zijn geliefde Speranza zijn weggelegd voor de Brits-Nigeriaanse acteurs Obi Abili en Natalie Simpson en daarnaast spelen bekende Nederlandse acteurs als Jeroen Krabbé, Jeroen Willems, Henriëtte Tol en Derek de Lint mee, maar ook bijvoorbeeld de bekende Amerikaanse acteur Danny Glover. De film is hierdoor volledig Engelstalig, met enkele frasen in het Papiaments.[43]

Ongeveer gelijktijdig bracht Leinders ook een roman uit: Tula: verloren vrijheid. Het schrijven van deze roman hielp hem namelijk om de personages vorm te geven.[44] Doordat er enkel ‘blanke’ bronnen zijn over de opstand, is er niet veel bekend over hoe de slaven zelf de opstand beleefden en met de roman probeerde Leinders hier zelf invulling aan te geven. Dit doet hij door hierin bijvoorbeeld veelvuldig gebruik te maken van flashbacks, waarin duidelijk wordt hoe Tula denkt over familie, liefde, geloof en slavernij.[45] Zo heeft hij een geliefde Speranza, een gehandicapt broertje Quaku, en praat hij met zijn ouders en vrienden over wat hij onrechtvaardig vindt.

In de kritieken hierop werden zowel het boek als de film enerzijds als erg karikaturaal gezien; de kolonisators worden eenzijdig als pure slechteriken weggezet,[46] maar anderzijds geeft de film een nuancering van het beeld van Tula. Hij wordt niet weergegeven als bloeddorstige rebel, maar hoewel de hele film over hem gaat, wordt hij ook niet enkel als held neergezet. Tijdens een bijeenkomst over Tula in Den Haag, waarbij de regisseur aanwezig was, gaf Rubin Severina, voorzitter van belangenorganisatie Splika, bijvoorbeeld de kritiek: “Tula lijkt een lulletje rozenwater, die achter de feiten aanloopt. U gaat voorbij aan het historisch feit dat de opstand was voorbereid.”[47] Volgens Leinders zelf heeft hij getracht het verhaal van Tula geloofwaardig en feitelijk te vertellen, om zo “de huidige generatie Curaçaoënaars en vooral Nederlanders bewust te maken van het verleden en het trauma dat daarmee gepaard gaat.”[47] Zowel het beeld van de misdadiger als het beeld van de held die in de loop der tijd over Tula zijn ontstaan, blijken zo uitersten te zijn.

Heden[bewerken]

Tegenwoordig wordt Tula nog steeds met name gezien als voorbeeld tegen de koloniale invloeden van Nederland en als held voor de slaafgemaakten en hun nakomelingen, en daarmee voor Afro-Curaçaoënaars, hoewel Tula zelf sprak over vrijheid, gelijkheid en broederschap voor iedereen.[2] In 2012 werd er de bundel Topa Tula- Ontmoet Tula uitgebracht, waarin proza en poëzie in het Papiaments en Nederlands zijn opgenomen over Tula.[48] Daarin wordt Tula verbonden met het heden, waarin vrijheid in alle vormen en maten nog steeds bevochten moet worden, van anderen of van onszelf. Zo blijkt dat Tula tegenwoordig ook dient als voorbeeld "om ons te bevrijden van onze slaafse mentaliteit" ("pa liberá nos mentalidat sklabisá").[49] Tula blijft op deze manier een belangrijk onderdeel van de Curaçaose cultuur, maar ook daarbuiten blijft hij tot op heden mensen aanspreken en inspireren.