Val van Srebrenica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Val van Srebrenica
De locatie van Srebrenica
De locatie van Srebrenica
Plaats Srebrenica
Coördinaten 44° 6′ NB, 19° 18′ OL
Datum 11 juli 1995 - 13 juli 1995
Doelwit Bosniakse mannen en jongens
Doden 8373[1]
Dader(s) Servische leger
Schorpioenen

De val van Srebrenica op 11 juli 1995 was de inname van de Bosnische stad Srebrenica en de daaropvolgende deportatie en genocide van meer dan 7000[1][2][3] moslimjongens en -mannen, die formeel onder bescherming stonden van een VN-bataljon bestaande uit Nederlandse militairen.[4] Het exacte aantal slachtoffers is nooit vast komen te staan.[5] Het NIOD ging in 2002 nog van ongeveer 7.000 doden uit[6], maar het Bosnische herdenkingscentrum heeft tot aan 2009 8373 slachtoffers geteld.[1] Tot juli 2012 zijn van deze slachtoffers 6.838 geïdentificeerd.[3]

Na het uiteenvallen van Joegoslavië en de burgeroorlog die daarop volgde werd de stad, evenals Tuzla, Sarajevo, Goražde en Žepa, door de Verenigde Naties tot veilige enclave voor moslims verklaard, binnen een door Bosnische Serviërs beheerst gebied. Voor de veiligheid van de ruim 30.000 inwoners van de enclave werd gezorgd door de aanwezigheid van een internationale vredesmacht onder de vlag van de Verenigde Naties. In 1993 werd Srebrenica door Servische eenheden dusdanig bedreigd dat de stad door de Verenigde Naties werd uitgeroepen tot de eerste “safe area” in het Bosnische conflict.

Op 11 juli 1995, toen ruim 600 Nederlandse UNPROFOR-militairen (achtereenvolgens de bataljons 'Dutchbat I, II en III') in Tuzla en Srebrenica hun humanitaire werk deden, drongen Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić met hulp van tanks de stad binnen en deporteerden en vermoordden een groot deel van de daar aanwezige moslimmannen en -jongens. Het wordt gezien als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Kaart van het strijdverloop van de val van Srebrenica

Toen Dutchbat de veiligheidstaken in de twee enclaves overnam van de Canadezen was het Bosnische gebied rond Srebrenica al drastisch gekrompen. Bosnische eenheden hadden zich rond de stad ingegraven. Daarvoor verlieten groepen bewoners onder leiding van gewapende mannen nu en dan de enclave om voedsel te vinden in de omringende Servische dorpen. Aangezien de Servische burgers hun voedsel - dat voor deze burgers evenzeer van levensbelang was - vaak met hun leven beschermden en beide groepen bovendien doodsbang waren voor elkaar, hadden ontmoetingen tussen Bosnische en Servische burgers op deze voedseltochten vaak een dodelijke afloop. Vele Servische dorpen in de wijde omgeving van de enclave zijn hierbij in brand gestoken en totaal vernietigd met vele slachtoffers aan Servische kant. Deze plundertochten werden veelal uitgevoerd onder leiding van Naser Oric, de algemene militaire commandant van de moslims in Srebrenica. De afspraak met de Bosnische leiding was dat de enclave gedemilitariseerd zou worden, dat was een voorwaarde van de VN, echter op bevel van de Bosnische president Alija Izetbegović werden alleen de grootste en defecte wapens ingeleverd. De moslimtroepen binnen de enclave voerden regelmatig aanvallen uit op omliggende Servische posten opzettelijk vanaf posities vlakbij de waarnemingsposten van de VN.

Voortvloeiende uit het zwakke mandaat van de VN, dat voorzag in waarneming in een enclave waarvan de grenzen niet afgebakend werden, had Dutchbat slechts lichte wapens ter verdediging van de bewoners van de enclaves die het bataljon geacht werd te beschermen. Naar algemeen oordeel waren de wapens van Dutchbat te licht voor een effectieve verdediging. De visie van de VN was echter dat alleen al de aanwezigheid van Dutchbat de Serviërs ervan zou weerhouden de enclave aan te vallen: "to deter by presence". Een andere handicap was de slechte communicatie tussen de hoofdkwartieren van Srebrenica, Tuzla, Sarajevo, Den Haag en het VN-hoofdkwartier in Zagreb.

Gevechten voor de val van Srebrenica[bewerken]

Op 29 maart werd een observatiepost getroffen door een mortiergranaat, waarbij soldaat der Eerste Klasse Jeffrey Broere zwaargewond werd. Een pantservoertuig bracht hem naar het ziekenhuis in Tuzla, waar zijn dood werd vastgesteld.[7]

Op 3 juni werd een pantservoertuig getroffen door een antitankraket, waardoor sergeant der Eerste Klasse Van Wesel en soldaat der Eerste Klasse Looman zwaargewond raakten.[7]

De val van Srebrenica[bewerken]

Toen de Serviërs Srebrenica naderden sloeg overste Thom Karremans alarm. Hij vroeg viermaal om luchtsteun, op 6 en 8 juli 1995, en tweemaal op 11 juli. De eerste twee keer weigerde brigadegeneraal C.H. Nicolai vanuit Sarajevo Janviers' verzoek aan het VN-hoofdkwartier in Zagreb door te geven, omdat de aanvragen niet voldeden aan de gemaakte afspraken omtrent het aanvragen van luchtsteun (op dat moment waren er nog geen directe gevechtshandelingen.)

Op 8 juli werd in de buurt van een observatiepost gevochten tussen Servische en moslimstrijders. De post kwam in de vuurlinie te liggen, toen een Servisch pantservoertuig door de moslim-linies brak. De militairen van Dutchbat kregen tien minuten de tijd om de post te verlaten, die daarop door de Serviërs werd overgenomen. Zij stuitten bij hun vertrek op een barricade van moslimstrijders, die merkten dat door de overname van de observatiepost de Serviërs gebiedswinst boekten. De Dutchbatters reden met hun pantservoertuig door de barricade. De Nederlandse soldaat Raviv van Renssen verloor daarbij het leven door een handgranaat, die vanuit de barricade op het voertuig werd geworpen.[8]

Op 11 juli, toen Servische tanks de stad al waren binnengedrongen, speelde generaal Nicolaï Karremans' aanvraag voor luchtsteun door aan Janvier, die zou hebben geweigerd. De tweede aanvraag op 11 juli werd wel gehonoreerd. De vliegtuigen (F-16's), die in afwachting van een inzetbevel al uren rondcirkelden, waren ondertussen door Nicolaï gesommeerd terug te gaan naar hun basis in Italië om bij te tanken.

Begrafenis van 505 geïdentificeerde slachtoffers in Potočari, 11 juli 2006

Uiteindelijk hebben twee Nederlandse F-16's om 14.40uur een luchtaanval op een tank uitgevoerd, vrijwel zonder strategisch effect. De leiding berustte bij eerste luitenant Manja Blok. Haar vliegtuig wierp desgevraagd twee bommen af op een Servische tank. [9][10] Een groep Amerikaanse jachtbommenwerpers kon zijn doel echter niet vinden en moest terugkeren naar de basis. De enclave was toen reeds onder de voet gelopen en de luchtaanval werd op bevel van de VN en na sterk aandringen van minister Voorhoeve afgebroken, omdat Servische militairen dreigden Dutchbatters te doden. De Nederlandse militairen en duizenden inwoners waren intussen naar het nabijgelegen Potočari gevlucht, de VN-basis waar Dutchbat was gelegerd.

Op 13 juli werden de jongens en mannen die bij Dutchbat in Potočari met hun families veiligheid zochten door zwaarbewapende Servische soldaten onder regie van Ratko Mladić gescheiden van de vrouwen en kinderen. Bij die operatie assisteerde Dutchbat om een en ander ordelijk te doen verlopen. Mladić beloofde dat de jongens en mannen slechts geëvacueerd zouden worden, alle gedeporteerden bleken later echter vermoord of vermist. Hierbij waren zowel Mladić's soldaten als paramilitairen van de groep de Schorpioenen betrokken.

Dutchbat werd aansluitend teruggetrokken op één compagnie na, de Alfacompagnie van 42 Bataljon Limburgse Jagers. Zij behoorde tot het oorspronkelijke Dutchbat 4; de eenheid bleef in Shimin Han tot november 95. De feestelijke ontvangst in Zagreb van de Nederlandse militairen door minister Voorhoeve veroorzaakte commotie: hossende en bierdrinkende Dutchbatters in Zagreb die in het NOS Journaal te zien waren tijdens het verdwijnen van de geëvacueerde moslims in Srebrenica hebben de indruk van onverschillige soldaten gewekt. Volgens het NIOD-rapport ging het echter slechts om enkele feestvierders.

In 2002 waren nog maar ruim zestig van de lichamen teruggevonden. Anno 2005 zijn meer dan 1500 lichamen geïdentificeerd. Door internationale inspanning tracht men de gevonden lijken te identificeren voor de nabestaanden. Deze hebben zich sinds 1995 verenigd in de 'Campagne voor Waarheid en Gerechtigheid'.

Nasleep[bewerken]

Onderzoek naar de toedracht[bewerken]

Tijdens een geheim beraad tussen Nederlandse topambtenaren van het ministerie van Defensie en de krijgsmachttop, drie maanden later, werden de verantwoordelijke officieren en veel Dutchbatters gehoord. Het verslag van deze besprekingen is bijna een halfjaar daarna uitgelekt.

In november 1996 heeft de Nederlandse regering, met instemming van de Tweede Kamer, opdracht verleend aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) tot het verrichten van officieel historisch onderzoek inzake de gebeurtenissen vóór, tijdens en na de val van Srebrenica.

Hoewel de Fransen en de VN reeds eigen Srebrenicarapporten hadden uitgebracht, dateert het eerste officiële Nederlandse rapport uit 1998. Het werd geschreven in opdracht van de toen net nieuwe minister van Defensie, Frank de Grave en uitgevoerd onder leiding van prof. dr. Jos van Kemenade. Dat tussentijdse rapport bracht weinig verhelderende feiten aan het licht. Er zou geen sprake zijn van een 'doofpotcultuur' op Defensie.

Onderzoek naar verantwoordelijkheid[bewerken]

De vraag of en in hoeverre Nederlandse militairen verantwoordelijk zijn geweest voor dit drama is niet geheel opgehelderd. Het rapport-Van Kemenade gaf geen uitsluitsel. Ook het volumineuze NIOD-rapport[6] van april 2002 trok weinig harde conclusies. In dat rapport werd de schuld min of meer verdeeld over de politiek en de militaire top, maar werd Dutchbat zelf ontzien. De militaire top werd onder meer verweten feiten verdoezeld te hebben en de Nederlandse overheid werd onder meer verweten met de uitzending van de militairen een onverantwoorde beslissing te hebben genomen: slecht mandaat, slechte voorbereiding, slechte uitrusting.

Een probleem bij het achterhalen van de juiste toedracht werd in beide gevallen bemoeilijkt door weigering van de Serviërs aan de onderzoeken mee te werken. Sommige auteurs hebben wel geconcludeerd dat er onder de militairen van Dutchbat een uitgesproken anti-moslimstemming heerste. De leiding van Dutchbat zou volgens de Amerikaanse auteur David Rohde in zijn boek A Safe Area. Srebrenica: Europe's worst massacre since the Second World War zelfs pro-Servisch zijn geweest. Wetenschappelijk bewijs is daar echter niet voor geleverd.

Verantwoordelijke ministers in die periode waren de ministers van Defensie Relus ter Beek en zijn opvolger Joris Voorhoeve. Verantwoordelijke minister van Buitenlandse Zaken was Hans van Mierlo onder minister-president Wim Kok. Een bataljon van de 11 Luchtmobiele Brigade was in 1993 uitgezonden onder premierschap van Ruud Lubbers, toen Pieter Kooijmans minister van Buitenlandse Zaken was.

Verantwoordelijke VN-functionaris was de Franse luitenant-generaal Bernard Janvier.

Verantwoordelijke binnen de Nederlandse krijgsmacht: bevelhebber der landstrijdkrachten generaal Hans Couzy, plv. generaal Ad van Baal en de chef-staf van UNPROFOR in Sarajevo Cees Nicolaï. Overste Karremans werd lokaal verantwoordelijk voor de gehele enclave Srebrenica in de functie van commandant Dutchbat III te Potočari, plv. commandant van Dutchbat III was majoor Robert Franken eveneens in Potočari.

Onderzoek naar de juiste toedracht werd bemoeilijkt doordat de verklaringen van Nederlandse militairen, van VN-verantwoordelijken en van de Nederlandse overheid tegenstrijdig waren. Bovendien ging een fotorolletje waarop bewijzen van de massamoorden zouden kunnen staan, bij het ontwikkelen verloren. De toenmalige bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee Diederik Fabius speelde daarbij een rol[bron?].

Janja Beč-Neumann, gerenommeerd Servisch genocide-onderzoekster stelt dat Dutchbat door onder andere haar hulp bij het scheiden van de mannen en vrouwen en het opstellen van "Franken's lijst" met daarop 239 mannen die gered mochten worden - maar het niet werden[11] - gecollaboreerd heeft met de Bosnisch-Servische troepen[12].

Het NIOD-rapport en de gevolgen[bewerken]

Het definitieve onderzoeksrapport werd op woensdag 10 april 2002 in de Rolzaal in Den Haag aan het kabinet gepresenteerd en openbaar gemaakt door een van de onderzoeksleiders, NIOD-directeur Hans Blom. Het eindrapport bestaat uit een hoofdrapport van 3 delen - "Srebrenica, een 'veilig gebied' - Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van de safe area Srebrenica" en een aantal deelstudies, in totaal 6.600 bladzijden. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Loek Hermans, nam als vertegenwoordiger van het kabinet het eerste exemplaar in ontvangst.

Zowel minister de Grave als de minister van VROM, Jan Pronk, gaf binnen enkele dagen te kennen consequenties te trekken uit het rapport en te willen aftreden. Op dinsdag 16 april 2002 viel het gehele tweede kabinet-Kok als gevolg van de kabinetscrisis over het Srebrenica-drama. Bij monde van premier Wim Kok heeft de Nederlandse regering hiermee openlijk wel verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op zich genomen maar niet de schuld. Die moet volgens Kok in breder, internationaler verband gezocht worden, niet het minst bij de Serviërs. Op woensdag 17 april nam de bevelhebber van de landmacht, generaal van Baal, ontslag.

Het parlement ging vervolgens over tot het instellen van de parlementaire enquête naar de val van Srebrenica. De enquêtecommissie stond onder leiding van Bert Bakker (D66).

Politieke actie- en lobbygroeperingen als bijvoorbeeld het IKV, dat een eigen Srebrenica-onderzoek uitvoerde, dringen aan op openlijke excuses en praktische hulp van de Nederlandse regering aan de nabestaanden van 'Srebrenica'. Overigens heeft Nederland reeds enkele tientallen miljoenen guldens respectievelijk euro's hulp aan het gebied gegeven of toegezegd. Excuses zijn echter niet aangeboden.

In december 2006 kregen ongeveer 470 militairen die deel hadden uitgemaakt van Dutchbat III het Draaginsigne Dutchbat III "als symbool van erkenning voor de ongeveer 850 militairen die in moeilijke omstandigheden naar eer en geweten hebben gefunctioneerd en ten onrechte gedurende langere tijd in een negatief daglicht zijn gesteld", uitgereikt door (demissionair) defensieminister Henk Kamp. Het draaginsigne was bedoeld als een erkenning, niet als beloning, voor de militairen die sinds de val van de enclave zeer negatief in het nieuws kwamen. De toekenning van het insigne gaf desondanks aanleiding tot de kritiek, onder andere van nabestaanden van de slachtoffers en de nabestaanden van de vermoorde inwoners van Srebrenica. Nabestaanden van slachtoffers alsmede het IKV protesteerden; de Nederlandse ambassadeur in Sarajevo, Karel Vosskühler, werd zelfs ontboden bij de regering van Bosnië.

Aanklacht van de nabestaanden[bewerken]

Op 4 juni 2007 werden de Staat der Nederlanden en de Verenigde Naties namens de nabestaanden van de slachtoffers officieel aangeklaagd in een civiele procedure[13]. De nabestaanden verwijten de Nederlandse Staat onder meer het zenden van een niet op zijn taak berekend bataljon, het niet optreden tegen de Servische aanval, het niet beschermen van de burgerbevolking en het actief tegenwerken van luchtsteun. Het actief ingrijpen van de Nederlandse regering ter voorkoming van luchtsteun, zou de bedoeling hebben gehad de ongeveer dertig Nederlandse militairen te ontzien, die door de Servische milities waren gegijzeld. Hierdoor werd het mandaat echter ten onrechte dusdanig uitgelegd, dat het primair zou gaan de eigen militairen te beschermen, en aldus niet de burgerbevolking waarvoor dat mandaat nu juist was ingesteld. Ook zouden de Nederlanders de oorlogsmisdaden waarvan zij getuige waren geweest, niet aan de Verenigde Naties hebben gerapporteerd. Op 5 juli 2011 is de Nederlandse staat door het Gerechtshof in Den Haag aansprakelijk bevonden voor wat betreft drie van de slachtoffers.[14] Zij werden van de compound van Dutchbat III gestuurd en daarmee in feite aan de Bosnische Serviërs overgeleverd, waarvan de Nederlanders konden weten dat deze de mannen niet zouden sparen, aldus de rechtbank.

Opname in geschiedeniscanon[bewerken]

De val van Srebrenica is opgenomen in de Canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom.

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  1. a b c Alfabetische slachtofferlijst, laatste update 11 juli 2009. Bezocht op 16 april 2014.
  2. [http://www.bbc.co.uk/news/world-europe-18101028 Timeline: Siege of Srebrenica ], BBC.co.uk, 17 mei 2012.
  3. a b Over 7,000 Srebrenica Victims have now been recovered, International Commission on Missing Persons, 11 juli 2012.
  4. ICTY, vonnis in eerste aanleg tegen Krstić, p. 174
  5. NU.nl, Honderden 'slachtoffers' Srebrenica mogelijk nog in leven, 8 april 2010
  6. a b NIOD-rapport (2002) "Srebrenica en 'veilig' gebied; Reconstructie, achtergronden en analyses van de val van een Safe Area", op google-books
  7. a b http://dutchbat.luchtmobiel.nl/dutchbat/html/gnk.htm
  8. Peter Bootsma, Srebrenica, Het officiële NIOD-rapport samengevat. Boom, 2002
  9. http://www.veteranen-online.nl/vredesmissies/F16pilote.htm
  10. http://www.digibron.nl/search/detail/012dcf8761ea0b6d66e3e64f/jammer-dat-ze-geen-vent-is
  11. De Volkskrant, Zoekgeraakte lijst met Moslims uit Srebrenica terecht, 26 augustus 1995
  12. 'Nederland heeft in Srebrenica gecollaboreerd', Janja Bec-Neumann over de 'racisten en lafaards' van Dutchbat, De Groene Amsterdammer #43/2009, 21-10-2009
  13. Introductie van de zaak Srebrenica op www.vandiepen.com
  14. Uitspraak Rechtspraak.nl, bezocht 5 juli 2011
Belangrijkste gebeurtenissen Specifieke artikelen Deelnemers Personen

Oorlogen en conflicten

Achtergrond:

Consequenties:


Buitenlandse sleutelfiguren:

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1999

2001

Lokale staten:

Niet erkende staten en entiteiten:

Leger:

Militaire formaties en vrijwilligers:

Externe staten en entiteiten:

Politici:
Slovenië

Kroatië

Bosnië en Herzegovina

Servië

Kosovo

Macedonië

Montenegro

Top militaire commandanten:

Andere belangrijke commandanten: