USS Enterprise (CV-6)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
USS Enterprise (CV-6)
1942

De USS Enterprise (CV-6) was een vliegdekschip van de Amerikaanse Marine tijdens de oorlog in de Grote Oceaan. Het schip werd ook de "Big E" genoemd en was het meest gedecoreerde schip van de Amerikaanse Marine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze voerde de meeste missies uit gedurende de Tweede Wereldoorlog in de Grote Oceaan, en werd bijzonder beroemd door de zee- en luchtslagen in de oorlog in de Grote Oceaan. De USS Enterprise behoorde tot de Yorktown-klasse. De USS Enterprise was het 6e vliegdekschip van de United States Navy en het 7e US Navy schip met deze naam.

Geschiedenis[bewerken]

De USS Enterprise (links) samen met de USS Yorktown in aanbouw in Newport News

De kiel van de USS Enterprise werd op 16 juli 1934 gelegd. Ze liep van stapel op 3 oktober 1936 te Newport News Shipbuilding, gedoopt door Lulie Swanson, echtgenote van de marine secretaris Claude A. Swanson. De USS Enterprise werd overgedragen aan de Amerikaanse marine op 12 mei 1938. Het vliegkampschip nam aan vrijwel alle zeeslagen tegen Japan in de Tweede Wereldoorlog deel, onder meer aan de Slag bij Midway, de Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden; de Zeeslag bij de Santa Cruz-eilanden. Ook was ze aanwezig gedurende de Slag bij Guadalcanal, de Slag in de Filipijnenzee en de Slag in de Golf van Leyte, alsook voordien het bombardement op Tokio, met de Doolittle Raid. Driemaal werd zij getroffen, het laatst door een kamikaze-vliegtuig bij de verovering van het eiland Okinawa in april 1945, waarna zij naar de V.S. terugkeerde. Ze overleefde de oorlog evenals de USS Saratoga (CV-3) en de USS Ranger (CV-4).

Eigenlijk is de USS Enterprise het resultaat van de ontwapeningsonderhandelingen, die in 1921 tussen de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Japan, Frankrijk en Italië gevoerd werden. Dat akkoord van Washington stond toe, dat de Verenigde Staten 135.000 ton voor de gezamenlijke vliegdekschepen-vloot mocht bouwen. De eerste drie vliegdekschepen die werden gebouwd waren de USS Langley (CV-1), de USS Lexington (CV-2) en de USS Saratoga (CV-3). Dit waren omgebouwde schepen van andere klassen. De USS Ranger (CV-4) was het eerste vliegdekschip, dat ook als zodanig gepland en gebouwd werd. Toen Franklin D. Roosevelt in 1933 het "New Deal" verkondigde, was in de begroting voor de verdediging ook 40.000.000 dollar, voor twee nieuwe vliegdekschepen voorzien. Van het zusterschip USS Yorktown (CV-5) werd op 21 mei 1934 haar kiel gelegd en de USS Enterprise (CV-6) volgde twee maanden later.

De eerste proefvaart van de beide vliegdekschepen USS Yorktown en USS Enterprise, was in mei 1938 naar Rio de Janeiro, Brazilië. De toenmalige viceadmiraal William F. Halsey Jr. voerde hierbij het opperbevel en kapitein-ter-Zee Newton H. White had het eerste commando over de USS Enterprise. Na haar terugkeer opereerde ze langs de oostkust van de Antillen in april 1939. Doch in november werd Newton White door kapitein-ter-Zee Charles A. Pownall vervangen en afgelost, en deze bracht het schip in 1939 naar de Grote Oceaan waar ze eerst op haar eerste thuisbasis San Diego aanlegde. In mei 1940 werd de Task Force-vloot voor Japanse afdreiging naar Pearl Harbor verlegd. Er was tegen Japan een olie-embargo uitgevaardigd. Ook omdat het China in 1938 was binnengevallen en daar oorlogsmisdaden beging tegen de Chinese burgerbevolking. Dit Amerikaans embargo zat de Japanners dwars. Ze hadden nog voor twee maanden olievoorraad.

Pearl Harbor[bewerken]

Op 28 november 1941 vertrok de USS Enterprise uit Oahu om vliegtuigen en piloten naar Wake eiland te brengen. Op 2 december 1941 had ze juist haar leveringsmissie aan het Marine Corps Fighter Squadron 211 op Wake eiland verhandeld. Ze zou tegen 6 december terug in Pearl Harbor zijn, maar het slechte weer, verhinderde - achteraf gezien, gelukkig maar - haar directe terugkeer. De USS Enterprise was bijna het slachtoffer geworden van de Japanse aanval op Pearl Harbor. Terugkerend van Wake eiland, had ze gelukkig oponthoud gehad, niet alleen door het slechte weer, maar ook toen de haar escorterende torpedobootjagers, in volle zee, moesten bijbunkeren. Daarom was het vliegdekschip 7 december 1941 slechts 200 mijl van Oahu verwijderd, toen de Japanse bommenwerpers boven Pearl Harbor verschenen.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na Pearl Harbor[bewerken]

De USS Enterprise stuurde 18 vliegtuigen naar Pearl Harbor om de schade daar vast te stellen. Die kwamen vlak na de Japanse aanval aangevlogen. Zes Enterprise-toestellen werden neergehaald door zenuwachtige Amerikaanse schutters, die dachten dat het nog Japanse vliegtuigen waren. Acht bemanningsleden werden gedood. Ook in de namiddag, als de vliegtuigen van de VF-6 vluchtformatie, bestaande uit 6 Grumman F4F Wildcats in Pearl Harbor wilden landen, werd er in paniek op hen geschoten. Dat kostte nog eens drie piloten het leven... Uiteindelijk zagen ze in, dat de Japanners hun aanval al lang beëindigd hadden. Als de USS Enterprise, de dag nadien aankwam in Pearl Harbor en voorzichtig binnenliep, langs de gestrande en vernielde USS Nevada (BB-36), zag de bemanning de ravage die de Japanners hadden aangericht. Na haar bevoorrading trok haar Task Force eropuit om de Japanse Striking Force, bestaande uit 6 vliegdekschepen, w.o. "Akagi","Kaga", "Hiryu", "Soryu", "Zuikaku", "Shokaku" en een groot aantal escorteschepen, op te sporen. Deze waren terug naar het westen gestoomd om Guam en Wake eiland aan te vallen. De USS Enterprise vond wel de Japanse onderzeeër I-70, op 23°35 N. en 155°35 W. Op 10 december brachten haar vliegtuigen hem tot zinken op die positie.

Gedurende de laatste weken van december 1941, stoomde de USS Enterprise met zijn Task Force ten westen van Hawaï om dekking te geven aan dit eiland, terwijl twee andere carriergroepen, die van de USS Lexington en die van de USS Saratoga, al ter plaatse waren nabij Wake eiland. Na de Japanse landing moesten de beide Task Force's zich terugtrekken van Wake eiland. Na instructies gekregen te hebben te Pearl Harbor, vertrok de USS Enterprise-groep op 11 januari 1942, ter bescherming van een konvooi, richting Samoa. Op 1 februari deelde haar Task Force een harde slag uit aan de Japanners in Kwajalein, Wotje en Maloelap, op de Marshalleilanden. Haar vliegtuigen brachten drie schepen tot zinken, beschadigden acht andere schepen en vernietigde grote aantallen vliegtuigen en grondinstallaties. De USS Enterprise liep daarbij lichte schade op door Japanse tegenaanvallen. Na de slag stoomde haar Task Force terug naar Pearl Harbor.

Doolittle Raid[bewerken]

Jachtvliegtuigen op de USS Enterprise (CV-6)

Gedurende de volgende maanden, zwalpte de USS Enterprise en haar escorteschepen in het centrum van de Grote Oceaan. Van daar viel ze de vijandelijke installaties op het eiland Wake en Marcus eiland aan, waar ze weer wat lichte schade opliep. Daarna keerde ze terug naar Pearl Harbor voor de nodige herstellingen.

Op 8 april 1942 vertrok ze weer, en had ze een rendez-vous met de USS Hornet (CV-8). Samen voeren ze westwaarts, waarbij de Enterprise de USS Hornet mede escorteerde voor een geheime missie boven Japan. De USS Hornet lanceerde 16 B-25 Mitchell-bommenwerpers tijdens de Doolittle Raid op Tokyo. Terwijl de Enterprise-jagers opstegen om dekking te geven boven hun Task Force, stegen de Mitchells op vanaf het vliegdek van de USS Hornet op 18 april 1942. Ze vlogen onder leiding van kolonel-vlieger Jimmy Doolittle. Ze werden vroegtijdig gelanceerd omdat de Task Force ontdekt was door een Japanse patrouille. Ten gevolge daarvan moesten de Amerikaanse bommenwerpers 600 mijlen vliegen en hun bommen droppen op Tokyo. Na hun missie moesten de B-25-piloten in China landen en zorgen dat ze daar niet in Japanse handen vielen. Daar moesten ze de Chinese troepen van generaal Chiang Kai-shek zien te bereiken. De Japanse vloot werd eropuit gestuurd, om de Amerikaanse vliegdekschepen op te sporen. Hier was het toen snelste vliegdekschip ter wereld, "Hiryu", aanwezig. Maar het Amerikaanse flottielje bereikte Pearl Harbor op 25 april.

Slag bij Midway[bewerken]

Op 1 mei 1942, vertrok de "Big E"-Task Force met volle snelheid naar het zuiden van de Grote Oceaan, voor een hereniging met de andere Task Force's, die van de USS Lexington en de USS Yorktown, die in de Koraalzee opereerden. Maar de Slag in de Koraalzee was voorbij, voordat de USS Enterprise ter plaatse was. Hierbij verging de USS Lexington, en was de USS Yorktown zwaar beschadigd uit de strijd gekomen. De "Big E" kreeg orders terug te keren, en bereikte Pearl Harbor op 26 mei 1942. Op 27 mei kregen menige officieren en matrozen, aan boord van de USS Enterprise, die plichtbewust hadden opgetreden tijdens de Japanse aanval op Pearl Harbor, persoonlijk of postuum een ereteken opgespeld. Vele kregen de Medal of Honor. Voor de eerste maal in de Amerikaanse geschiedenis, kreeg een kleurling, een kok, Doris "Dorie" Miller genaamd, een medaille uitgereikt, door de Vloot-admiraal Chester Nimitz, de plaatsvervanger van admiraal Husband Kimmel. Matroos-Tweede-klas Miller kreeg "maar" het Navy Cross. De USS Enterprise begon daarna met haar intensieve voorbereidingen, om nu wel deel te nemen in een beslissende strijd, die van de Midway eilanden. De Japanse vloot stoomde naar Midway, terwijl een andere Japanse carriervloot, Dutch Harbor op 3 juni 1942 aanviel als afleidingsmanoeuvre. Vloot-admiraal Chester Nimitz liet zich niet van de wijs brengen en stuurde 23 Catalina's op verkenning uit.

Raymond Spruance[bewerken]

Op 28 mei 1942 werd de USS Enterprise het vlaggenschip van viceadmiraal Raymond Spruance. Deze voormalige kruisercommandant werd voorgedragen door de zieke admiraal William Halsey aan Vloot-admiraal Chester Nimitz tot zijn leidinggevende opvolger voor de strijd. Admiraal Spruance en zijn Carrier Task Force 16 kreeg de orders: "To hold Midway and inflict maximum damage on the enemy by strong attrition tactics." Hij kreeg de opdracht, een tactiek uit te dokteren en posteerde zijn drie vliegdekschepen ten noordoosten van Midway. Dit punt werd "Point Luck" genoemd, want dat hadden ze nodig. Met de USS Enterprise in Task Force 16, samen met de USS Hornet, 6 kruisers en 10 torpedobootjagers stoomde Spruance naar het rendezvouspunt. Op 30 mei vervoegde Task Force 17, onder leiding van viceadmiraal Fletcher met de, inderhaast herstelde USS Yorktown, zijn 2 kruisers en 6 torpedojagers, de Carrier Task Force 16-vloot van Spruance. Fletcher was wel de leidinggevende admiraal voor de luchtaanvallen en had de titel van "Officer in Tactical Command."

De Slag bij Midway begon in de morgen van 4 juni 1942, wanneer vier vliegdekschepen, de "Akagi", "Kaga", "Soryu" en "Hiryu", met hun landings- en aanvalsvloot, de aanval inzetten. Precies drie uur nadat de eerste bommen op Midway vielen, bombardeerden de Amerikaanse vliegtuigen van Midway, USS Enterprise, USS Hornet en de USS Yorktown de Japanse vliegdekschepen en 30 minuten later brachten de vliegtuigen van de USS Enterprise en USS Yorktown drie vijandelijke vliegdekschepen tot zinken. De "Akagi", "Kaga" en "Soryu" stonden in brand en zonken alle enkele uren later. De "Hiryu" ging de dag daarna verloren, vernietigd door de toestellen van de USS Enterprise, USS Hornet en de, bij hen overgevlogen USS Yorktown-vliegtuigen, die niet meer op hun zwaar beschadigd vliegdekschip konden landen. De USS Yorktown ging bij deze slag verloren na hevige luchtaanvallen en een torpedo van de Japanse duikboot I-168.

De balans[bewerken]

Aan beide zijden werden er luchtaanvallen gelanceerd en op de bewuste 4e juni werden aan beide zijden defensieve gevechten geleverd. Ofschoon de strijdmachten in contact bleven tot 7 juni, was de strijd op het eind van de 4e juni beslist en liep het uit in het voordeel van de Amerikanen. Er kwam een kentering in de defensieve houding van de Amerikanen in de oorlog in de Grote Oceaan. Nu begonnen ze terug te slaan met diverse aanvallen op de Japanners. De USS Yorktown en de USS Hammann (DD-412) waren de enige US schepen die tot zinken werden gebracht. Maar de strijdmacht, Task Force's 16 en 17 verloren in totaal 113 vliegtuigen, 61 van hen in de gevechten gedurende de slag. De Japanse verliezen waren enorm. Ze verloren 4 vliegdekschepen, 1 kruiser en 272 carrier-vliegtuigen. De Enterprise-vliegtuigen bombardeerden de "Soryu" en "Akagi". De USS Enterprise zelf kwam onbeschadigd uit de slag en keerde op 13 juni 1942 terug naar Pearl Harbor.

Operaties in het zuiden van de Grote Oceaan[bewerken]

De USS Enterprise (CV-6) brandt na de Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden

Na een maand, waar ze een opknapbeurt en onderhoudswerkzaamheden liet doen, vertrok de USS Enterprise op 15 juli 1942, naar het zuiden van de Grote Oceaan, waar ze de Task Force 61 ondersteunde bij amfibische oorlogvoering op de Salomonseilanden in augustus 1942. Voor de volgende twee weken, verleende het vliegdekschip met haar vliegtuigen luchtsteun met tevens communicatievluchtlijnen, ten zuidwesten van de Salomonseilanden.

Op 24 augustus werd een sterke Japanse strijdmacht gesignaleerd, die op 200 mijl ten noorden van Guadalcanal voer. Haar Task Force 61-vliegtuigen gingen in de aanval. In de Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden ging een Japanse vijandelijke carrier, de "Ryujo" voorgoed naar de zeebodem door toedoen van de vliegtuigen van de USS Saratoga (CV-3). De Japanse troepen daarentegen, vochten intens een verbeten strijd op Guadalcanal. De USS Enterprise werd van de Amerikaanse schepen het meeste getroffen. Drie directe treffers en vier nabijtreffers doodden 74 manschappen en verwondden 95 opvarenden en brachten serieuze schades op aan het vliegdekschip. Maar welgetrainde schadecontroles en snel, hard werkende manschappen, lapten hun vliegdekschip weer op en ze was weldra weer in staat terug te keren naar Pearl Harbor op eigen kracht.

Zeeslag bij Santa Cruz-eilanden[bewerken]

Een Grumman F4F Wildcat op de USS Enterprise (CV-6)

Na de reparaties in Pearl Harbor, van 10 september tot 16 oktober 1942, vertrok de USS Enterprise nog een keer naar het zuiden van de Grote Oceaan. Daar formeerde ze met de USS Hornet Task Force 61. Op 26 oktober lanceerde de USS Enterprise verkenningsvliegtuigen en deze lokaliseerden een Japanse vliegdekschip-strijdmacht. De zeeslag bij de Santa Cruz-eilanden was begonnen. De Enterprise-vliegtuigen beschadigden vliegdekschepen en kruisers gedurende de gevechten, terwijl de "Big E" zelf werd aangevallen door Japanse toestellen. Tweemaal werd ze door bommen geraakt, waarbij 44 man sneuvelden en 75 gewond werden. Ondanks de schade, bleef ze aanvallen lanceren en nam aan boord een groot aantal vliegtuigen van de USS Hornet over. De USS Hornet werd ernstig getroffen en zonk tijdens de slag. Hardnekkig waren de Amerikaanse verliezen van een vliegdekschip en een torpedojager, ter onderscheiding van de Japanse verliezen van een lichte kruiser. Het gevecht won in onschatbare tijd tot herversterken van Guadalcanal tegen de volgende vijandelijke hevige aanvallen. De USS Enterprise was nu het enige Amerikaanse vliegdekschip op het strijdtoneel. Op het vliegdek schreven de bemanning de tekst: "Enterprise vs. Japan".

Slag bij de Salomons eilanden[bewerken]

Daarna kwam de "Big E" in Nouméa, Nieuw-Caledonië, op 30 oktober aan voor, herstellingen aan haar schip. Maar een nieuwe Japanse vloot bij de Salomons, kwam opdagen en stoomde op 11 november erheen. Ondertussen werkten de bemanningsleden van het reparatieschip USS Vestal (AR-4), nog aan boord van de USS Enterprise. Op 13 november vielen haar vliegtuigen het Japanse slagschip "Hiei" aan en lieten haar kelderen. Wanneer de zeeslag van Guadalcanal eindigde, op 15 november 1942, had de USS Enterprise haar aandeel tot het, tot zinken brengen van 16 Japanse- en 8 beschadigde schepen, goed volbracht. De "Big E" keerde terug naar Nouméa op 16 november, voor een verdere en definitieve herstelling.

Slag bij Rennell eiland[bewerken]

De USS Enterprise stoomde na de broodnodige herstellingen op 4 december 1942, weg van Espiritu Santo op de Nieuwe Hebriden, tot 28 januari 1943, toen ze weer vertrok naar het Salomonsgebied. Op 30 januari liet ze haar jagers en bommenwerpers opstijgen tegen een kruisers-torpedojagers-groep gedurende de zeeslag bij het eiland Rennell. In weerwil van de vernietiging van een grote meerderheid van de aanvallende Japanse bommenwerpers door Enterprise-vliegtuigen, werd de zware kruiser USS Chicago (CA-29) toch nog getroffen door Japanse vliegtuigtorpedo's, die haar tot zinken brachten.

Vrij snel na de Slag bij Rennell eiland, kwam het Amerikaanse vliegdekschip op 1 februari 1943 in Espititu Santo terug. Voor de volgende drie maanden opereerde de USS Enterprise vanuit deze basis, dekking gevend met haar vliegtuigen van de US oppervlakte-strijdmachten op de Salomons. Daarna stoomde de USS Enterprise naar Pearl Harbor waar ze op 27 mei 1943 aankwam. Vloot-Admiraal Chester Nimitz bracht het schip voor, met de eerste "Presidential Unit" medaille-ereteken, voor een vliegdekschip. Op 20 juli 1943 kwam ze binnengevaren in Puget Sound Naval Shipyard, voor de meest broodnodige herstellingen. De Yorktown-klasse had bewezen tot kwetsbaarheid van torpedoinslagen, terwijl ze grote reparaties onderging, in het najaar toen van 1943. De USS Enterprise werd dusdanig ontvangen met grootse opgezette herstellingswerkzaamheden, met inbegrip van een anti-torpedo-boord, dat haar een verbeterde onderwaterbescherming moest bezorgen.

Terugkeer naar haar plicht[bewerken]

De USS Enterprise kwam terug in actievere wateren, midden november 1943. De "Big E" bracht een dichte luchtdekking teweeg, ter bescherming voor de Marinierslanding op het atol Makin, van 19 november tot 21 november 1943. Op de nacht van 26 november leidde de carrier-basis de nachtvluchten in voor een operatie in de Grote Oceaan. Na een hevige raid door haar vliegtuigen van Task Force 50 tegen een Japanse basis op Kwajalein, op 4 december 1943, keerde de USS Enterprise na vijf dagen strijd, terug naar Pearl Harbor.

De volgende operatie van de "Big E" was met Task Force 58, in een zachte landing op de Marshalleilanden en ondersteuning van de landing op Kwajalein, van 29 januari tot 3 februari 1944. Daarna stoomde de onvermoeibare lijkende USS Enterprise, nog altijd met Task Force 58, op tot een invasie op de Japanse zeemachtbasis op de Trukeilanden, in de Carolinen eilanden, op 17 februari 1944. Ter plaatse had de USS Enterprise een vlieghistorie verwezenlijkt, door voor de eerste maal, een nachtelijke gelanceerde vliegtuigaanval, met radar te leiden. De 12 Enterpise-torpedobommenwerpers volbrachten een excellent resultaat door 1/3 van de Japanse 200.000 ton-scheepsruimte te doen kelderen.

Met haar Task Force 58, lanceerde de USS Enterprise raids op Jaluit Atol op 20 februari 1944. Daarna stoomde ze naar Majuro en Espiritu Santo. Op 15 maart stoomde ze met Task Force 36.1 nu, ter ondersteuning voor de marinierslandingen op het eiland Emirau tussen 19 en 25 maart. De carrier formeerde terug Task Force 58 op 26 maart, en voor de volgende 12 dagen, ondernam ze een serie van aanvallen en raids, tegen de eilanden van Yap, Ulithi, Woleai en Palau. Na een verblijf van een week, bevoorrade en bunkerde de "Big E" zich, in Majuro. Daarna voer ze op 14 april tot ondersteuning van de landingen in het Hollandia (nu Jayapura) gebied van Nieuw-Guinea, en nam deel aan de aanval tegen de Truk eilanden, tussen 29 en 30 april 1944.

Op 6 juni 1944 was ze nog in gezelschap met Task Force 58.3. Ze vertrok van Majuro tot deelname met de rest van Task Force 58 in de aanval op de Marianen. Daarna tegen Saipan, Rota en Guam, tussen 11 en 14 juni 1944. De Enterprise-piloten boden directe luchtondersteuning voor de landingen op Saipan op 15 juni, en ondersteunde de Amerikaanse Marinierstroepen voor de volgende twee dagen. Beslissend voor een grotere poging tot een uitbreking op de invasie van Saipan, positioneerde admiraal Spruance, nu commandant van de 5de Vloot, Task Force 58 tot een ontmoeting met de Japanse bedreiging.

De Slag in de Filipijnenzee[bewerken]

Op 19 juni 1944 werd de Slag in de Filipijnenzee uitgevochten. Acht uur lang vlogen Amerikaanse en Japanse over en weer om elkaars vliegdekschepen aan te vallen boven Task Force 58 en de Marianen. Op het einde van 20 juni vierden de Amerikanen hun zege. Zes Amerikaanse schepen waren wel beschadigd en 130 vliegtuigen en een totaal van 76 piloten en vliegtuigbemanning waren verloren gegaan, maar door hulp van Amerikaanse onderzeeërs waren drie Japanse vliegdekschepen tot zinken gebracht: de Hiyo, Shokaku en de Taiho en 426 Japanse vliegtuigen waren vernietigd. De Japanse Keizerlijke marine kwam deze slag niet te boven.

De Slag in de Filipijnenzee was voorbij. De USS Enterprise en haar begeleidende oorlogsschepen vervolgden hun route en ondersteunden de campagne op Saipan tegen 5 juli. Ze keerden terug naar Pearl Harbor voor een maand, voor een algemene revisie. Ze kwam terug in actie op 24 augustus 1944, met Task Force 38 in het strijdgebied en stoomde daar rond, nabij de Volcano- en Bonin-eilanden, van 31 augustus tot 2 september 1944. De eilanden Yap, Ulithi en Palau werden eveneens aangedaan, vanaf 6 tot 8 september 1944.

De Slag in de Golf van Leyte[bewerken]

Na de operatie ten westen van de Palau eilanden, vervoegde de USS Enterprise op 7 oktober 1944 andere eenheden van Task Force 38 en zette van 10 tot 20 oktober koers naar het noorden. Haar vliegtuigen voerden missies uit boven Okinawa, Formosa en de Filipijnen. Ze bliezen met hun bommen en torpedo's verscheidene vliegvelden, geschutsinstallaties en gereedliggende schepen op voor de invasie van Leyte. Na de Amerikaanse landing op Leyte op 20 oktober ging de "Big E" voor Ulithi liggen om brandstof te bunkeren, maar op 23 oktober bracht de naderende Japanse vloot haar weer snel terug in actie.

In de Slag in de Golf van Leyte van 23 tot 26 oktober, vielen vliegtuigen van de Enterprise de drie vijandelijke groepen aan. Ditmaal was het een zeeslag tussen slagschepen en torpedobootjagers. De USS Enterprise en de overgebleven schepen ondernamen een patrouilletocht, ten oosten van Samar en Leyte, tegen het eind van oktober. Daarna keerde het vliegdekschip terug naar Ulithi voor bevoorrading en reparatie. In de loop van november viel haar luchtvloot doelen aan in het Manillagebied, bij de Filipijnen en de eilanden Yap. Ze keerde op 6 december 1944 terug naar haar thuisbasis Pearl Harbor.

Iwo Jima, Okinawa, en de Kamikaze[bewerken]

Op 24 december 1944 vertrok de USS Enterprise naar de Filipijnen. Aan boord van de USS Enterprise was een speciale groep aanwezig, getraind in nachtvluchten en geleid door nachtradar. Ze sloot zich aan bij Task Force 38.5 en koerste in de wateren rond, ten noorden van Luzon en in de Chinese Zee, in de loop van januari 1945. Haar vliegtuigen onderschepten vijandelijke land- en scheepsdoelen vanaf Formosa tot Indochina. Na haar instructies en bezoek aan Ulithi, ontving de "Big E" weer Task Force 58.5 op 10 februari 1945, en zorgde dag en nacht ervoor, dat haar Task Force 58 eveneens beschermd bleef, terwijl haar luchtmachtvloot aanvallen deed op Tokio op 16 en 17 februari 1945.

Landing op Iwo Jima[bewerken]

Ze ondersteunde van 10 februari yot 9 maart 1945 de mariniers in hun Landing op Iwo Jima. Daarna stoomde ze terug naar Ulithi. Gedurende een deel van deze periode, onderhield de USS Enterprise voortdurend vliegtuigpatrouilles boven Iwo Jima, voor 174 uren. Op 15 maart vertrok ze terug van Ulithi en onderhield haar nachtwerk in vliegtuigraids tegen Kyushu, Honshu en schepen in de binnenzeeën van Japan. Ze werd echter licht beschadigd door een vijandelijke bom op 18 maart 1945. De USS Enterprise voer zes dagen later Ulithi binnen voor reparatie.

Slag om Okinawa[bewerken]

Ze kwam opnieuw in actie op 5 april in de Slag om Okinawa. Daar raakte een kamikazevliegtuig "Big E" op 11 april 1945. Weer moest ze terugkeren naar Ulithi. Nog een keer stevende ze terug naar Okinawa en op 6 mei ondernam de USS Enterprise, de klok rond, aanvalraids met haar vliegtuigen. Weer werd ze getroffen door een Japanse "kamikaze"-zelfmoordpiloot. Op 14 mei 1945 vernielde een zelfmoordvliegtuig haar voorwaartse-vliegdeklift. Hierbij vielen 14 doden en 34 gewonden. Het vliegdekschip stoomde terug voor reparatie naar Puget Sound Naval Shipyard. Daar kwam ze aan op 7 juni, waar ze gemeerd bleef tot op V-J Day, 15 augustus 1945. Ze kwam niet meer in actieve dienst, daar Japan in augustus 1945 capituleerde. De oorlog was afgelopen.

Na de oorlog[bewerken]

Operatie Magic Carpet[bewerken]

De USS enterprise voer naar Pearl Harbor en keerde daarna terug naar de Verenigde Staten met 1.100 dienstplichtigen wier dienst erop zat. Ze voer naar New York, waar ze op 17 oktober 1945 aankwam. Twee weken later kwam ze aan te Boston, voor installatie van ruimten voor verblijf. Dan begon ze operatie Magic Carpet en ze bracht 10.000 veteranen huiswaarts. In Europa huldigde de Britse Admiraliteit het schip, het enige niet-Royal Navy-schip dat deze eer te beurt viel.

Sloop van "Big E"[bewerken]

De USS Enterprise kwam naar de New York Naval Shipyard op 18 januari 1946 en werd uit dienst gesteld op 17 februari 1947. Ofschoon er verscheidene pogingen werden ondernomen tot behoud van het schip als een museum/memorial, lukte het niet om daarvoor genoeg geld bij elkaar te krijgen. Het vliegdekschip van de US Navy en de "Big E" werd verkocht op 1 juli 1958 aan de Lipsett Corporation van New York City, die USS Enterprise liet slopen te Kearny, New Jersey. Er werd beloofd dat een opvallende driepotige mast behouden zou blijven om in het Naval Academy's nieuw voetbalstadion te zetten, maar dat is niet gebeurd. Er werd wel een gedenkplaat geplaatst op de basis, van wat wordt vernoemd "Enterprise Tower". De sloop eindigde in mei 1960. In 1968 was er een permanent "Enterprise Exhibit" en was opgedragen aan de Naval Aviation Museum te Pensacola Naval Air Station, Florida, tot een huiselijk kunstproductie, foto's en andere items van historisch belang over de USS Enterprise (CV-6).

Lijst van Operaties[bewerken]

Doden en gevangenen[bewerken]

De USS Enterprise had tezamen 374 doden te betreuren. Daarvan zijn 139 doden van de scheepsbemanning. De anderen behoorden tot de gestationeerde luchteenheden die neergestort zijn. Twaalf piloten werden door de Japanners gevangengenomen, nadat hun vliegtuig werd neergehaald. Daarvan werden twee piloten na de gevangenneming geëxecuteerd. Twee andere piloten werden naar Formosa gebracht en kort voor het oorlogseinde opgehangen.

Commandanten[bewerken]

  • Kapitein-ter-zee Newton H. White (12 mei 1938 - 21 december 1938)
  • Kapitein-ter-zee Charles A. Pownall (21 december 1938 - 21 maart 1941)
  • Kapitein-ter-zee Georges D. Murray (21 maart 1941 - 30 juni 1942) - (Doolittle Raid - Slag bij Midway, met admiraal Raymond Spruance aan boord)
  • Kapitein-ter-zee Arthur C. Davis (30 juni 1942 - 21 oktober 1942)
  • Kapitein-ter-zee Osborne B. Hardison (21 oktober 1942 - 7 april 1943)
  • Kapitein-ter-zee Carlos W. Wieber (7 april 1943 - 16 april 1943)
  • Kapitein-ter-zee Samuel P. Ginder (16 april 1943 - 7 november 1943) - (Reparatie in Pearl Harbor en ombouw in Bremerton)
  • Kapitein-ter-zee Matthias N. Gardner (7 november 1943 - 10 juli 1944)
  • Kapitein-ter-zee Thomas J. Hamiton (10 juli 1944 - 29 juli 1944) - (Reparatie in Pearl Harbor)
  • Kapitein-ter-zee Cato D. Glover (29 juli 1944 - 14 december 1944)
  • Kapitein-ter-zee Grover B. H. Hall (14 december 1944 - 25 september 1945)
  • Kapitein-ter-zee William A. Rees (25 september 1945 - 20 februari 1946)
  • Kapitein-ter-zee Francis E. Bardwell (20 februari 1946 - 10 juni 1946) - Aangelegd in Bayonne (New Jersey)
  • Kapitein-ter-zee Conrad W. Craven (10 juni 1946 - 31 januari 1947)
  • Kapitein-ter-zee Lewis F. Davis (31 januari 1947 - 17 februari 1947) - (Uitdienststelling)

USS Enterprise (CV-6)[bewerken]

  • Klasse: Yorktown-klasse
  • Type: Vliegkampschip US Navy
  • Werf: Newport News Shipbuilding and Dry Dock Comp. Virginia
  • Bouworder: 1933
  • Bouw: 16 juli 1934
  • Te water gelaten: 3 oktober 1936
  • In dienst gesteld: 12 mei 1938
  • Uit dienst gesteld: 17 februari 1947

Technische gegevens[bewerken]

  • Lengte: 247 m
  • Lengte vliegdek: 245 m
  • Breedte romp: 33 m
  • Breedte vliegdek: 26,30 m
  • Hoogte: 43,60 m
  • Diepgang: 6,70 m (standaard) - 8,50 m (volgeladen)
  • Machines: 9 x Babcock & Wilcox stoomketels - 4 x Parsons geared turbines
  • Vermogen: 120.000 pk (90 MW) - 4 schroeven - 2 roeren
  • Snelheid: 32,50 knopen (60,19 km/h) - maximum 33,65 knopen (62,32 km/h)
  • Reikwijdte: 10.400 zeemijl bij 15 knopen - 7.900 zeemijl bij 20 knopen
  • Bemanning: 1.889 man in vredestijd - 2.217 officieren en matrozen (1941) - 2.919 man in de Tweede Wereldoorlog

Bewapening[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

  1. USS Enterprise (CV-6)
  2. USS Enterprise (CV-6) Home
  3. USS Enterprise (CV-6) 1941
  4. USS Enterprise (CV-6) "The Ship whit a Soul"
  5. USS Enterprise (CV-6) Archives
  6. USS Enterprise (CV-6) Foto's en history
  7. Grumman F4F Wildcat
  8. Grumman F4F Wildcat
  9. Grumman F6F Hellcat
  10. TBF/TBM Avenger
  11. Douglas SBD Dauntless