Varianten van het schaakspel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Doordat het schaakspel al vele eeuwen gespeeld wordt, zijn er duizenden variaties ontstaan; het westerse schaken is slechts een van de varianten van het schaakspel. Het is via het Arabische schaak afgeleid van chaturanga dat al in de 7e eeuw gespeeld werd. Aangezien dat al een tamelijk uitgewerkte vorm van het spel is, moet het oudere voorlopers gehad hebben.

Een van de vier startposities van Janggi, Koreaans schaak
Glinski's hexagonaal schaak had op zijn hoogtepunt een half miljoen spelers

Oost-Azië[bewerken]

In Oost-Azië bestaan allerlei vormen van het schaakspel: Chinees schaken (Xiangqi), het Japanse Shogi en Janggi in Korea, die alle de stukken op de snijpunten en niet op de vlakken van het speelveld plaatsen. Dat geldt niet voor het Thaise Makruk, dat van alle varianten vermoedelijk het dichtst bij chaturanga staat. Doordat de totale strijdmacht hier veel zwakker is en minder mogelijkheden heeft dan die van het westers schaak, vereist deze variant het verder vooruit plannen van acties, in 2004 reden voor de toenmalige klassiek wereldkampioen Kramnik om het spel zeer strategisch te noemen, als een eindspel in het westerse schaak.[1]

Afwijkende doelstellingen in probleemschaak[bewerken]

Buiten de huiselijke kring zijn afwijkende vormen te vinden in het probleemschaak en in zeer afwijkende varianten die worden samengevat onder de noemer fantasieschaak of fairy chess. Bij probleemschaak presenteert de problemist een doel dat vaak afwijkt van het gangbare: zo kan hij als opgave stellen te winnen in een gegeven aantal zetten, een zettenverloop te reconstrueren, of zelfs een zelfmat op te bouwen waarbij dus het eigen verlies afgedwongen wordt. Fairy chess is hier in zekere zin een tegenpool van: het gangbare doel (winnen) is hier gekoppeld aan afwijkende borden en stukken. Borden kunnen groter of anders ingedeeld zijn, of bijvoorbeeld de rokaderegel kan verschillen. Er zijn ook honderden eigenzinnige stukken bedacht, bijvoorbeeld paarden met verlengde sprongen, of de sprinkhaan die gaat zoals een dame, maar alleen als daarbij over precies één stuk heen gesprongen kan worden.

Schaak 960[bewerken]

Schaak 960 of Fischer random chess is een variant waar Bobby Fischer zich sterk voor heeft gemaakt. Hij ergerde zich aan de grote rol van openingskennis in het wedstrijdschaak en wilde die uitbannen door de positie van de stukken op eerste en achtste rij door toeval te laten bepalen. Hierbij gelden enkele aanvullende eisen:

  • De posities van de zwarte stukken corresponderen met die van de witte.
  • De spelers moeten elk een loper op de witte velden en een op de zwarte velden hebben.
  • De koning moet ergens tussen de beide torens in staan. Rokeert de koning met de toren die het dichtst bij de a-lijn staat, dan komen koning en toren te staan zoals bij de lange rokade; bij rokade met de andere toren wordt de positie zoals bij de korte rokade.

Met deze restricties zijn 960 beginstellingen mogelijk. De klassieke beginstelling is hier één van.

Informele varianten[bewerken]

Van de duizenden informele varianten noemen we tamelijk willekeurig drie voorbeelden: bomschaak, Can I en het bekendere doorgeefschaak. Bij het bomschaak veegt een slaand stuk ook alle stukken van aanliggende velden, inclusief de eigen stukken. Doorgeefschaak wordt aan twee borden gespeeld door koppels, waarbij geslagen stukken aan de teamgenoot worden gegeven die ze dan op het eigen bord kan inzetten. Voor deze tamelijk populaire variant heeft de Koninklijke Nederlandse Schaakbond een reglement opgesteld, en er worden kampioenschappen georganiseerd. Verder zijn er nog vereenvoudigingen voor schaakonderwijs. Bij ongeoefende schakers worden de en passant-regel en de rokaderegel meestal achterwege gelaten. Bij beginnende, vooral jeugdige spelers worden de zetmogelijkheden soms beperkt door met dobbelsteen of opdrachtkaarten te bepalen welk stuk gespeeld moet worden of andere beperkingen op te leggen, enigszins analoog aan risk.

Can I en Wild 16[bewerken]

Dit zijn varianten van een spel dat internationaal bekendstaat als kriegspiel en in de jaren negentig van de negentiende eeuw naar voren werd gebracht door de Engelsman Henry Michael Temple. Hij baseerde dit op het originele kriegspiel dat omstreeks 1812 bedacht is door Georg von Rassewitz. Bij Can I ziet elke speler alleen zijn eigen stukken. Toch lijkt het spel niet op blindschaak, maar meer op het spelletje zeeslag, omdat de spelers weinig informatie krijgen over de positie van de vijandelijke stukken. Alleen als een stuk geslagen wordt, of als een speler schaak staat, wordt dit aan beide spelers doorgegeven. Doordat de spelers elkaars opstellingen niet kennen, komen onreglementaire zetten tamelijk veel voor. De spelleider laat de speler dan een andere zet kiezen. Het feit dat een zet onreglementair is, kan informatie over de vijandelijke opstelling geven, maar wordt niet medegedeeld aan de tegenstander.

Elke speler heeft een bord met daarop alleen de eigen stukken, en er is een spelleider nodig om de zetten tussen de spelers uit te wisselen. Voor de spelleider en toeschouwers is gewoonlijk nog een derde bord aanwezig met de volledige opstelling. Met het inschakelen van de computer als spelleider zijn die praktische ongemakken van de baan.

Een speler kan de spelleider vragen "Can I?", hetgeen betekent "Kan ik met een pion slaan?" Het stellen van de vraag verplicht de speler om minstens een slagzet met een pion te proberen. Dit is overigens slechts een van de varianten van deze schaakvorm. Gebruikelijk is een variant waarin de spelleider voor elke zet aangeeft op welk veld er met een pion geslagen kan worden. Deze informatie kan een speler immers toch krijgen door domweg alle mogelijke slagzetten met pionnen uit te proberen, om pas na een voortdurend nee van de spelleider andere zetten te overwegen. Deze vermoeiende mogelijkheid bestaat vooral bij pionnen, omdat daar de slagzet verschilt van de gewone zet. Met dames, torens en lopers kan de speler wel "lange zetten" proberen, bijvoorbeeld Ta1-a8, om te kijken of er iets in de weg staat. Een variant van dit spel is te spelen op ICC onder de naam Wild 16.[2]

Schaken voor vier personen[bewerken]

Hiervoor zijn sets in de handel verkrijgbaar. Het bord bestaat uit 12 bij 12 velden, waarbij de hoeken (elk 4 bij 4) niet worden gebruikt. Er zijn dus 128 speelvelden. Er zijn vier kleuren schaakstukken. De spelers spelen, zoals gebruikelijk in bijna elk spel voor meer personen, om beurten, linksom.

Doordat het speelbord groter is, is de afstand tot de tegenstander aan de overkant groter dan bij het normale schaakspel. Een pion doet niet 5 of 6 zetten maar 9 of 10 om de overkant te bereiken.

Staat een speler schaak, dan mag het schaakgevende stuk tussendoor niet door een andere speler geslagen worden. Het is wel toegestaan dat een andere speler een stuk tussen het schaakgevende stuk en de koning zet, waardoor het schaak opgeheven is voordat de schaakstaande speler aan zet is geweest. Het is op deze wijze zelfs mogelijk dat mat opgeheven wordt.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]