Veeteelt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Melkkoeien in de wei.
Bioscoopjournaal uit 1952 over de Zeeuwse landbouwdagen waarin aandacht voor de paardenfokkerij, en een tentoonstelling waarop trekpaarden en rundvee worden gepresenteerd.

Veeteelt of veehouderij is de tak van landbouw waarbij men dieren houdt voor het verkrijgen van nuttige producten. Hierbij is in het algemeen diervoeder nodig, terwijl als nevenproduct mest optreedt. Hoewel een groot aantal diersoorten om deze redenen kunnen worden gehouden en er grote regionale en mondiale verschillen bestaan, zijn er een aantal hoofdgroepen aan te wijzen.

Los hiervan is ook de schapenhouderij (wol en vlees, vroeger ook mest) en de geitenhouderij van belang. Naast hoenders wordt ook ander pluimvee, zoals kalkoenen, eenden en dergelijke gefokt ten behoeve van de vleesproductie.

Randgebieden zijn de pelsdierfokkerij en de paardenfokkerij. De laatste was van belang voor het verkrijgen van voldoende trekdieren. Ten gevolge van de landbouwmechanisatie is dit belang goeddeels verdwenen.

De veehouderij heeft een ontwikkeling doorgemaakt van kleinschalig en divers naar grootschalig en gespecialiseerd. Men spreekt dan van intensieve veehouderij. Kenmerk hierbij is het niet-grondgebonden karakter (het vee bevindt zich in stallen en het veevoeder komt van buitenaf). Verder speelt genetische uniformiteit, gericht op maximale productiviteit, een belangrijke rol.

Vraagstukken die hierbij ontstaan zijn: een grote concentratie van eenvormige dieren op een klein gebied, wat leidt tot ziektegevoeligheid, uitstoot van schadelijke stoffen zoals ammoniak, mestoverschotten en dergelijke. Ook de grootschalige productie van veevoer leidt tot problemen: eenvormige vlakten met maïs en Engels raaigras en in het buitenland: vernietiging van biodiversiteit voor grootschalige verbouw van veevoederingrediënten.

Veeteelt in Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook Bio-industrie § Bio-industrie in Nederland
Schaapskudde

Omvang[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook Veestapel § Nederland

Er worden in de Nederlandse agrarische sector meer dan 100 miljoen dieren (varkens, runderen, geiten, kippen en schapen) gehouden.[1]

Dier Aantal 2006 Aantal 2007 Aantal 2012
runderen (vlees- en melkvee)  3,8 miljoen  3,7 miljoen  3,9 miljoen
schapen en geiten  1,7 miljoen  1,3 miljoen  1,4 miljoen
varkens 11,6 miljoen  11,6 miljoen  12 miljoen
kippen (vlees- en legkippen)  83 miljoen  92,7 miljoen  95 miljoen
totaal: 100,1 miljoen 109,3 miljoen 112,3 miljoen

Daarnaast zijn er nog kalkoenen, eenden en konijnen. Volgens het Productschap voor Pluimvee en Eieren werden in 2009 bijna 10 miljard eieren gelegd, een groot deel daarvan wordt geëxporteerd.

In 2012 werden 552,5 miljoen runderen, geiten, varkens, schapen en pluimvee geslacht.[2] Dat dit aantal groter is dan het aantal dieren dat in Nederland wordt gehouden komt doordat bijvoorbeeld een vleeskip slechts enkele maanden (6 weken voor een 'plofkip') leeft voordat deze naar de slacht gaat, waarna zijn plaats in de stal weer wordt ingenomen door een ander vleeskuiken - het aantal vleeskippen dat op enig moment gehouden wordt ligt dus stabiel op ca. 50 miljoen, terwijl er jaarlijks toch 500 miljoen worden geslacht.

geslachte dieren Aantal 2006 Aantal 2012
runderen  1,9 miljoen  1,9 miljoen
schapen en geiten  0,7 miljoen  0,6 miljoen
varkens 14 miljoen  14 miljoen
kippen  404 miljoen  534 miljoen
totaal: 420,6 miljoen 550,5 miljoen

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Animal husbandry van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.