Veni, vidi, vici

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Vēnī, vīdī, vīcī (uitspraak in het klassiek Latijn: [ˈweːniː ˈwiːdiː ˈwiːkiː]?; uitspraak in het Kerklatijn: [ˈveni ˈvidi ˈvitʃi]?) (Ik kwam, ik zag, ik overwon) is een bekende Latijnse uitspraak van Julius Caesar, die hij deed in het jaar 47 v.Chr.

De uitspraak wordt vermeld in de Caesar-biografie van Suetonius[1] en in die van Plutarchus.[2]

Volgens Plutarchus schreef Caesar de woorden in een brief aan een vriend, een zekere Amantius, naar aanleiding van zijn overwinning op Pharnaces II van Pontus in de Slag bij Zela.[3] Conrad Cichorius heeft voorgesteld om in Amantius de naam van Gaius Matius, een bekend correspondent van zowel Caesar als Cicero, te herkennen.[4]

Volgens Suetonius zou Caesar een inscriptie met deze zegespreuk hebben laten meedragen in zijn triomftocht voor zijn overwinning op Pontus.[1]

Met deze allitererende climax (een tautogram) van drie asyndetische tweeklanken (een tricolon) onderstreepte hij hoe eenvoudig, snel en vernietigend hij Pharnakes had verslagen.

De Franse dichter Victor Hugo werd door deze woorden geïnspireerd toen hij het gedicht je suis venu, j'ai vu, j'ai vécu schreef na het overlijden van zijn dochter.

Grammaticale analyse[bewerken]

Vēnī, vīdī, vīcī bestaat enkel uit drie keer een eerste persoon enkelvoud indicatief perfectum actief (voltooid tegenwoordige tijd) van respectievelijk venīre (komen), vidēre (zien) en vincěre (overwinnen).