Vaccinatieweigering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Aandeel dat het ermee eens is dat vaccins belangrijk zijn voor kinderen om te krijgen (2018)

Vaccinatieweigering is het door ouders weigeren van inenting bij hun kinderen via een vaccinatieprogramma vanwege principiële bezwaren. Bezwaren tegen vaccinatie bestaan in Nederland bij voornamelijk drie groepen in de bevolking: antroposofen, bevindelijk gereformeerden en kritische prikkers.[1]

Groeperingen[bewerken | brontekst bewerken]

Antroposofen[bewerken | brontekst bewerken]

Antroposofen zijn van mening dat gezonde voeding voldoende bescherming geeft tegen kinderziektes zoals de mazelen en dat de kinderziekten positieve effecten hebben op de lichamelijke en mentale ontwikkeling van een kind.[2] Volgens het RIVM bevindt de grootste groep gewetensbezwaarden in Nederland zich in antroposofische kringen.[3]

Bevindelijk gereformeerden[bewerken | brontekst bewerken]

Door bevindelijk gereformeerden wordt vaccineren beschouwd als verzet tegen Gods voorzienigheid: God bepaalt of de mens ziek wordt en of die daarvan herstelt, en Hij heeft daar Zijn bedoeling mee. Dit idee is geenszins nieuw. Maria Aletta Hulshoff publiceerde al in 1827 een pamflet met de titel De koepok-inenting beschouwd, en tien bedenkingen overwogen: voor minkundigen[4] waarin ze tien tegenwerpingen tegen vaccinaties bestreed, waaronder in punten 9 en 10 het idee van de Goddelijke Voorzienigheid. Het percentage bevindelijk gereformeerden dat bezwaar maakt tegen vaccinatie neemt af. Men vindt de bezwaarden vooral onder leden van de (Oud) Gereformeerde Gemeenten in Nederland, twee kleinere kerkverbanden.[5] De vaccinatiegraad varieert van ruim 85% (Christelijk Gereformeerde Kerken, Bewaar en het Pand en de Gereformeerde Bond), 50-75 % in de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk en minder dan 25% in de eerder genoemde kleinere kerkverbanden.[6]

Kritische prikkers[bewerken | brontekst bewerken]

Sommige tegenstanders van vaccinatie denken dat er verband bestaat tussen vaccinatie en ziekten als autisme, multipele sclerose, diabetes mellitus en astma. Hoewel hier veel onderzoek naar gedaan is, is een relatie tussen vaccinatie en zulke ziekten nooit aangetoond. In principe krijgt een kleine groep kinderen complicaties bij een kinderziekte. Dit kan zijn omdat zij een slechte gezondheid hebben en op het moment van ziek worden minder weerbaar zijn, maar vaak wordt het toegeschreven aan toeval of pech.

De Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken trekt het nut en de veiligheid van vaccinaties – in het kader van vaccinatieprogramma – herhaaldelijk in twijfel op basis van (met name) argumenten die niet wetenschappelijk zijn onderbouwd. De stichting prijst op hun website bijvoorbeeld vaak natuurgeneeskundige medicijnen als alternatief voor vaccinaties aan, dit zonder wetenschappelijk bewijs.

De anti-vaxxers zijn tegen inenten op basis van hun ideeën over zelfbeschikking en willen niet worden beknot in hun vrijheid.[7]

Ook in de Verenigde Staten bestaan tegenstanders van vaccinatie. De Amerikaanse hoogleraar Dorit Rubinstein Reiss ageert daartegen, omdat zij de wetenschappelijke argumenten pro-vaccinatie overtuigend vindt, en omdat zij zich zorgen maakte over haar pasgeboren zoon, tijdens een uitbraak van kinkhoest. Reiss betoogt dat mensen die besluiten hun kinderen niet in te inten, aansprakelijk zijn als hun kind ziek wordt en een andere persoon besmet.

In de populair-wetenschappelijke nieuwssite scientias.nl beargumenteert Anouk Schuren in haar artikel Vaccineren: levensgevaarlijk of levensreddend?[8] dat de meeste argumenten tegen vaccineren emotioneel van aard zijn.

Vormen[bewerken | brontekst bewerken]

Uitgestelde vaccinatie[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn ouders die ervoor kiezen om de vaccinaties uit te stellen en hun kind bijvoorbeeld pas na de eerste verjaardag de eerste vaccinatie te geven, omdat deze ouders de overtuiging aanhangen dat het immuunsysteem van hun baby voor die tijd nog onvoldoende volgroeid is om in één keer een cocktail van ten minste vier verschillende vaccins (DKTP) adequaat te kunnen verwerken. Wetenschappelijk is echter aangetoond[bron?] dat bij gevaccineerde baby's afweerstoffen tegen deze vier ziekten aanwezig zijn, en dat zij ook veel minder vaak deze ziektes krijgen dan niet-gevaccineerde baby's. Een baby van deze leeftijd lijkt dus prima in staat om deze afweerstoffen te maken. Het gevaar van uitstel van vaccinaties is dat het kind tijdens de uitstelperiode geen bescherming heeft tegen deze vier ziekten en volledig vatbaar is, terwijl voor kinkhoest juist geldt dat het bij jonge baby's tot ernstige ademhalingsproblemen kan leiden.

Afwijkende vaccinatie[bewerken | brontekst bewerken]

Ook zijn er ouders die hun kind wel aan het Rijksvaccinatieprogramma deel laten nemen, maar die bepaalde vaccinaties weigeren. Vaak gaat het dan om vaccinaties tegen bof, mazelen en rodehond (bmr-vaccin), die door deze ouders als vrij ongevaarlijke kinderziektes worden beschouwd.[9][10][11] Ziektes als de bof, mazelen en de rodehond kunnen (zoals hierboven vermeld) in bepaalde gevallen echter wél ziektes veroorzaken die nog op lange termijn gevolgen kunnen hebben. Ook over de vaccinatie tegen kinkhoest bestaat discussie, omdat inenting hiertegen niet volledig beschermt: bij ingeënte personen heeft de ziekte een milder verloop.

In 2018 liet 45,5% van de opgeroepen 14-jarige meisjes zich vaccineren tegen baarmoederhalskanker. In 2015 was dit 61%. De groep die zich niet laat inenten bestaat hier uit mensen van alle opleidingen en achtergronden. Om de vaccinatiegraad te verhogen schakelt het RIVM biologieleraren in om voorlichting te geven.[12]

Groepsimmuniteit[bewerken | brontekst bewerken]

Niet-gevaccineerden worden deels beschermd door groepsimmuniteit. Doordat anderen wel gevaccineerd zijn, heeft een uitbraak minder kans zich te verspreiden. Een enkele keer komen er toch uitbraken voor, met name in gebieden waar de concentratie niet-gevaccineerden hoog is. Voorbeelden hiervan binnen Nederland zijn de polio-epidemie van 1978 op de Veluwe, de uitbraak van bof tussen 2009 en 2012 en de uitbraak van mazelen in 2013-2014.[13][14] Voor de mazelen, de besmettelijkste kinderziekte, moet volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) 95% van alle kinderen ingeënt zijn, wil de groep als geheel bescherming genieten. Ook voor andere besmettelijke ziektes geldt een ondergrens voor groepsimmuniteit.[15]

Onderzoek en opinievorming[bewerken | brontekst bewerken]

Onderzoek naar attitudes rond vaccinatieweigering, en initiatieven om wetenschappelijk onderbouwde informatie hieromtrent te verstrekken, worden binnen de Wereldgezondheidsorganisatie gecoördineerd door het Vaccin Safety Net (VSN), een wereldwijd netwerk van websites die het publiek willen helpen de kwaliteit van online-informatie over vaccinveiligheid te beoordelen.

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]