Verdrag van Florence (1844)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Het verdrag van Florence van 28 november 1844 was een geheime overeenkomst tussen de regeringen van het groothertogdom Toscane, het hertogdom Modena en Karel II van Bourbon-Parma, hertog van Lucca en later hertog van Parma en Piacenza. Het doel van het verdrag was:

  1. de aanpassing van de territoriale beschikkingen en compensaties zoals vastgelegd in 1815 door het Congres van Wenen en
  2. een normalisering van de grenzen tussen de drie staten in het gebied van de Lunigiana en de Garfagnana, waar de grenzen grillig waren en er meerderen enclaves lagen.

Het Congres van Wenen in 1815 en het Congres van Parijs in 1817 wezen de hertogdommen Parma, Piacenza en Guastella voor het leven toe aan Marie Louise van Oostenrijk, de tweede echtgenote van Napoleon Bonaparte en tante van hertog Frans V van Modena.

Na de dood van de hertogin moesten de Stati Parmensi teruggegeven worden aan de legitieme soevereinen: de leider van de familie Bourbon-Parma, die inmiddels was benoemd tot hertog van Lucca en die de gebieden van de voormalige republiek Lucca in bezit had genomen. Na de dood van Marie Louise en de terugkeer van de Bourbons in Parma, moest het hertogdom Lucca verdeeld worden onder het hertogdom Parma, het hertogdom Modena en het groothertogdom Toscane.

Na lange onderhandelingen in Florence besloten de vertegenwoordigers van de regeringen van Toscane, Modena en Lucca op 28 november 1844 in aanwezigheid van de ambassadeurs van het koninkrijk Sardinië en het keizerrijk Oostenrijk om na bijna dertig jaar wijzigingen aan te brengen in de verdragen van Wenen en Parijs. Het groothertogdom Toscane moest bij de annexatie van het hertogdom Lucca ten gunste van het hertogdom Modena afstand doen van het bisdom Fivizzano en de vier exclaves Gallicano, Minucciano, Montignoso, het Porta-meer. Daarentegen zag Modena af van de annexatie van de bisdommen Pietrasanta (waar ook Forte dei Marmi en de Versilia toe behoorden) en Barga, waarin voorzien was door het Congres van 1815.

In ruil voor die afstand door Modena, zou het groothertogdom Toscane Pontremoli en de hoge Lunigiana aan het hertogdom Parma afstaan, terwijl het hertogdom Parma op zijn beurt de gebieden van het voormalige hertogdom Guastalle (Guastalla, Luzzara en Reggiolo aan het hertogdom Modena moest afstaan.

Daarnaast voorzagen de artikelen van het verdrag erin dat de twee hertogdommen hun grens zouden normaliseren door onderling gebiedsdelen te ruilen langs de rivier de Enza: delen van het gebied van Brescello, Poviglio, Gattatico, delen van de gemeente Canossa en delen van de Riddervallei zouden aan Modena worden afgestaan, terwijl Scurano en Bazzano aan Parma zouden komen.

In september 1847 werden er in Lucca van hertog Karel Lodewijk liberale hervormingen verlangd, zoals die in Toscane al waren ingevoerd. Na een eerste weigering en ondanks enige overeengekomen concessies kon de hertog de druk niet langer weerstaan en vluchtte naar Modena. Hier werd door hem de Raad van State omgezet in een Regentschapsraad.

Op 9 oktober 1847 deed Karel Lodewijk afstand van de troon ten gunste van Leopold II van Toscane, die hem een ruim pensioen toekende totdat hij de troon van Parma zou bestijgen.

De uitvoering van het verdrag en de reacties van de bevolking werden geen verrassing voor de drie vorsten.

  • In Lucca werd de vrees van de bevolking om het slachtoffer te worden van een koehandel weggenomen door de verzoenende houding van groothertog Leopold II.
  • In Pontremoli en Fivizzano (provincie Massa-Carrara) accepteerde de bevolking niet van harte dat het goedhartige bewind moest worden ingewisseld tegen de tirannie van Bourbon-Parma en Oostenrijk-Este.
  • De gemeente Pontremoli protesteerde tegen de overdracht aan Parma en stuurde een afvaardiging naar Leopold II. De bevolking dreigde zelfs de stad in brand te steken in navolging van het voorbeeld van Moskou (1812).
  • In Fivizzano werden de inwoners tijdens de opstand hardhandig onderworpen en onderdrukt door de troepen van Modena.

Geconfronteerd met deze ontwikkelingen verzochten de Toscanen groothertog Leopold II de oorlog te verklaren aan de twee buurstaten. Om een conflict te vermijden en het gebied te behouden, bood Leopold II een hoge financiële compensatie aan de twee hertogen als zij afzagen van enige annexatie. Het voorstel werd geaccepteerd door Karel II van Parma vanwege zijn hoge schuldenlast, maar geweigerd door Frans V van Modena.

Uiteindelijk werd het verdrag uitgevoerd onder druk van Oostenrijk. De troepen van Parma en Modena konden de gebieden bezetten die door Toscane waren afgestaan.