Verfmolen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kantstenen met rood pigment in molen De Kat

Een verfmolen is een molen die grondstoffen voor verf vermaalt. Deze grondstoffen bestaan vooral uit aarden, verfhout, krijt, smalt sommige natuursteensoorten als azuriet en malachiet, en beenzwart. Een molen die voornamelijk krijt vermaalt wordt krijtmolen genoemd. Uit de Zaanstreek zijn 62 verfmolens bekend.

Verfhout[bewerken]

De eerste verfmolen bevond zich in Zaandijk. Deze werd in gebruik genomen door Pieter Jansz. van der Ley in 1601. Het was een brijsijlijenhoudtmalersmolen, een molen dus die brazielhout vermaalde. Er was weliswaar concurrentie met het Rasphuis dat in 1595 was opgericht en dat het monopolie bezat, maar de handhaving hiervan was gebrekkig en de kwaliteit van het Zaanse product was beter. De opkomst van de synthetische kleurstoffen op basis van aniline hebben het gebruik van verfhout uiteindelijk doen verdwijnen. Het laatste verfhout werd vermalen in Stoomfabriek "De Vooruitgang" van de firma Heyme Vis. Deze productie eindigde in 1914.

Overige verfmolens[bewerken]

Pas omstreeks 1700 begon men de huizen in kleur te beschilderen. Vóór die tijd werden ze hoofdzakelijk geteerd. Het is dus omstreeks 1700 dat de betekenis van verfmolens sterk toenam. De pigmenten werden door de schilders zélf tot verf verwerkt. Hieraan kwam geleidelijk een einde toen omstreeks 1850 het verfblik werd uitgevonden, waarin de verf veel langer houdbaar bleef. Nu ontstonden er verffabrieken die de verfmolens geleidelijk verdrongen, hoewel de molens nog wel tijdelijk konden profiteerden van de toegenomen vraag. De omstreeks dezelfde tijd opkomende synthetische pigmenten op basis van steenkoolteer deden uiteindelijk de verfmolens verdwijnen. Een aantal konden nog een tijd dienstdoen als krijtmolen. Enkel De Duinjager in het Kogerveld (bouwjaar 1696) bleef over. Deze vermaalde uiteindelijk nog steenkool ten behoeve van de ijzergieterijen. In 1960 werd het Kogerveld opgespoten. De molen werd afgebroken en in de Zaanse Schans op de onderbouw van oliemolen "De Kat" geplaatst. Als zodanig is tegenwoordig De Kat nog de enige verfmolen die in Nederland is overgebleven.

Tot de pigmenten die werden geproduceerd behoorde blauwsel, zoals ultramarijn, dat door Avis en Nanninga van Dillewijn & Co. werd geproduceerd. Ook op kobalt en op lakmoes gebaseerde blauwe verfstoffen werden geleverd.

Loodwit werd geproduceerd bij De Veldlust te Oostzaandam (vanaf 1736), De Rob (1720) en Het Gekroonde Zeepaard te Koog aan de Zaan (1694), en De Heining te Oostzaan uit 1762.

Vermiljoen werd geproduceerd op basis van kwikzilver en zwavel, onder meer door Sagharias Jacobsz. (1676).

Ook Zaans groen (Bremergroen, Fries groen, Spaans groen) werd vervaardigd in de loop van de 18e en 19e eeuw. Het was op koperverbindingen gebaseerd.

Techniek[bewerken]

De verfmolens waren houten windmolens van het type stellingmolen, welke voorzien waren van een onderbouw. Dit was een schuur waar de verschillende grondstoffen en producten in werden opgeslagen en eventueel gedroogd.

Het verfhout werd met bijlen en zagen verkleind en daarna tot poeder vermalen. Ook kuipen met vallende beitels en draaiende schijven met messen werden gebruikt. Ook waren er kollergangen om aardverven en krijt tot poeder te vermalen. Vaak waren er meerdere kollergangen die van elkaar waren afgesloten om de kleuren niet te vermengen. Daarnaast bestonden er stampwerken voor het fijnmaken van zeer harde gesteenten zoals amaril. Uiteindelijk was er een zeefinstallatie om grof en fijngemalen product te scheiden.

Externe bron[bewerken]

  • Sjors van Leeuwen, Tussen Zwart en Wit. Met Stoom, nummer 15, oktober 1993.