Verklaring van de rechten van de mens en de burger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Bovenaan de afbeelding met de Verklaring staat een alziend oog, dat als een zon op de rechten schijnt. Dit zorgt ook voor veel complottheorieën.[1]

De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (Frans: Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen) is een fundamentele en enigszins abstracte tekst over de democratie en de vrijheid en berust op de denkbeelden uit de Verlichting. De tekst bestaat uit een inleiding, de tekst van het Het maatschappelijk verdrag, en 17 artikelen. De tekst werd opgesteld, voorafgaand aan de discussies over de nieuwe Franse grondwet.

De Verklaring is gebaseerd op ideeën van de Verlichtingsfilosofen John Locke over natuurrecht en tolerantie in zijn Second Treatise of Government; op Jean-Jacques Rousseau met zijn ideeën over de gelijkheid van alle mensen in het Contrat Social; de scheiding der machten, uitgewerkt door Charles de Montesquieu in zijn Over de geest van de wetten. De bezwaren opgesomd in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring zouden eveneens van invloed zijn geweest.

Geschiedenis[bewerken]

De discussie over de Verklaring begon op 9 juli 1789 in de Nationale Grondwetgevende Vergadering. Het idee van Jean-Joseph Mounier was om de nieuwe grondwet te laten voorafgaan door een meer abstracte verklaring. Op 11 juli presenteerde La Fayette een ontwerp voor de Verklaring. In de nacht van 4 augustus werd in een tumultueuze vergadering besloten tot het afschaffen van de feodale rechten (jacht- en visrecht) van het Ancien Régime. Er volgde een felle discussie over de formulering van het eigendomsrecht, volgens Mounier essentieel voor wat er nog zou komen.

Artikel 1 is goedgekeurd op 11 augustus. De formulering van de eerste drie artikelen is overgenomen van Mounier. In het 6e artikel over de "algemene wil" is de invloed van Rousseau te herkennen. De laatste 2 of 3 artikelen zijn aangenomen op 26 augustus 1789, maar koning Lodewijk XVI weigerde aanvankelijk de Verklaring te ondertekenen.[2][3]

Op 5 oktober werd door 20, 50 of 200.000 vrouwen een mars naar Versailles gehouden onder begeleiding van markies de La Fayette en de Nationale Garde om "de bakker, de bakkersvrouw en het bakkerszoontje" terug te brengen naar Parijs. De koninklijke lijfwacht werd vervangen door leden van de Nationale Garde. Het volk drong de volgende dag het paleis binnen. Het gevolg was dat de koning toestemde, de Verklaring ondertekende en naar de Tuilerieën verhuisde.[4]

Tekst[bewerken]

Verklaring van de rechten van de mens en van de burger (Déclaration des droits de l'homme et du citoyen, 26 augustus 1789)

De afgevaardigden van het Franse volk, in nationale vergadering bijeengekomen, beschouwen het onbekend zijn met, het vergeten of minachten van de rechten van de mens als de enige oorzaken van het algemeen ongelukkig zijn en de verdorvenheid der regeringen; daarom hebben zij besloten om de natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens in een plechtige verklaring uiteen te zetten, opdat de gehele samenleving altijd over deze verklaring zal kunnen beschikken en zich haar rechten en plichten voortdurend zal herinneren; opdat de handelingen van de wetgevende en uitvoerende macht op ieder ogenblik met het einddoel van alle politieke bepalingen vergeleken en zo beter gecontroleerd kunnen worden; opdat de op eenvoudige en onweerlegbare principes gegrondveste eisen van de burgers in de toekomst steeds op het in stand houden van de grondwet en het algemeen welzijn gericht mogen zijn.

Bijgevolg erkent en verklaart de nationale vergadering in aanwezigheid en onder bescherming van het Opperwezen, de volgende rechten van de mens en van de burger:

1 De mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren en blijven dit. Maatschappelijke verschillen kunnen slechts op het algemeen welzijn gebaseerd worden.

2 Het doel van iedere politieke vereniging is het behoud van de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens; deze rechten zijn de vrijheid, het bezit, de veiligheid en het verzet tegen onderdrukking.

3 De oorsprong van iedere soevereiniteit ligt wezenlijk bij het volk. Geen instantie, geen individu kan gezag uitoefenen dat daar niet uitdrukkelijk uit voortkomt.

4 De vrijheid bestaat daaruit, alles te kunnen doen wat een ander niet schaadt. Zo heeft de uitoefening van de natuurlijke rechten van ieder mens alleen deze grenzen die aan de andere leden van de maatschappij het genot verzekeren van dezelfde rechten. Deze grenzen kunnen alleen bij wet vastgelegd worden.

5 De wet heeft slechts het recht handelingen te verbieden, die schadelijk zijn voor de maatschappij. Alles wat niet door de wet verboden is, kan niet worden verhinderd en niemand kan gedwongen worden te doen, wat de wet niet verordent.

6 De wet is de uitdrukking van de algemene wil. Alle burgers zijn hebben het recht, persoonlijk of door hun vertegenwoordigers, aan haar totstandkoming mee te werken. Zij moet voor iedereen dezelfde zijn, hetzij ze beschermt, hetzij ze straft. Daar alle burgers in haar ogen gelijk zijn, kunnen zij in gelijke mate toegelaten worden tot alle waardigheden, plaatsen en openbare ambten volgens hun bekwaamheden en zonder ander onderscheid dan die van hun deugden en talenten.

7 Niemand kan beschuldigd, aangehouden of gevangen worden dan in bij de wet bepaalde gevallen en in de vormen, die zij heeft voorgeschreven. Ieder die daden naar willekeur nastreeft, bevordert, pleegt of laat plegen, moet gestraft worden; maar iedere burger die door een wet wordt opgeroepen of gevangen, moet ogenblikkelijk gehoorzamen; door weerstand te bieden maakt men zich schuldig

8 De wet kan slechts strikte en weliswaar noodzakelijke straffen opleggen, en niemand kan gestraft worden dan door een wet die is vastgesteld en uitgevaardigd voorafgaand aan het delict en op wettige wijze toegepast.

9 Ieder mens wordt als onschuldig beschouwd tot wanneer hij schuldig wordt verklaard; daarom moet, indien zijn aanhouding onvermijdelijk is, ieder gebruik van geweld dat niet dient om de verdachte gevangen te nemen, van rechtswege streng onderdrukt worden.

10 Niemand mag vanwege zijn opvattingen, ook niet godsdienstige, worden lastig gevallen, in zoverre dat hun uiting de door de wet ingestelde openbare orde niet verstoort.

11 De vrije uitwisseling van gedachten en meningen is een van de meest kostbare rechten van de mens; iedere burger kan dus vrijelijk spreken, schrijven en drukken, behoudens en bij de wet omschreven gevallen, waarin hij van deze vrijheid misbruik maakt.

12 De waarborg van de rechten van de mens en van de burger vereisen een politiemacht; deze macht is dus ingesteld voor het voordeel van allen en niet voor het particulier gebruik van hen aan wie ze is toevertrouwd.

13 Voor het onderhouden van de politie en voor de uitgaven van de administratie is een algemene belasting noodzakelijk, zijn moet gelijk worden verdelen onder de burgers in verhouding van hun middelen.

14 De burgers hebben het recht zelf of door hun vertegenwoordigers de noodzaak van een openbare belasting te onderzoeken, haar goed te keuren, de aanwending ervan te controleren en haar onderdelen, grondslag, invordering en duur te bepalen.

15 De maatschappij heeft het recht rekenschap te vragen aan iedere openbare ambtenaar voor zijn bestuur

16 Iedere maatschappij waarin de rechten niet gewaarborgd zijn, noch de scheiding der machten is vastgelegd, heeft geen grondwet.

17 Aangezien het eigendom een heilig en onschendbaar recht is, kan niemand ervan beroofd worden, tenzij de openbare noodzakelijkheid, wettelijk vastgesteld, dit vereist en onder voorwaarde van een rechtvaardige en van tevoren vast te stellen schadeloosstelling.

Uitwerking[bewerken]

De verklaring werd opgenomen in de Franse Grondwet van 1791 en heeft als voorbeeld gediend voor latere mensenrechtenverklaringen zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van de Europese Unie. Vanaf 1983 is de Verklaring opgenomen in de Nederlandse Grondwet.

Het werk van Thomas Paine over The Rights of Man is een van de best verkochte boeken uit de Engelse geschiedenis.

Verklaring van de rechten van de mens en de burger in de Oostenrijkse Gebarentaal die door dove acteur en vertaler Horst Dittrich, uitgegeven door ARBOS - Company voor Muziek en Theater, ISBN: 978-3-9503173-2-9, ARBOS Edition © & ® 2012[5]


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Informedia.info
  2. The French Revolution. Voices from a momentous epoch 1789-1795, p. 78-88. Richard Cobb & Colin Jones
  3. Op 3 oktober zou nog over de rente op leningen en eigendom zijn gesproken. De Staat kon inmiddels niet meer lenen, noch belastingen heffen.[bron?]
  4. De Franse Nationale Grondwetgevende Vergadering volgde hem naar Nederland.
  5. http://vimeo.com/52676206
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen op Wikisource