Vaccinatieprogramma

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vaccinatie tegen polio in India
Vaccin tegen pokken

Een vaccinatieprogramma geeft een schema waarmee een overheid een aantal als essentieel beoordeelde vaccinaties aanbeveelt of verplicht stelt.

Nederland[bewerken]

In Nederland worden kinderen gevaccineerd volgens het Rijksvaccinatieprogramma, dat is ingesteld in 1957. Het programma wordt gecoördineerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Deelname aan de vaccinatie is niet verplicht, maar meer dan 95% van de ouders laat hun kind inenten. De vaccinaties zijn voor de ouders gratis en worden gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Voorwaarde voor deelname is dat de officiële vaccinaties zijn toegediend door de jeugdgezondheidszorg. Dit kan het consultatiebureau, het Centrum voor Jeugd en Gezin of de GGD zijn.[1]

In Nederland kunnen kinderen de volgende inentingen krijgen:[2]

Fase Leeftijd Prik 1 Prik 2
Fase 1 6 - 9 weken DKTP-Hib-HepB Pneu
3 maanden DKTP-Hib-HepB
4 maanden DKTP-Hib-HepB Pneu
11 maanden DKTP-Hib-HepB
14 maanden BMR MenACWY
Fase 2 4 jaar DKTP
Fase 3 9 jaar DTP
Fase 4 meisjes 12 jaar HPV HPV
DKTP = vaccin tegen Difterie, Kinkhoest, Tetanus en Poliomyelitis
Hib = vaccin tegen Haemophilus influenzae type B
HepB = vaccin tegen Hepatitis B
BMR = vaccin tegen Bof, Mazelen, en Rodehond
MenACWY = vaccin tegen Meningokokken type A, C, W en Y. Het vaccin tegen type C is in het vaccinatieprogramma opgenomen sinds 2002. Op 1 mei 2018 werd de vaccinatie uitgebreid tot type A, C, W en Y.[3]
aK= Acellulair kinkhoestvaccin
Pneu = vaccin tegen Pneumokokken
HPV = vaccin tegen Humaan papillomavirus De tweede vaccinatie wordt standaard 6 maanden na de eerste gegeven.

Vlaanderen[bewerken]

In Vlaanderen nemen de consultatiebureaus van Kind en Gezin en daarna het CLB de verantwoordelijkheid voor het opvolgen van de vaccinatiestatus van de kinderen. De inenting tegen polio is verplicht.

Fase Leeftijd Injectie 1 Injectie 2
Fase 1 2 maanden DKTP-Hib-HepB Pneu en rotavirus
3 maanden DKTP-Hib-HepB rotavirus
4 maanden DKTP-Hib-HepB Pneu (en rotavirus)
12 maanden MBR Pneu
15 maanden DKTP-Hib-HepB Men C
Fase 2 5-7 jaar DKTP
Fase 3 10-13 jaar MBR HepB (indien niet in fase 1)
Fase 4 14-16 jaar tetanus-difterie

Uitzonderingen[bewerken]

Bij kinderen die veel te vroeg (prematuur) geboren werden, en bij kinderen die zeer ernstig ziek zijn of een stoornis van het afweersysteem hebben, is het soms verstandiger om niet of later te vaccineren. Aangezien deze kinderen altijd door één of meerdere artsen behandeld worden, kunnen ouders deze artsen advies vragen over eventuele wijzigingen in het vaccinatieschema.

Onderbouwing[bewerken]

Van al de vaccinaties die in het programma zijn opgenomen is door middel van harde cijfers aangetoond dat ze de kans op de ziekte waar ze tegen bedoeld zijn sterk verkleinen of het beloop veel milder maken, en dat de risico's van de inenting kleiner zijn dan de risico's van de ziekte. Dat wil niet zeggen dat de vaccins allemaal altijd volstrekt ongevaarlijk zijn. Wel dat een persoon die zich laat vaccineren minder risico's loopt dan een ongevaccineerde persoon. Bij zeer ernstige ziekten (bijvoorbeeld hondsdolheid) zal men meer bijwerkingen van een vaccin accepteren dan bij vaccins tegen ziekten die nagenoeg altijd onschuldig verlopen.

Sommige kinderziektes waarvoor ingeënt wordt in het vaccinatieprogramma, lijken erg onschuldig te zijn. De meeste personen die deze ziektes oplopen, zullen van deze ziektes enige dagen ziek zijn en vervolgens volledig herstellen. De reden dat deze ziektes opgenomen zijn in het vaccinatieprogramma, is dat zij in sommige gevallen wél (zeer) ernstige verschijnselen kunnen veroorzaken. Ook zijn sommige kinderziektes met name gevaarlijk voor volwassenen, die op jonge leeftijd deze ziekte niet doorgemaakt hebben en die dan op latere leeftijd door contact met een ziek kind ernstig ziek kunnen worden.

Enige voorbeelden:

  • De bof. Bij jonge kinderen veroorzaakt bijvoorbeeld de bof meestal niet meer dan opgezette keelklieren, een bol gezicht en een paar dagen hangerigheid. Soms kan deze ziekte echter leiden tot ontstekingen van de alvleesklier, reuma, eenzijdige doofheid of ontsteking van de teelballen of eierstokken, waarbij onvruchtbaarheid het gevolg kan zijn. Bij 4 tot 10 van de 1000 bof-patiënten leidt de ziekte tot hersenvliesontsteking, die meestal wel goed geneest.
  • Poliomyelitis is een ziekte die in sommige gevallen ernstige verlammingen kan veroorzaken (bij minder dan 1% van de besmette personen).
  • Rodehond kan bij een zwangere vrouw de foetus infecteren, met het aangeboren (congenitaal) rubellasyndroom (CRS) tot gevolg.
  • HPV-virus. Wanneer een (jonge) vrouw besmet is geraakt met het HPV-virus kan zij op de lange termijn baarmoederhalskanker ontwikkelen. Dit duurt gemiddeld 15 tot 20 jaar. Door gevaccineerd te zijn tegen HPV, voorkom je de infectie met de twee belangrijkste oncogene HPV types en waardoor er op de lange termijn mogelijk een verminderde kans bestaat op baarmoederhalskanker.

Bijwerkingen[bewerken]

Milde bijwerkingen, zoals lokale roodheid en (spier)pijn ter plekke van de vaccinatie en koorts, huilerigheid of hangerigheid de dag na de vaccinatie treden in misschien wel de helft van de vaccinaties op. Slechts zelden treden vlak na de vaccinatie ernstige verschijnselen op, waarbij het ingrijpen van een arts noodzakelijk is. In Nederland worden jaarlijks zo'n 2 miljoen vaccinaties gegeven in het kader van het rijksvaccinatieprogramma[4], waarbij er in 2017 1383 spontane meldingen waren bij Bijwerkingencentrum Lareb van vermoede bijwerkingen na een vaccinatie. Omgerekend gaat het dan om 0,07% ofwel 7 van de 10.000 vaccinaties. Van de 1383 meldingen waren er 92 (6,7%) geduid als 'ernstig', waarvan vijf 'levensbedreigende situaties'. Van de meeste gemelde bijwerkingen die tot een levensbedreigende situatie en/of ziekenhuisopname hebben geleid, is bekend dat ze bij deze vaccins kunnen optreden. Zowel de bekende als de onbekende gemelde bijwerkingen gaven echter geen aanleiding tot een signalering. [5]

Sinds 1 januari 2011 verzorgt Lareb de veiligheidsbewaking van de vaccinaties. Daarvoor deed het RIVM dit.

Vaccinatieweigeraars[bewerken]

Principiële bezwaren tegen vaccinatie bestaan bij voornamelijk drie groepen in de bevolking: antroposofen, bevindelijk gereformeerden en 'kritische prikkers'.[6] Volgens het RIVM bevindt de grootste groep gewetensbezwaarden in Nederland zich in antroposofische kringen.[7] Zij zijn van mening dat gezonde voeding voldoende bescherming geeft tegen kinderziektes zoals de mazelen en dat de kinderziektes positieve effecten hebben op de lichamelijke en mentale ontwikkeling van een kind[8] Ook onder bevindelijk gereformeerden bevinden zich vaccinatieweigeraars. Door hen wordt vaccineren beschouwd als verzet tegen Gods voorzienigheid: God bepaalt of de mens ziek wordt en of die daarvan herstelt, en Hij heeft daar Zijn bedoeling mee.[9] Deze overtuiging kan vanuit de Heidelbergse Catechismus worden gestaafd met onder andere zondag 10, vraag en antwoord 27.

In principe krijgt een kleine groep kinderen complicaties bij een kinderziekte. Dit kan zijn omdat zij een slechte gezondheid hebben en op het moment van ziek worden minder weerbaar zijn, maar vaak wordt het toegeschreven aan toeval of pech.

Sommige tegenstanders van vaccinatie denken dat er verband bestaat tussen vaccinatie en ziekten als autisme, multipele sclerose, diabetes mellitus en astma. Hoewel hier veel onderzoek naar gedaan is, is een relatie tussen vaccinatie en zulke ziekten nooit aangetoond.

Er zijn ook ouders die ervoor kiezen om de vaccinaties uit te stellen en hun kind bijvoorbeeld pas na de eerste verjaardag de eerste vaccinatie te geven, omdat deze ouders de overtuiging aanhangen dat het immuunsysteem van hun baby voor die tijd nog onvoldoende volgroeid is om in één keer een cocktail van ten minste vier verschillende vaccins (DKTP) adequaat te kunnen verwerken. Wetenschappelijk is echter aangetoond[bron?] dat bij gevaccineerde baby's afweerstoffen tegen deze vier ziekten aanwezig zijn, en dat zij ook veel minder vaak deze ziektes krijgen dan niet-gevaccineerde baby's. Een baby van deze leeftijd lijkt dus prima in staat om deze afweerstoffen te maken. Het gevaar van uitstel van vaccinaties is dat het kind tijdens de uitstelperiode geen bescherming heeft tegen deze vier ziekten en volledig vatbaar is, terwijl voor kinkhoest juist geldt dat het bij jonge baby's tot ernstige ademhalingsproblemen kan leiden.

Ook zijn er ouders die hun kind wel aan het Rijksvaccinatieprogramma deel laten nemen, maar die bepaalde vaccinaties weigeren. Vaak gaat het dan om vaccinaties tegen bof, mazelen en rodehond (bmr-vaccin), die door deze ouders als vrij ongevaarlijke kinderziektes worden beschouwd. Ziektes als de bof, mazelen en de rodehond kunnen (zoals hierboven vermeld) in bepaalde gevallen echter wél ziektes veroorzaken die nog op lange termijn gevolgen kunnen hebben. Ook over de vaccinatie tegen kinkhoest bestaat discussie, omdat inenting hiertegen niet volledig beschermt: bij ingeënte personen heeft de ziekte een milder verloop.

De Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken trekt het nut en de veiligheid van vaccinaties – in het kader van vaccinatieprogramma – herhaaldelijk in twijfel op basis van (met name) argumenten die niet wetenschappelijk zijn onderbouwd. Op hun website[10] worden bijvoorbeeld vaak natuurgeneeskundige medicijnen als alternatief voor vaccinaties aangeprezen zonder wetenschappelijk bewijs.

In 2018 liet 45,5% van de opgeroepen 14-jarige meisjes zich vaccineren tegen baarmoederhalskanker. In 2015 was dit 61%. De groep die zich niet laat inenten bestaat hier uit mensen van alle opleidingen en achtergronden. Om de vaccinatiegraad te verhogen schakelt het RIVM biologieleraren in om voorlichting te geven.[11]

Kudde-immuniteit[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Kudde-immuniteit

De vaccinatie van kinderen via een rijksvaccinatieprogramma moet er niet alleen voor zorgen, dat het kind zelf beschermd is tegen bepaalde ziekten, maar ook dat er kudde-immuniteit ontstaat. Bij een voldoende hoge vaccinatiegraad van de bevolking (een hoog percentage van de bevolking is via vaccinatie beschermd) treedt deze 'kudde-immuniteit' op (Engels: herd immunity), waarbij één ziektegeval niet tot een epidemie kan leiden, omdat er niet genoeg vatbare mensen in de omgeving voorkomen om de ziekte verder te verspreiden.

Wanneer te veel mensen vaccinatie weigeren kan de kudde-immuniteit aangetast worden. Er blijven dan te veel kwetsbare personen in de populatie bestaan waardoor epidemieën meer kans hebben. Hierbij kunnen ook mensen die wél gevaccineerd zijn maar bij wie dit niet tot een voldoende afweerreactie heeft geleid (vaak een paar procent) ziek worden.

Vooral wanneer een groep niet-gevaccineerden dicht bij elkaar woont, ontstaan grotere groepen vatbare mensen waarbinnen vervolgens verspreiding van een infectieziekte kan voorkomen, vooral wanneer de kinderen naar dezelfde regionale scholen gaan. In Nederland wordt dit voor een aantal infectieziekten gezien in een gebied dat wel met de naam Bijbelgordel ('Biblebelt') wordt aangeduid. De Bijbelgordel loopt in een lijn van Oost-Groningen naar Zeeland. In dit gebied wonen relatief veel bevindelijk gereformeerde christenen, van wie een deel hun kinderen om religieuze redenen niet laat vaccineren. In de laatste jaren zijn in dit gebied plaatselijk epidemieën geweest van mazelen en rodehond. In 1978 en in 1992 waren er twee epidemieën van kinderverlamming (polio).

Ontwikkelingen van 2007[bewerken]

Anno 2007 worden er 23 kandidaat-vaccins bekeken om eventueel op te nemen in het Nederlandse Rijksvaccinatieprogramma. Hiervan lijken er 15 voorlopig geschikt. De doelgroepen breiden zich uit naar adolescenten en ouderen. Genoemde vaccins beschermen tegen RSV (Respiratoir Syncytieel Virus), Rotavirus, HPV (Humaan Papillomavirus), Groep B Hemolytische Streptokokken en VZV (Varicella Zostervirus, veroorzaker van waterpokken en gordelroos). In Nederland is besloten om vanaf september 2009 meisjes op 12-jarige leeftijd te vaccineren tegen humaan papillomavirus type 16 en 18, om daarmee te proberen een groot deel van de sterfte aan baarmoederhalskanker tegen te gaan. Deze vaccinatiecampagne is uitgesteld in verband met pandemie Mexicaanse griep. Het uitstel is tot voorjaar 2010. Ook werd besloten om in 2009 een 'inhaalcampagne' te organiseren voor meisjes die zijn geboren op of na 1 januari 1993 t/m 31 december 1996. De opkomst viel tegen na onrust onder de bevolking. Er werd in de populaire pers maar ook in de wetenschappelijke literatuur getwijfeld aan de vaccinatie en over de beoordeling die de Gezondheidsraad heeft gemaakt.[12]

In België wordt gevaccineerd tegen rotavirus. De Nederlandse Gezondheidsraad vond het in 2017 niet kosteneffectief om alle kinderen in te enten. Daarom adviseren zij in elk geval de kinderen met risicofactoren in te enten, te vroeg geboren kinderen of kinderen met een laag geboortegewicht.[13]

Vaccins buiten de gebruikelijke vaccinatieprogramma's[bewerken]

Bij een sterk verhoogde blootstellingskans binnen bepaalde groepen mensen kan het nuttig zijn tegen andere dan de genoemde ziektes te vaccineren, bijvoorbeeld medewerkers van dierenasiels en dierenartsen tegen hondsdolheid. Bepaalde risicogroepen worden gevaccineerd tegen tbc of tegen hepatitis B. Reizigers naar bepaalde landen kunnen reizigersvaccinaties nodig hebben. Mensen boven de 60 jaar en mensen uit risicogroepen kunnen voorts in Nederland jaarlijks gratis tegen griep worden gevaccineerd (de griepprik) als ze dit wensen. In Vlaanderen wordt vanwege de afnemende bescherming de griepprik bij ouderen en bij risicogroepen vaak tweemaal per jaar toegediend (in september zodra het vaccin beschikbaar is en in januari)[bron?].

Er is verder een aantal vaccins tegen hier nog niet genoemde ziekten beschikbaar, maar die

  1. komen in het land zelf niet of nauwelijks voor
  2. of zijn onvoldoende werkzaam
  3. of zijn onvoldoende kosteneffectief om voor massavaccinatie in aanmerking te komen.

Een andere reden waarom sommige vaccins in België en Nederland niet beschikbaar zijn: voor Nederland moeten ze een apart veiligheidsprogramma doorlopen, wat vanwege de relatief kleine afzetmarkt niet aantrekkelijk is voor de fabrikanten. Dit is bijvoorbeeld het geval met het waterpokkenvaccin. Zulke vaccins zijn meestal wel op aanvraag bij een (huis)arts te krijgen. Er wordt geprobeerd deze situatie te voorkomen door Europese certificaten te maken.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]