Utrechtse tram

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tramnetwerk in 1933 in de stad Utrecht, met vijf lijnen plus een tramlijn naar Zeist. (Het kaartbeeld is van 2011)

De Utrechtse tram bestaat uit een aantal voormalige, huidige en toekomstige tramlijnen en -bedrijven in de provincie Utrecht. In 1879 werd in de stad Utrecht de eerste paardentramlijn in gebruik genomen. Vanaf 1906 werd deze paardentram vervangen door elektrische trams van de Gemeentetram Utrecht. Tegelijkertijd bestonden er in en bij Utrecht diverse interlokale trambedrijven naar Zeist en Vreeswijk, tussen Soest en Baarn en Amersfoort en Arnhem. In 1949 verdwenen de laatste van deze trambedrijven uit het straatbeeld.

Na een afwezigheid van 34 jaar is sinds 17 december 1983 de Sneltram Utrecht in bedrijf. Volgens de plannen zullen medio 2018 in Utrecht ook trams naar de oostkant van de stad rijden. Hieronder een overzicht van de Utrechtse tramgeschiedenis.

Stadstram[bewerken]

Paardentram[bewerken]

De Bakkerbrug rond 1900 met een paardentram.
Motorwagen 37 van de Gemeentetram Utrecht bij de tramremise aan de Nicolaas Beetstraat; 31 augustus 1938.

In 1879 opende de Stichtse Tramway Maatschappij (STM) de eerste paardentramlijn (spoorwijdte 1067 mm; kaapspoor) in Utrecht tussen het Stationsplein (Rhijnspoor) en de Biltstraat. Een maand later werd de tram verlengd via De Bilt naar Zeist ‘t Rond. In 1882 werd een nieuwe onderneming opgericht, de Ooster Stoomtram-Maatschappij (OSM), met als doel een stoomtramlijn aan te leggen tussen Utrecht en Arnhem.

1rightarrow blue.svg Zie Utrechtsche Tram-Maatschappij voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 25 januari 1889 werd het eerste Utrechtse stadstrambedrijf, de Utrechtsche Tram-Maatschappij (UTM) opgericht. Deze maatschappij legde twee paardentramlijnen aan. De oost-westlijn tussen het Rhijnspoorstation en het Maliebaanstation werd geopend op 3 juli 1889. Bijzonder aan deze lijn was dat deze onder de Domtoren door liep. Op 9 oktober 1892 werd een zijtak geopend, over de Maliebaan naar de treinhalte Biltstraat. Het stadstraject (de paardentram) van de STM tussen het Rhijnspoorstation en de halte Biltstraat werd hierop opgeheven, zodat op dit traject alleen de streektram overbleef. Op 1 maart 1893 opende de UTM ook de noord-zuidlijn over de Oudegracht. Hiermee kreeg Utrecht een uitgebreid stadstramnet, met in totaal 5 eindpunten. Het centrale knooppunt van dit tramnet was het Domplein.

Gemeentetram Utrecht[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Gemeentetram Utrecht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Op het Ledig Erf staat nog een oud wachthok van de Gemeentetram.

Begin 20e eeuw vond de gemeente Utrecht het tijd voor modernisering. Omdat dit werd gezien als algemeen belang, werd op 27 oktober 1904 de Gemeentetram Utrecht (GTU) opgericht. Dit zou tevens de grootste klant van de nieuwe elektriciteitscentrale worden. De UTM werd uitgekocht en de GTU nam een gedeelte van hun normaalsporige net over. De lijnen werden aangelegd op normaalspoor en geëlektrificeerd met 600 V gelijkspanning. De GTU heeft van begin tot eind altijd de trolleystang als stroomafnemer gebruikt.

Op 20 juni 1906 ging de eerste elektrische tram op lijn 1 rijden van het Centraal Station naar de Vaaltbrug. Deze lijn werd later uitgebreid tot Ringlijn rond de Singels om de binnenstad. In 1907 kwamen ook de lijnen 2, 3 en 4 in gebruik, echter met tijdelijke routes omdat nog niet alle trajecten gereed waren. In 1908 werden de definitieve lijnen 2 en 3 ingesteld, waarbij lijnnummer 4 weer verdween. Lijn 2 werd een Ringlijn en verbond het Centraal Station met Oudwijk, en bijzonderheid was dat de trams van lijn 2 onder de Domtoren door reden. Lijn 3 verzorgde de verbinding met de Amsterdamsestraatweg, later verlengd naar Zuilen en naar de Adriaan van Ostadelaan. Lijn 4 verbond vanaf 15 november 1919 de Billitonkade met de binnenstad, terwijl lijn 5 vanaf 1922 de verbinding van de Croeselaan naar de binnenstad verzorgde. De laatste uitbreiding van het net vond plaats in 1936 toen de verbinding met het Stadion Galgenwaard tot stand kwam.

Provincie Utrecht[bewerken]

Normaalspoor[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Tramlijn Utrecht - Zeist voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Paardentramrijtuig STM 16 van de tramlijn Utrecht - Zeist in het Spoorwegmuseum.

De eerste paardentram in de Provincie Utrecht reed op 29 april 1879 tussen het Utrechtse Rhijnspoorstation en de Biltstraat. Deze lijn werd vrijwel meteen doorgetrokken naar Zeist. Op deze lijn Utrecht – De Bilt – Zeist werd vanaf 1901 de dienst uitgevoerd door de Nederlandsche Buurtspoorweg-Maatschappij (NBM). In 1909 werd deze lijn geëlektrificeerd, met 600 V gelijkspanning. De tramlijn passeerde het KNMI te De Bilt op korte afstand. Omdat men bang was voor zwerfstromen, die de gevoelige seismologische meetapparatuur zou kunnen beïnvloeden, moest de lijn met een dubbelpolige bovenleiding worden uitgevoerd, waarvoor de motorwagens met hulptrolleystangen werden uitgevoerd. Pas in 1940 kon met één trolleystang worden volstaan. In 1946 werd deze vervangen door een schaarbeugel.

Na de opheffing van de Gemeentetram Utrecht in 1939 werd het stadstraject tussen het Centraal Station en de Biltstraat door de NBM overgenomen. Tussen 1946 en 1949 werd hierop nog een stadsdienst onderhouden, deels met van de lijn Vlissingen – Middelburg overgenomen motorwagens.

De tramdienst tussen Utrecht en Zeist behoorde tot de drukste tramlijnen van Nederland. In de jaren na de bevrijding werden nog pogingen ondernomen de lijn te moderniseren met vierassige trams, maar de bus won het van de tram. Op 2 mei 1949 reden de laatste trams in Utrecht.

Smalspoor[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Tramlijn Amersfoort - Arnhem voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Tram van de NBM te Rhenen, na verlegging van het tramspoor na herstel van oorlogsschade uit 1940; 1941.

In 1882 kreeg Zeist een tweede paardentramlijn, nu op kaapspoor (1067 mm), van ‘t Rond naar Driebergen Station en Dorp. Deze laatste lijn werd geëxploiteerd door de Ooster Stoomtram-Maatschappij (OSM), die in 1883 een stoomtramlijn opende van (Zeist –) Driebergen naar Doorn Sandenburgerlaan en Amerongen. Deze lijn werd in 1884-1887 verlengd via ElstRhenenWageningenOosterbeek naar Arnhem. In 1885 kwam er ook een zijtak tot stand van Doorn Sandenburgerlaan naar Wijk bij Duurstede. Aan de andere kant werd de tramlijn in 1914 van Zeist via Huis ter Heide naar Amersfoort verlengd. Vanaf 1910 werd er motortractie ingevoerd.

De pendeldienst Zeist station – Driebergen station werd werd in 1911 geëlektrificeerd. Arnhem – Rhenen werd in 1922 geëlektrificeerd. In 1924 werd ook de rest van de lijn Rhenen – Zeist – Amersfoort elektrisch. Op de bovenleiding stond 1200 V gelijkspanning. Er werden grote vierassige motorwagens aangeschaft die de deels van de stoomtram afkomstige vierassige rijtuigen gingen trekken.

De stoomtram bleef alleen nog rijden op de zijlijn naar Wijk bij Duurstede, totdat deze werd opgeheven in 1931. De tramlijn van de OSM werd werd in 1927 overgenomen door de NBM.

De tramdienst tussen Rhenen en Arnhem werd in 1937 opgeheven en door een busdienst vervangen. De resterende lijn bleef nog tot 1949 in exploitatie. De laatste trams tussen Amersfoort en Doorn reden op 2 mei 1949. Een deel van het rollende materieel kon nog worden verkocht naar andere trambedrijven, waaronder de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM).

Overige trams in de provincie Utrecht[bewerken]

Niet alleen in de stad Utrecht en in Zeist, maar ook in Amersfoort, Soest en tussen Utrecht en Vreeswijk hebben paardentrams gereden. In Amersfoort van 1901 tot 1917, in Soest van 1895 tot 1922 (motortractie tot 1925) en naar Vreeswijk van 1893 (stoomtractie vanaf 1882) tot 1929 (vanaf 1923 ook motortractie). De trams tussen het NS-station Papekop en Oudewater en tussen Gouda via Hekendorp naar Oudewater vallen buiten dit artikel. Hoewel de tracés nu deels binnen de provinciegrenzen van Utrecht vallen, betrof het tijdens de exploitatie van de lijnen het grondgebied van Zuid-Holland.

Utrechtse museumtrams[bewerken]

Tramstel NBM 20 + 43 + 402 op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam te Bovenkerk; 21 september 2012.
Bijwagen NBM 43 op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam, halte Jollenpad; 29 oktober 2006.

Van de trams die vroeger in de provincie Utrecht hebben gereden, zijn enkele exemplaren behouden gebleven. Van de Gemeentetram Utrecht bestaat nog de in 1927 door Werkspoor gebouwde motorwagen 75, die vanaf 1939 de Amsterdamse motorwagen 1 was. Na buitendienststelling in 1961 werd deze in 1978 in Amsterdamse uitvoering gerestaureerd weer in dienst gesteld en reed tot 2004 als zodanig op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam (EMA) en op het Amsterdamse stadsnet. Deze motorwagen staat buiten dienst in afwachting van een revisie.

Van de NBM-tramlijn Utrecht – Zeist zijn bij de EMA nog aanwezig motorwagen 20 (Allan, 1910) en bijwagen 43 (Allan, 1915), die tussen 1949 en 1966 in Duitsland verbleven en nadien naar Nederland terugkeerden. Sinds 2012 is dit een rijvaardig NBM-tramstel. Zij zijn nu in bezit van de stichting Stichts Tram Museum (STM) die voorts nog een replica bouwt van de NBM 12 (HaWa, 1921) uit een Haagse tram (nr. 256) van hetzelfde fabricaat en type.[1][2][3][4][5][6]

Voorts zijn van deze tramlijn nog drie (ex-)paardentrams bewaard gebleven, die na de opheffing van de tramlijn terechtkwamen in de collectie van het Nederlands Spoorwegmuseum (NSM) te Utrecht. Dit betreft de STM 16 (Beijnes, 1891), NBM 23 (De Groot, 1902) en NBM 28 (Ateliers Métallurgiques, 1902). De laatstgenoemde twee werden in september 2007 overgedragen aan de Tramweg-Stichting.[7][8][9]

Nadat deze vanaf 1949 vele jaren dienst heeft gedaan als woning, staat de wagenbak van het in 1910 gebouwde Allan-rijtuig 34 van de tramlijn Amersfoort – Zeist – Rhenen – Arnhem sinds 2003 bij de Museumstoomtram Hoorn-Medemblik in afwachting op restauratie.[10]

Van de NBM-smalspoortramlijn bestaat ook nog de in 1899 door Werkspoor gebouwde postbagagewagen OSM 1. Deze deed na 1949 vele jaren dienst als duiventil op een landgoed te Moergestel en kwam via diverse omzwervingen terecht in de collectie van het Nationaal Smalspoormuseum te Valkenburg (ZH). De wagen is in 1997 gerestaureerd.[11]

Sneltram[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Utrechtse sneltram voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Weens driewagenstel van de Sneltram Utrecht. Smakkelaarsveld te Utrecht; 3 maart 2011.
De eerste Spaanse tram van het type Urbos 100, bestemd voor de Uithoflijn bij de remise te Nieuwegein; 18 januari 2017.

Vanaf de jaren zeventig werd ten zuidwesten van de stad Utrecht de nieuwe satellietstad Nieuwegein gebouwd. Om een goede verbinding te verkrijgen werd een nieuwe railverbinding ontworpen. De Nederlandse Spoorwegen (NS) dachten aanvankelijk aan een spoorlijn, doch uiteindelijk werd besloten tot aanleg van de sneltramlijn die het Utrechtse Centraal Station via Kanaleneiland en een brug over het Amsterdam-Rijnkanaal met Nieuwegein en IJsselstein zou gaan verbinden. De lijn werd op 17 december 1983 geopend en hiermee had Utrecht na 34 jaar weer een trambedrijf gekregen.

Tram naar De Uithof[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Uithoflijn voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanwege de grote vervoersstromen tussen het Centraal Station enerzijds en stadion Galgenwaard, universiteitscentrum De Uithof en het Universitair Medisch Centrum Utrecht anderzijds is de Gemeente Utrecht voornemens een tramlijn aan te leggen tussen deze locaties. Het tracé is inmiddels ontworpen.[12] De eerste lijn zal lopen via de bestaande busbaan van lijn 12 langs de Spoorlijn Utrecht - Arnhem, de Laan van Maarschalkerweerd en de Weg tot de Wetenschap naar De Uithof.

De kosten van aanleg van de trambaan Utrecht Centraal – De Uithof worden geschat op circa 321 miljoen euro. In het voorjaar van 2008 is een besluit genomen, dat in het najaar van 2008 ter inzage heeft gelegen. Een tram uit de Franse stad Mulhouse is in september 2007 een aantal dagen in Utrecht geweest, ter promotie van de Autoloze Zondag en nieuwe tramlijn. In juni 2011 nam het Algemeen Bestuur van het BRU (Bestuur Regio Utrecht) het principebesluit de tramlijn aan te leggen. Daarna werd een plan gemaakt voor inpassing van de nieuwe railverbinding in de omgeving. Dit werd in april 2012 gepresenteerd, waarop het BRU-bestuur op 18 april 2012 definitief tot aanleg besloot. De eerste tram gaat in 2018 rijden en zou dan op jaarbasis 13.000.000 passagiers (35.000 per dag) vervoeren. Volgens de prognoses kan de lijn in 2023 rendabel zijn.

Externe links[bewerken]