Utrechts Schisma (15e eeuw)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Utrechts Schisma
18e-eeuwse voorstelling van Reinier Vinkeles en Jacobus Buys van de moord op burgemeester Proys.
18e-eeuwse voorstelling van Reinier Vinkeles en Jacobus Buys van de moord op burgemeester Proys.
Datum 1423 – 1449
Locatie Sticht Utrecht
Casus belli Overlijden Frederik van Blankenheim
Strijdende partijen
Lichtenbergers
Hoeken
Proysen
CoA Pontifical States 02.svg Kerkelijke Staat (1432–1449)
Lokhorsten
Kabeljauwen
Blason fr Bourgogne.svg Bourgondië
Wappen Geldern-Juelich.svg Gelre (1423–1429)
CoA Pontifical States 02.svg Kerkelijke Staat (1423–1432)
Concilie van Bazel & Tegenpaus Felix V (1431–1449)
Leiders en commandanten
Rudolf van Diepholt
Beernt Proys
Rhabanus van Helmstatt (1423–1425)
Zweder van Culemborg (1425–1433)
Walraven van Meurs (1433–1449)

Het Utrechts Schisma was tussen 1423 en 1449 een crisis in het Sticht Utrecht waarin grote verdeeldheid heerste over wie de rechtmatige prins-bisschop van Utrecht was. De opvolgingsstrijd spitste zich toe op Zweder van Culemborg en diens broer Walraven van Meurs aan de ene kant, en aan de andere kant Rudolf van Diepholt. Het conflict werd vermengd met de reeds bestaande Utrechtse partijstrijd tussen de Lichtenbergers en Lokhorsten (tot 1413 Gunterlingen genoemd) en met de in Holland woedende Hoekse en Kabeljauwse twisten. Soms wordt het Utrechts Schisma reeds in 1429 als beëindigd beschouwd.[1][2]

Verloop[bewerken]

Dubbele bisschopsverkiezing (1423–1425)[bewerken]

Na de dood van de Utrechtse prins-bisschop Frederik van Blankenheim op 9 oktober 1423, brak een strijd los rond zijn opvolging. Hoewel paus Martinus V in eerste instantie de bisschop van Spiers Rhabanus van Helmstatt als kandidaat beoogde, verkoos men in het Sticht Utrecht de Osnabrückse proost Rudolf van Diepholt, die ook door de Hoeken werd gesteund. Zweder van Culemborg werd in 1425 zijn tegenstander nadat hij door de paus was benoemd.

Stadsgevechten in Utrecht (1425–1426)[bewerken]

In 1425 liet men uiteindelijk toch Zweder van Culemborg de stad Utrecht binnen. Dit ontaardde al spoedig in conflicten binnen de muren van de stad die intern in het stadsbestuur diep verdeeld was. In de stad Utrecht was in die tijd de factie van de Lichtenbergers tezamen met de Proysen en Hoekse edelen de leidende partij; zij kozen de kant van Rudolf.[1][2] Hun politieke tegenstanders, de Lokhorsten, waren verbannen uit de stad, en leden uit de machtige Utrechtse gilden kozen partij in de bestuurlijke verdeeldheid. De Lokhorsten, Kabeljauwse edelen, Bourgondië en Gelre vormden het kamp van Zweder.[1][2] Met de komst van Zweder van Culemborg kwamen bannelingen terug in de stad en werden oude vetes beslecht. Onder meer de Utrechtse burgemeester Beernt Proys, een Lichtenberger, liet op 21 augustus 1425 het leven toen hij door Lokhorstse slagers thuis ziek in bed werd vermoord.[3] Dezelfde dag werden andere Lichtenbergers vermoord en hun huizen geplunderd, waarna de overlevenden uit de stad werden verdreven.[3] Een jaar later, in 1426, wist een aantal Lichtenbergse edelen en inwoners verkleed als monnik de stadspoorten binnen te komen.[3] De Lokhorsten inclusief de slagers stonden gewapend opgesteld bij wat nu de Stadhuisbrug is, maar werden verslagen door de Lichtenbergers die hen over de stadsmuren wegjoegen.[3] Zweder van Culemborg werd vervolgens de stad uitgejaagd waarna Rudolf van Diepholt zijn intrek nam en de Lichtenbergers/Proysen weer de leidende factie werden.

Gelderse militaire interventie (1426–1429)[bewerken]

De Geldersen bezetten Amersfoort voor Zweder (een familielid van de Gelderse hertog Arnold van Egmont), maar Rudolf heroverde de stad al snel.[2] Zweder moest zich uit Nedersticht terugtrekken naar Arnhem.[2] Rudolfs troepen plunderden daarop de Veluwe, waarop de Geldersen als wraak Amerongen en de omgeving platbrandden.[2] Rudolf versloeg de Geldersen bij Maurik en sloeg daarna het beleg voor Tiel, zonder succes.[2] In 1428 werd er een wapenstilstand gesloten en in 1429 sloot Gelre vrede met Rudolf; Arnold had zelf nog de handen vol aan zijn oorlog tegen Gulik.[2] Nadat Gelre zich terugtrok uit het conflict had Rudolf militair eigenlijk al de overwinning behaald, al bleef er nog 20 jaar een diplomatiek conflict voortbestaan.

Diplomatieke afwikkeling (1429–1449)[bewerken]

De afwijzing van een door de paus benoemde bisschop leidde tot diverse kerkelijke strafmaatregelen die ingrepen op onder meer de stad Utrecht. Het werd onder andere verboden om in de stad nog bepaalde doop- of trouwrituelen uit te voeren, maar daar hield men zich in de stad niet aan. Diverse Romegetrouwe kloosterlingen ontvluchtten vanaf 1427 tevens de stad. Paus Martinus V overleed in 1431; Rudolf van Diepholt werd in 1432 officieel door zijn opvolger paus Eugenius IV als bisschop erkend. Het Concilie van Bazel kwam echter in conflict met Eugenius en bleef Zweder erkennen; na diens dood in 1433 benoemden deze geestelijken Zweders broer Walraven van Meurs als nieuwe bisschop. Het conflict tussen Eugenius en het Concilie escaleerde zodanig dat de laatste in 1439 Tegenpaus Felix V verkozen, die hun keuze voor Walraven bevestigde. Walraven slaagde er echter nooit in om zijn claims te bewerkstelligen en zag er uiteindelijk vanaf. Het Utrechts Schisma eindigde rond 1449 toen Walraven van Meurs zijn claim op de bisschopszetel opgaf en Rudolf van Diepholt in eensgezindheid werd geaccepteerd als bisschop.[4]