Urim en Tummim

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Urim en Tummim of Oerim en Toemiem waren volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel edelstenen die zich bevonden in het borstschild op de efod van de hogepriester van de Israëlieten, waarmee een vraag aan JHWH kon worden gesteld. In de NBV worden ze aangeduid als "orakelstenen"[1] en "twee orakelstenen",[2] maar het woordje "twee" staat niet in de grondtekst. Beide woorden zijn een meervoud - het gaat dus kennelijk om minstens vier voorwerpen. Ze konden een vraag met ja of nee beantwoorden, maar ze konden ook zwijgen. Hoe dit precies in zijn werk ging, wordt niet duidelijk uit de Hebreeuwse Bijbel.

De eerste vermelding van deze raadselachtige voorwerpen is in Exodus 28, waarin de priesterkleding wordt beschreven. Volgens het verhaal krijgt Mozes opdracht een efod te maken en daarop een borstschild te bevestigen met de Urim en de Tummim. Vermoedelijk heeft JHWH deze voorwerpen aan Mozes gegeven, maar daarover wordt niets gezegd. In de periode van Saul en David heeft David de beschikking over de efod met de Urim en de Tummim, zodat hij JHWH veelvuldig om raad kan vragen.[3]

In Ezra 2:63 en Nehemia 7:65 staat geschreven dat alleen een priester bevoegd is de Urim en de Tummim te gebruiken, wat een aanwijzing zou kunnen zijn dat deze voorwerpen na de Babylonische ballingschap nog aanwezig waren, maar het is waarschijnlijker dat de schrijvers vermoedden dat ze nog ergens te vinden waren. Na Nehemia 7 worden de Urim en de Tummim nergens meer vermeld.