Nederlandse verovering van de Banda-eilanden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf VOC op de Banda-eilanden)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nederlandse verovering van de Banda-eilanden
Een moderne kaart van de Banda-eilanden
Een moderne kaart van de Banda-eilanden
Datum mei 1609 – eind 1621
Locatie Banda-eilanden
Resultaat Nederlandse overwinning
Strijdende partijen
Flag of the Dutch East India Company.svg Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC)
Gesteund door:
Prinsenvlag.svg Republiek
Bandanese strijders
Gesteund door:[1]
British East India Company flag.svg Engelse Oost-Indische Compagnie
Flag of England.svg Engeland
Leiders en commandanten
Pieter Willemsz. Verhoeff
Piet Hein
Gerard Reynst
Jan Dirkszoon Lam
Jan Pieterszoon Coen
Onbekend. Macht lag in handen van de orang kaya (aristocratie)
Troepensterkte
Onbekend. Gehele bevolking inclusief burgers geschat op 15.000[2]
Verliezen
ca. 14.000 dood, slaaf gemaakt of gevlucht[3][2]

De Nederlandse verovering van de Banda-eilanden, die piekte met het Bloedbad van Banda[4] van 1621, was de geleidelijke militaire verovering van de Banda-eilanden door de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) van 1609 tot 1621.[5] De eilanden werden grotendeels ontvolkt door de gevechten, hongersnoden en moordpartijen en deportatie door de Nederlandse aanvallers. Hiermee werd het door de VOC gewenste monopolie op de specerijenhandel afgedwongen, met name de handel in nootmuskaat, foelie en kruidnagel.[1]

Achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De eerste expeditie vanuit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ter verkenning van de Banda-eilanden en daarnaast Bantam, Ternate en Ambon werd op 1 mei 1598 gelanceerd door een voorcompagnie. Een vloot onder bevel van Jacob Cornelisz van Neck, Jacob van Heemskerck en Wybrand van Warwijck voer uit en legde contact met de inwoners van de Banda-eilanden in 1599. Van Heemskerck tekende enkele contracten met Bandanese dorpshoofden en bouwde er een specerijenhandelspost.[5] De vulkanische Banda-eilanden bleken uniek te zijn door de beschikbaarheid van nootmuskaat en foelie, die nergens anders ter wereld groeiden en daarom een extreem hoge handelswaarde hadden.[1]

Vroege handel en gevechten[bewerken | brontekst bewerken]

Slag om Banda Neira (1609)[bewerken | brontekst bewerken]

De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) werd op 20 maart 1602 opgericht als een door de Staten-Generaal van de Nederlanden opgelegde fusie van alle voorcompagnieën, met het exclusieve recht op alle Nederlandse scheepvaart en handel in Azië en Oost-Indië, waaronder het recht om verdragen te sluiten, oorlog te verklaren en voeren, forten en handelsposten te bouwen.[6] Begin april 1609 arriveerde een VOC-vloot aangevoerd door Pieter Willemsz. Verhoeff op Banda Neira en wilde er de vestiging van een fort afdwingen. De Bandanezen wilden vrijhandel zodat ze de kooplieden van de verschillende Europese mogendheden tegen elkaar uit konden spelen en hun producten aan de hoogste bieder verkopen.[7] De VOC begeerde echter een monopolie op de specerijenhandel zodat de Bandanezen hun producten alleen aan de Nederlanders mochten verkopen.[1] De onderhandelingen verliepen stroef. Op een zeker moment in eind mei 1609 lokten de dorpshoofden van Banda Neira Verhoeff en twee andere commandanten, die hun schepen hadden verlaten om op het strand te onderhandelen, de bossen in. Daar liepen ze in een val en werden ze vermoord.[1] De op het strand achtergebleven lijfwacht werd ook vermoord. In totaal werden 46 Nederlanders gedood.[8] Als vergelding plunderden de VOC-soldaten verschillende Bandanese dorpen en verwoestten zij de schepen van de dorpelingen.[1] De Engelsen leverden wapens en munitie aan de Bandanezen.[1] In augustus werd ten slotte een vredesverdrag gesloten dat gunstig was voor de VOC: de Bandanezen erkenden het Nederlandse gezag en het Nederlandse monopolie op de specerijenhandel.[1] Datzelfde jaar werd Fort Nassau gebouwd op Banda Neira om de nootmuskaathandel te beheersen.[9][10]

Expedities tegen Lontor, Run en Ai (1609–1611)[bewerken | brontekst bewerken]

Piet Hein, die vermoedelijk niet aan de gevechten had deelgenomen, volgde Verhoeff op als vlootcommandant. Nadat de bouw van Fort Nassau was voltooid, voer de vloot noordwaarts naar Ternate, waar de sultan de Nederlanders toestemming gaf om een oud beschadigd Maleis fort te herstellen dat in 1609 Fort Oranje werd genoemd.[1] Dit zou de de facto hoofdstad van de Vereenigde Oostindische Compagnie blijven totdat in 1619 Jayakarta werd veroverd en omgedoopt tot Batavia (het huidige Jakarta). De Nederlanders raakten betrokken bij een korte oorlog tussen Ternate en het nabijegelegen eilandkoninkrijk Tidore.[1] In maart 1610 arriveerde Piet Hein op Ambon en wist hij na lang onderhandelen van maart tot november 1610 uiteindelijk een gunstig akkoord te sluiten met de Ambonezen over de aankoop van een grote partij kruidnagels.[1] Daarna voerde hij begin 1611 twee militaire strafexpedities uit tegen de Bandanese eilanden Lontor (tegenwoordige naam Banda Besar, 'Groot-Banda') en Run (Pulau Run).[1] Vervolgens kreeg hij de opdracht om Fort Belgica te bouwen op Banda Neira, dat daarmee het derde VOC-fort op de Banda-eilanden werd.[1] Een VOC-aanval op het eiland Ai in 1610 werd echter een mislukking.[8]

Verovering van Ai (1615–1616)[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Gerard Reynst § Expeditie naar Pulu Ai voor meer informatie over de expeditie van 1605.

De Bandanezen koesterden wrok jegens de Nederlandse vanwege de gewelddadig opgedrongen plicht om uitsluitend met hen te handelen. Ze schonden hun verdrag met de VOC door te handelen met de Engelsen (die hogere prijzen boden) en Maleise, Javaanse en Makassarese handelaars (die de specerijen doorverkochten aan de Portugezen).[11] Het bestuur van de VOC, de Heren XVII, meende een dergelijke inmenging in hun commerciële belangen niet meer te kunnen accepteren en concludeerde tegen 1614 dat het noordzakelijk was om de gehele Bandanese archipel te veroveren, zelfs als dat de uitroeiing van de inheemse bevolking en een zware kostenpost voor de financiën van de Compagnie zou betekenen.[8] Met dat doel nam gouverneur-generaal Gerard Reynst een leger naar Banda Neira op 21 maart 1615. Vervolgens lanceerde hij een strafexpeditie tegen het eiland Ai (of Pulau Ay) op 14 mei 1615. De forten van de inheemsen werden aanvankelijk met succes aangevallen, maar de VOC-troepen gingen "te vroeg" over op plunderen.[11] De Engelsen, die zich hadden teruggetrokken naar Run, hergroepeerden en voerden dezelfde avond nog een tegenaanval uit die de Nederlanders verraste en 200 van hen doodde.[4] Reynst besloot om Ai te evacueren en later nog eens een poging te doen; eerst wilde hij verhinderen dat een Engelse vloot kruidnagels zou bemachtigen op Ambon, waarin hij slaagde. Hij overleed echter aan ziekte in december 1605 voordat hij een tweede poging kon ondernemen.[11]

In april 1606 voerde Jan Dirkszoon Lam met 240 Nederlandse en 23 Japanse soldaten een nieuwe aanval uit op Ai dat hij ondanks sterke tegenstand wist te veroveren en tot een angstaanjagend voorbeeld stelde: vele verdedigers werden gedood, terwijl ongeveer 400 inheemsen (waaronder vele vrouwen en kinderen) verdronken terwijl ze trachtten te vluchten naar het nabijgeleden eiland Run in het westen.[8][12] Dit dwong de orang kaya (letterlijk 'rijke mannen'; de Bandanese aristocratie) op de andere Banda-eilanden om opnieuw voor de VOC gunstige contracten te tekenen. Lam beval de aanleg van het Fort der Wrake (door de Engelsen Fort Revenge genoemd) op Ai om de brute wraak te benadrukken die de Bandanezen zouden moeten verwachten als zij het waagden om handelsverdragen met de Nederlanders te schenden. Zelfs deze actie was echter nog niet in staat om de nootmuskaat- en foeliehandel geheel onder VOC-monopolie te brengen.[12] Hoewel de Lontorezen aanvankelijk geïntimideerd waren, begonnen ze al gauw weer te handelen met hun voormalige partners, waaronder de Engelsen die zich gevestigd hadden op Run en het kleine rotsachtige eilandje Nailaka ten noorden ervan.[8]

Beleg van Run (1617–1620)[bewerken | brontekst bewerken]

De eilanden Run en Nailika, gezien vanuit het oosten in 2006

Op 25 december 1616 nam de Engels koopman-avonturier Nathaniel Courthope met 30 soldaten de macht over op het eiland Run en bouwde er een fort. Hij dwong de inwoners om een verdrag te tekenen waarin ze Jacobus I van Engeland als koning van het eiland erkenden en de Engelsen nootmuskaat zouden leveren. De Nederlanders begonnen vervolgens het Engelse fort te belegeren dat het 1540 dagen (meer dan 4 jaar) uithield. Toen Courthope sneuvelde tijdens een aanval in 1620, gaven de Engelsen het eiland op en vertrokken.[4][13] Toen ze Run eindelijk in bezit hadden gekregen, besloten de Nederlanders alle volwassen mannen te doden of slaaf te maken, de vrouwen en kinderen te verdrijven en alle nootmuskaatbomen op het eiland om te hakken om te voorkomen dat de Engelsen het zouden hernemen.[4][2] De VOC liet er vervolgens slechts runderen vrij rondlopen om de andere eilanden van voedsel te voorzien.[14] Pas in 1638 zouden de Engelsen weer toegang tot Run proberen te krijgen, waarna VOC-ambtenaren jaarlijks het eiland opnieuw bezochten om te controleren of de Engelsen zich er stiekem weer gevestigd hadden totdat Engeland in 1667 formeel alle aanspraken op de Banda-eilanden opgaf.[14]

Engels–Nederlandse zeeoorlog (1618–1619)[bewerken | brontekst bewerken]

Terwijl het beleg van Run bezig was, bereikten de spanningen tussen de Nederlandse Oost-Indische Compagnie en de Engelse Oost-Indische Compagnie een kookpunt; tot slot brak er in 1618 open oorlog uit. De nieuwe VOC-gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen schreef op 29 september 1618 een brief, heden bekend als de Smeekbede van Coen, waarin hij de Heren XVII om meer soldaten, geld, schepen en andere zaken smeekte om oorlog te voeren tegen zowel de inheemse Bandanezen als de concurrerende Engelsen. Als vroom calvinist trachtte hij zijn meerderen te overtuigen dat het een goede investering zou zijn waar ze geen spijt van zouden krijgen, omdat de christelijke god hen zou bijstaan en doen zegevieren, ondanks eerdere tegenslagen: 'Dispereert niet, ontsiet uwe vijanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hinderen noch deeren, wandt Godt met ons is, en trect de voor gaende misslagen in geen consequentie, want daer can in Indiën wat grootsch verricht worden.'[15]

De Nederlanders slaagden erin om elf Engelse schepen te veroveren, waarvan enkele met zilver volgeladen waren, terwijl de Engelsen slechts één Nederlands schip wisten te bemachtigen. Deze interkoloniale oorlog kwam de autoriteiten in Holland echter slecht uit; omdat het Twaalfjarig Bestand bijna was afgelopen, was het belangrijker om een protestants bondgenootschap tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland te sluiten tegen het katholieke Spanje en Portugal. Daartoe sloten de landen in 1619 vrede en stelden het Tractaat van Verdediging op. De Heren XVII bevalen Coen om de vijandelijkheden te staken en samen te werken met de Engelsen, die het recht kregen op een derde van alle specerijen van de eilanden en de Nederlanders de overige twee derden.[4] Coen was hierover erg ontevreden, omdat hij de Engelsen uit de hele regio wilde verdrijven (en beweerde dat dat al gelukt was voordat de vrede was gesloten) en alle specerijen beheersen, zoals hij zijn meerderen met sarcasme schreef in zijn brief van 11 mei 1620:

Ik erken dat het de knecht niet aangaat wat de meester doet (...). Maar U Edelen zijn, onder correctie, al te haastig geweest (...). De Engelsen zijn U edelen grote dank schuldig, want nadat ze zichzelf terecht uit Indië hadden geholpen, hebben de Heren hen daar weer middenin gezet (...). Het is niet te begrijpen waarom de Engelsen een derde van de kruidnagelen, muskaatnoten en foelie vergund is, want zij konden op geen enkele zandkorrel van de stranden van de Molukken, Ambon of Banda [meer] aanspraak maken.[4][noot 1]

Bloedbad van Banda (1621)[bewerken | brontekst bewerken]

Bloedbad van Banda
Onderdeel van de Nederlandse verovering van de Banda-eilanden
Datum 7 maart – eind 1621
Locatie Lontor (Banda Besar)
Resultaat Nederlandse overwinning
Strijdende partijen
Flag of the Dutch East India Company.svg Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) Bandanese strijders
Leiders en commandanten
Jan Pieterszoon Coen Onbekend
Troepensterkte
  • 1905 Europese troepen
  • 286 Aziatische hulptroepen
  • 45 schepen
2000 verdedigers[14]

2500–3000 burgers[17]

Verliezen
  • 7+ dood
  • 31+ gewond
  • 2500–2800 dood[17]
  • 1700 slaaf gemaakt[17]

Gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen oordeelde dat de Engelse bemoeienis en inheemse weerstand tegen de Nederlandse commerciële suprematie in de Bandanese archipel voor eens en altijd verpletterd diende te worden. Daarom schreef hij op 16 oktober 1620 een brief naar de Heren XVII waarin hij verklaarde: 'Om hierin naar behoren te voorzien is het nodig dat Banda opnieuw overmeesterd en met andere mensen bevolkt gaat worden.'[17] Zoals voorgesteld instrueerden de Heren XVII hem om de Bandanezen te onderwerpen en hun leiders uit het land te verdrijven.[4]

Invasie[bewerken | brontekst bewerken]

De VOC-vloot van Batavia vertrok aan het eind van 1620.[14] Hij kwam eerst aan op Ambon, waar hij versterkt werd door extra soldaten en boten voordat hij verderging naar Banda.[4] De vloot bestond uit 19 schepen, 1655 Europese soldaten en 286 Aziatische hulptroepen onder het persoonlijk bevel van Jan Pieterszoon Coen.[14] Op 21 februari 1621 arriveerde de vloot in Fort Nassau op Banda Neira, waar het aangevuld werd door het 250 man sterke garnizoen en 36 inheemse boten.[18]

Nadat hij zonder succes op de eilanden Run en Ai had geprobeerd om Engelsen te rekruteren, zond Coen verkenners naar de kustlijn van Lontor (heden Banda Besar), het grootste eiland van Banda. De verkenningsmissie duurde twee dagen; tijdens de missie kwamen sommige VOC-boten onder kanonsvuur van de inheemse verdedigers. De verkenners ontdekten versterkte posities aan de zuidkust en op de heuvels, maar konden nergens een geschikt bruggenhoofd vinden voor een amfibische aanval. Op 7 maart landde er een VOC-verkenningseenheid op het eiland, maar deze werd aangevallen en teruggedreven nadat zij een dode en vier gewonden leed.[19]

Op 11 maart beval Coen een beslissende aanval. Hij verdeelde zijn strijdkrachten in verschillende groepen die meerdere punten op het eiland tegelijk binnenvielen. De indringers namen in korte tijd strategische punten in en tegen het einde van de dag de noordelijke laaglanden en de zuidelijke voorgebergten. De verdedigers en lokale bevolking vluchtten naar de heuvels in het midden van het eiland, achtervolgd door de Nederlanders. Aan het einde van 12 maart hadden de Nederlanders het hele eiland bezet, waarbij ze 6 doden en 27 gewonden opliepen.[20]

Tijdelijke vrede[bewerken | brontekst bewerken]

Na dit aanvankelijke Nederlandse succes wenste de Lontorese aristocratie (de orang kaya) vrede. Ze boden Coen geschenken aan en accepteerden alle eisen van de VOC. Ze zegden toe om hun wapens over te geven, hun vestingen te ontmantelen en gijzelaars over te dragen. Ze aanvaardden de soevereiniteit van de VOC, de bouw van een aantal VOC-forten op het eiland, beloofden een deel van hun oogst af te dragen en de rest uitsluitend aan de VOC te verkopen voor een vaste prijs. In ruil hiervoor zegden de Nederlanders de Lontorezen toe dat ze persoonlijke vrijheid, autonomie en het recht om de islam te blijven belijden zouden krijgen.[21][2][17]

Hervatting vijandelijkheden[bewerken | brontekst bewerken]

Terwijl de orang kaya en de VOC vrede sloten, vluchtten de meeste eilanders naar de heuvels en begonnen schermutselingen met de Nederlanders uit te voeren. Coen reageerde hierop door dorpen plat te branden en de inwoners te dwingen om voor de VOC te werken.[21]

Op 21 april dwongen de Nederlanders door middel van marteling de orang kaya om bekentenissen af te leggen dat zij hadden samengezworen tegen de Nederlanders.[22] Coen wist tenminste 789 orang kaya en hun familieleden te gevangen te nemen en liet hen naar Batavia deporteren, waar sommigen slaaf werden gemaakt.[3][2] Op grond van de beschuldigingen dat zij verdragen hadden geschonden en een samenzwering hadden gesmeed, werden 24 orang kaya ter dood veroordeeld en op 8 mei door Japanse huurlingen onthoofd.[17] De executies slaagden er echter niet in om het inheemse verzet te smoren,[17] dus Coen beval zijn troepen om het eiland schoon te vegen en alle dorpen te verwoesten om de bevolking tot overgave te dwingen.[3] De daaropvolgende maanden waren de Nederlanders en Lontorezen in een verwoede strijd verwikkeld. Vele inheemsen die de verwoesting door de Nederlanders zagen, besloten liever te sterven van de honger of door van de rotsen te springen dan zich over te geven.[2]

Slachtoffers[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Coen stierven er "ongeveer 2500" inwoners "door honger en ellende of het zwaard", "een goed stel vrouwen en kinderen" werden gevangengenomen en hooguit 300 wisten te ontsnappen.[3] Straver (2018) concludeerde dat de Lontorese bevolking ongeveer 4500 à 5000 mensen zou hebben geteld, waarvan er 50 tot 100 tijdens de gevechten sneuvelden, 1700 werden slaafgemaakt en 2500 omkwamen door honger en ziekte, terwijl een onbekend aantal inheemsen vanaf de rotsen hun dood tegemoet sprong; enkele honderden ontsnapten naar naburige eilanden zoals de Kei-eilanden en Oost-Seram, hun regionale handelspartners, die de overlevenden verwelkomden.[17]

Nasleep[bewerken | brontekst bewerken]

Fragment van een VOC-kaart uit 1753, met opmerking in het Frans: 'Het is op deze Eilanden dat de Nootmuskaat groeit.'

Na de militaire campagne beheersten de Nederlanders de Banda-eilanden vrijwel volledig. De Engelsen hadden het eiland Run verlaten en waren slechts af en toe aanwezig op Nailaka. Door het ondertekenen van de Vrede van Breda (1667) gaven de Engelsen formeel hun aanspraken op de eilanden op.[14]

De eilanden waren zwaar ontvolkt als gevolg van de campagne. Loth (1995) en Corn (1998) schatten dat de gehele populatie van alle Banda-eilanden voorafgaan aan de verovering rond de 15.000 zou zijn geweest, van wie er slechts 1000 de oorlog van 1609–1621 hadden overleefd, inclusief degenen die in de eerder door de Engelsen beheerste eilanden Ai en Run hadden gewoond of daarheen waren gevlucht.[3][2] Lape (2000) schatte dat tijdens de campagne 90 procent van de bevolking was gedood, tot slaaf gemaakt of gedeporteerd.[23]

Om de archipel productief te houden, herbevolkte de VOC de eilanden, voornamelijk met slaven uit de rest van hedendaags Indonesië, India en de Chinese kust; zij werkten onder het gezag van Nederlandse plantagehouders, de zogeheten perkeniers.[24] De oorspronkelijke inheemsen werden ook tot slaaf gemaakt en gedwongen om de nieuwkomers te leren hoe de nootmuskaat- en foelieproductie werkte.[25] De omstandigheden voor de slaven waren zwaar — de inheemse Bandanese bevolking nam af tot honderd in 1681 en daarom werden er jaarlijks 200 slaven ingevoerd om de slavenpopulatie op het peil van 4000 te houden.[25]

Hoewel de VOC de kerstening van de slaven niet als prioriteit zag, dwong zij wel alle Europeanen op de Banda-eilanden te bekeren tot haar officiële religie, de Nederduitse Gereformeerde Kerk, een vorm van het calvinistische christendom. Het katholicisme, dat in de 16e eeuw door Portugese Jezuïeten naar de eilandengroep was gebracht, werd verboden en uitgeroeid. De slavenpopulatie, die bestond uit overlevende inheemsen en geïmporteerde slaven, mochten nog steeds de islam of animistische religies belijden, maar werden ook aangemoedigd en soms gedwongen om zich te bekeren tot de protestantse kerk van de Compagnie.[26]

De slachting van de Banda-eilanden door de Verenigde Oostindische Compagnie voedde onder Aziaten de opvatting dat de Europeanen naar Azië waren gekomen als veroveraars.[27]