Naar inhoud springen

Valkhofpalts

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

De Valkhofpalts was een van de paltsen die Karel de Grote verspreid over zijn rijk liet bouwen. Deze palts stond, volgens de overlevering, vanaf ca. 770 gedurende bijna drie eeuwen aan het latere Valkhof bij N[i]umaga (Nijmegen), dat destijds min of meer aan de rand van het Frankische Rijk lag.

De palts moet snel na Karel de Grote koningskroning in 768 te Noyon zijn gebouwd. In dezelfde periode verrezen ook de Akense koningspalts en de keizerpalts Ingelheim.[1]

De palts moet in 1047 definitief zijn verwoest. Op vrijwel dezelfde plek verrees ongeveer een eeuw later de Valkhofburcht, die in 1155 werd voltooid door keizer Frederik I Barbarossa. Deze burcht heeft daarna meer dan zes eeuwen bestaan.

Tegeltableau dat de bouw van het paleis uitbeeldt
Het Valkhof met de palts, zoals deze plek er omstreeks 800 uit zou kunnen hebben gezien (Cornelis Springer, 1862)

Het oudste bekende document waaruit men het bestaan van de palts afleidt is een oorkonde in de vorm van een giftbrief. Deze is gedateerd op 7 of 8 juni 777 en opgesteld door Karel de Grote zelf in een villa te N[i]umaga, wat wordt uitgelegd als Nijmegen.[2] Hierin schenkt hij onder meer enkele landgoederen aan de kerk van Utrecht (Traiectum). Inhoudelijk gaat de oorkonde over de gouw Flethite met daarin Villa Lisiduna, wat (het landgoed) Leusden zou moeten zijn, en vier "foreesten", ofwel bossen waar jachtrecht gold. Ook wordt de rivier Hemus genoemd, die wordt geïdentificeerd als de Eem.[3][4]

In de oorkonde staat verder dat deze is opgemaakt in Niumago palacio publico, wat een duidelijke aanwijzing lijkt dat het paleis toen net gebouwd was. Mogelijk werd de palts zelf (deels) gebouwd met de nog overgebleven Romeinse ruïnes als fundament.[5]:13 Het precieze bouwjaar is onbekend, noch bestaat er enige duidelijkheid over hoelang de bouw duurde. Het wordt voor goed mogelijk gehouden dat de palts nog niet helemaal was voltooid ten tijde van Karel de Grotes eigen overlijden, in 814. Als belangrijke aanwijzing voor dit laatste geldt een vermelding dat Gerward van Gendt in 828 te Nijmegen was, terwijl hij in diezelfde tijd bouwprojecten voor paleizen leidde.[6]:22[noten 1][6]:21-22.[7]

Een andere vroege vermelding van de palts is afkomstig van Karel de Grotes persoonlijke biograaf, Einhard. Hij schrijft in zijn Vita Karoli Magni:

[...] Inchoavit et palatia operis egregii, unum haud longe a Mogontiaco civitate, iuxta villam cui vocabulum Ingilenheim, alterum Noviomagi super Vahalem fluvium, qui Batavorum insulam a parte meridiana praeterfluit [...] (vertaling: "Hij bouwde ook twee prachtige paltsen, één die weliswaar niet zo groot is als die in de stad Mainz, maar wel net zoals in Ingelheim en de andere te Noviomagus [Nijmegen] aan de rivier de Vahalis [Waal], die aan de zuidelijke kant langs het eiland der Bataven stroomt [...]")[8][9]

De palts wordt ruim een eeuw later beschreven en geroemd door onder meer Regino van Prüm ("een geweldig groot en uitzonderlijk gebouw"), in diens kroniek uit 908. In 1080 wordt de palts opnieuw genoemd door Lambert van Hersfeld ("uitzonderlijk, zonder weerga").

Op de plek waar de palts werd gebouwd bevond zich tot enkele eeuwen eerder een Romeinse versterking (castellum), in de nabijheid van waar Romeins Nijmegen ([Municipium] Ulpia Noviomagus Batavorum) moet hebben gelegen.[10] Voor het nieuwe bouwwerk werd de grond mogelijk geëgaliseerd en twee nog aanwezige binnengrachten werden gedempt.[7]

Het is niet helemaal duidelijk waarom Karel de Grote speciaal deze plek uitkoos om een van zijn paltsen te bouwen. De gunstige geografische ligging aan een van de buitengrenzen van het Frankische rijk, op een heuvel en tegelijkertijd in een rivierbocht, speelde mogelijk mee. Dit maakte de plek immers strategisch gunstig om controle te houden over de nabijgelegen vijandelijke territoria (met name die van de Friezen). Een andere belangrijke factor was wellicht een zekere waardigheid die de plek moet hebben uitgestraald dankzij de toen nog duidelijk aanwezige restanten van het Romeinse castellum. Daarnaast speelde mogelijk ook een zeker economisch belang.[5]:21/32

De eerste verwoesting in 881 (prent vervaardigd door Reinier Vinkeles, naar een portret van Jacob Buys
Muurschildering van Theophanu in Nijmegen

De palts diende voornamelijk als adellijke residentie en tot op zekere hoogte als bestuurscentrum (villa regia). Er moeten aparte bijgebouwen zijn geweest voor het hofpersoneel en hier gelegerde militairen. Er zou plaats moeten zijn geweest voor enkele honderden personen.[11] Uit beschrijvingen van Godfried van Viterbo blijkt dat er een gaanderij (aula columpnata) was (net als in het paleis in Aken).[6]:23

Omtrent de bezoeken die Karel de Grote zelf aan de palts bracht, bestaat nochtans weinig zekerheid. Naar verluidt zou hij er in het voorjaar van 777 voor het eerst zijn geweest, tijdens Pasen.[12] Vanaf 804 zou hij (inmiddels keizer) de palts wat vaker hebben bezocht.[1] In 806 liet hij er bovendien de verdeling van zijn rijk tussen zijn drie zonen Karel, Lodewijk en Pepijn bezweren. In 808 zou hij er nog een keer zijn geweest.[12] De palts in Nijmegen was volgens sommige historici hoe dan ook "Karel de Grotes meest geliefkoosde verblijfplaats, na Aken".[13] :6

Lodewijk de Vrome zou er in 815 de Vastentijd hebben doorgebracht.[14] Ook zou hij er in totaal zes keer een landdag gehad hebben. In 827 voerde hij hier bovendien vredesbesprekingen met de Deense koning Horik I; blijkbaar met weinig succes, want elf jaar later volgde een aanval door Deense Vikingen.[13]:7 In 830 zou er ook nog een belangrijk familieberaad zijn geweest om de burgeroorlog te beëindigen.[10]

Verspreid over wat het nu het hele Rijk van Nijmegen is lagen vermoedelijk boerderijen, die de palts van voedsel voorzagen. Ook het Reichswald tot aan Xanten moet bij het gebied dat onder bestuur van de palts stond hebben gehoord, vanwege de jacht en bosbouw.[15][11]

De Annales Xantenses maken reeds melding van een Noviomagum-Castrum in 846. Deze versterking valt echter niet logisch in verband te brengen met de plunderingen door de Noormannen, die pas enkele decennia later zouden beginnen.[6]:24

Eerste verwoesting

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 850 kwam een deel van het huidige Nederland in handen van Vikingen afkomstig uit Denemarken, die in deze tijd ook hier actief werden.[noten 2] In 870 sloot keizer Karel de Kale nog een verdrag met Rorik. De Vikingen namen echter rond 880 – of misschien al iets eerder – de palts in, nadat ze eerst een plundertocht langs de Rijn hadden gehouden.[16] Vermoedelijk stonden ze toen onder leiding van Rorik en/of Godfried Haraldson junior.[17][11] Ze gebruikten de palts hierna zelf als winterverblijfplaats, tijdens een belegering door Lodewijk de Jongere waarbij ze zelf een extra wal en muur aanlegden. Bij hun vertrek, het jaar daarop, (waarvoor ze losgeld betaalden) staken ze de palts in brand. De palts moet niet lang daarna zijn herbouwd, nu veel meer als een vesting.[6]:25[18][14]

10e - 11e eeuw

[bewerken | brontekst bewerken]

De herbouwde palts speelde gedurende de 10e een deel van de 11e eeuw nog een belangrijke rol, tijdens de Ottoonse en de Salische tijd. De keizers die daarna over het Duitse rijk regeerden – zoals Otto I, Otto III, Hendrik II, Koenraad II en Hendrik III – verbleven hier regelmatig voor hun regeringsdaden. Koninklijke en keizerlijke hofdagen vonden dan ook vaak hier plaats.[19] De strategische ligging van de plek vanaf de tweede helft van de 9e eeuw, als grensplaats ten opzichte van andere delen van het rijk, was hierbij mogelijk een meespelende factor.[20] Over de bestuurlijke zaken die er in deze tijd werden geregeld zijn weinig precieze details bekend; van de bewaard gebleven oorkonden was ongeveer de helft bedoeld voor ontvangende partijen (personen of instellingen) in het hertogdom Lotharingen of het gebied dat nu Nederland is.[21]:238

Keizer Otto III is naar verluidt geboren in het Ketelwoud, terwijl zijn moeder – keizerin Theophanu, van oorsprong een Byzantijnse prinses – onderweg was van Aken naar de palts aan het Valkhof.[22] Hij was er een van een tweeling, de andere pasgeborene overleefde het niet.[23] In 991 zou Theophanu tijdens een verblijf in de palts zijn overleden.[21]:243[12]

Op 8 mei 997 was Otto III zelf aanwezig in de palts. Hij bemiddelde met succes in een geschil tussen de abt van het klooster Elten en graaf Balderik van Kleef over door graaf Wichman aan het klooster geschonken bezittingen.[13]:9

Keizer Koenraad II moet gedurende het grootste deel van 1026 in de palts hebben verbleven.[13]:10

Keizer Hendrik III trad volgens de overlevering in 1036 te Nijmegen – hoogstwaarschijnlijk dus aan het Valkhof – in het huwelijk met de 17-jarige Gunhilde van Denemarken.[24]

Waarschijnlijk in de eerste helft van de 11e eeuw[25] werd in of nabij de palts de Sint-Nicolaaskapel gebouwd, een van de zeer schaarse voorbeelden van bewaard gebleven romaans-byzantijnse centraalbouw in deze omgeving. Bij de bouw hiervan lijkt de Karolingische paltskerk in Aken duidelijk als voorbeeld te zijn genomen.[26] Omtrent de precieze ouderdom van deze kapel zijn verschillende ideeën opgevoerd. Vooral in de 19e eeuw werd algemeen aangenomen dat de Nicolaaskapel vanaf het begin integraal onderdeel van de palts zelf uitmaakte (vandaar de benaming Karolingische kapel). De kapel zou in dat geval dus al in de 8e eeuw moeten zijn gebouwd.[27][28] Volgens nieuwere inzichten heeft de Nicolaaskapel echter toch geen Karolingische kern. Bovendien bleek de kapel bij nader inzien pas van omstreeks het jaar 1030 te dateren, of zelfs van nog iets later.[29][30]

Nieuwe verwoesting (1047) en eerste tijd daarna

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1047 werd de palts opnieuw verwoest, tijdens een grote opstand tegen keizer Hendrik III onder leiding van Godfried II van Opper-Lotharingen.[21] : 237-239 Men is vaak uitgegaan van het idee dat de palts hierna alleen gedeeltelijk was beschadigd, mogelijk (deels) in gebruik bleef voor koninklijke en keizerlijke bezoeken en een eeuw later weer in volle glorie werd herbouwd, als de bekende 12e-eeuwse Valkhofburcht van keizer Barbarossa.[31][13]:10-11[32][11][33][32][21]:238[34][noten 3]

Dit lijkt ook zo te worden bevestigd in een passage uit de Gesta Friderici Imperatoris, geschreven door Rahewin (leerling van Otto van Freising, de oom van keizer Barbarossa), waarbij het over de inmiddels voltooide burcht gaat:

[...] De zeer fraaie paleizen, eens door Karel de Grote in prachtige vorm opgebouwd als koninklijke residenties, bij Nijmegen en bij de villa Ingelheim [..] herstelde hij op passende wijze, en toonde hierbij zijn aangeboren grootsheid van geest.[35][5]:42[1]

Keizer Hendrik IV zou in 1075 nog aan het Valkhof zijn geweest.[13]:10 In 1125 zou ook de zieke keizer Hendrik V, op zijn reis naar Utrecht, het Valkhof hebben aangedaan.[21] :238-239[36]

Overblijfselen

[bewerken | brontekst bewerken]

Van de Valkhofpalts zijn tot op heden zeer weinig duidelijke archeologische sporen teruggevonden. Van het schaarse materiaal dat wel is overgeleverd, staat de precieze herkomst niet vast. Zodoende is het zeer moeilijk om een enigszins betrouwbare visuele reconstructie te maken.

Als het enig aanwezige architecturale bewijs gelden drie kapitelen, gemaakt van Carrara-marmer en uitgevoerd in Korintische stijl. Deze kapitelen zijn na de sloop van de Valkhofburcht (1796-1797) teruggevonden in de overgebleven apsis van de Sint-Maartenskapel, waarvan inmiddels is vastgesteld dat deze zelf uit de 12e eeuw is. Aangenomen wordt dan ook dat de kapitelen zelf uit de Karolingische tijd dateren en oorspronkelijk bij de palts hoorden, om later bij de bouw van de 12e-eeuwse burcht te worden hergebruikt.[1][5]:39-40 Een van deze kapitelen, naar schatting uit de periode 775-800 n.Chr. bevindt zich tegenwoordig in het Valkhof Museum.[37]

Visuele reconstructies

[bewerken | brontekst bewerken]

Met name sinds de 18e eeuw zijn er diverse pogingen tot visuele reconstructie van de palts gedaan, onder meer door de schilders Jacobus Buys en Cornelis Springer. De palts wordt hier veelal in een romaanse bouwstijl vormgegeven.[38] Vooralsnog berusten deze reconstructies louter op fantasie.

Vanwege dit deel van zijn geschiedenis heeft Nijmegen later "Keizerstad [aan de Waal]" als een van zijn bijnamen gekregen.[39]

Ook andere benamingen, zoals die van het Keizer Karelplein, herinneren tot op de dag van vandaag aan de Karolingische tijd. Voor de Radboud Universiteit had de oprichter aanvankelijk de naam Keizer Karel Universiteit in gedachten.[40] De universiteit is een tijdlang officieus ook zo genoemd.[41] De oudste nog bestaande studentenvereniging in Nijmegen draagt de naam Carolus Magnus.

Zie de categorie Valkhofpalts, Nijmegen van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.