Uithuiszetting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een uithuiszetting is het uitzetten van een huurder uit een huurpand door de huisbaas. De voorwaarden om een huurder uit huis te kunnen zetten verschillen per jurisdictie.

Uithuiszetting per jurisdictie[bewerken | brontekst bewerken]

Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

In het Vlaams Gewest kan een uithuiszetting enkel plaatsvinden wanneer de verhuurder een 'uitvoerbare titel' heeft. Dat is doorgaans een vonnis van het vredegerecht dat de huurovereenkomst beëindigt en de uithuiszetting beveelt. Zo'n vonnis kan uitgesproken worden na een (gefaalde) verzoeningspoging door de vrederechter. Een maand na de betekening van het vonnis door een gerechtsdeurwaarder kan de gerechtsdeurwaarder overgaan tot de uithuiszetting. Het OCMW wordt op de hoogte gebracht als een huurder uit zijn woning dreigt gezet te worden. Bij een uithuiszetting maakt de deurwaarder een lijst van alle meubels, die op kosten van de huurder vervoerd worden naar een plaats die de huurder kiest. Kiest de huurder geen opslagplaats, dan wordt alles meegenomen naar een depot van de stad of gemeente. De huurder kan zijn spullen daar tegen een kostprijs ophalen tot 6 maanden na uithuiszetting.[1]

Het aantal opgestarte uithuiszettingsprocedures is aanzienlijk toegenomen sinds 2008. Het overgrote deel doet zich voor op de private huurmarkt. Elke week worden er 250 procedures ingeleid, waarvan er (afhankelijk van de bron) 30 tot 90% resulteren in een effectieve uithuiszetting. Veel bewoners verlaten hun woning nog voor er een uitspraak is. Jonge koppels en alleenstaande mannen worden vaker uit huis gezet in Vlaanderen. Slechts 1 op de 5 betrokkenen heeft een inkomen uit werk. In 1 op de 4 procedures zijn kinderen betrokken.[2]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]