Vertrouwensregel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De vertrouwensregel is een ongeschreven regel van het Nederlandse staatsrecht die inhoudt dat een minister, staatssecretaris of het kabinet als geheel moeten aftreden als zij niet langer het vertrouwen genieten van een van de Kamers van de Staten-Generaal.

De vertrouwensregel is ontstaan uit een aantal incidenten omtrent ministeriële verantwoordelijkheid zoals dit is vastgelegd in de Grondwet.

In Nederland werkt dit anders dan in een aantal andere landen: op het moment dat een motie van wantrouwen wordt ingediend, blijkt het ontbreken van het vertrouwen in een minister of het gehele kabinet. Als de motie breed gedragen wordt, zal dit leiden tot het aftreden van de betreffende minister, staatssecretaris of het gehele kabinet.

In België en Frankrijk dient de regering bij haar eerste optreden in de volksvertegenwoordiging een motie van vertrouwen te krijgen.

Nederland[bewerken]

Ontstaan vertrouwensregel[bewerken]

Aprilbeweging[bewerken]

In de Grondwetsherziening van 1848 was de Grondwet uitgebreid met het recht op ‘vrijheid van kerkelijke organisatie’, dit maakte het de Rooms-Katholieke Kerk mogelijk de bisschoppelijke hiërarchie te herstellen (het recht van de paus om zelfstandig een Nederlandse katholieke kerkorganisatie met een bisschoppelijk bestuur vast te stellen).

Nadat verontruste protestanten zich hierover tot koning Willem III der Nederlanden wendden, liet deze zich kritisch uit over de wijziging. Minister Thorbecke wenste geen verantwoordelijkheid te dragen voor de uitlatingen van de koning. Volgens Thorbecke was het optreden van de kerk volstrekt grondwettig. Thorbecke bood hierna het ontslag aan van zijn kabinet.

Kwestie-Mijer[bewerken]

De kwestie-Mijer betrof de ontbinding van de Tweede Kamer, vanwege de benoeming van minister van Koloniën Pieter Mijer in 1866 tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, vlak na zijn aantreden als minister. Formateur Jules graaf van Zuylen van Nijevelt had Mijer gevraagd om als minister van Koloniën toe te treden tot het kabinet. Mijer gaf aan dat hij liever gouverneur-generaal van Nederlands-Indië wilde worden, omdat die positie veel beter betaalde. Van Zuylen sprak daarop met Mijer af dat als hij minister zou worden, hij alleen de eerste begroting voor Koloniën hoefde af te handelen. Als die begroting door de Tweede Kamer zou zijn geloodst, dan zou Van Zuylen er voor zorgen dat Mijer gouverneur-generaal zou worden. Nadat de begroting door de Tweede Kamer werd goedgekeurd, trad Mijer inderdaad af als minister. Een dag later werd hij door Willem III benoemd tot gouverneur-generaal. Volgens de Tweede Kamer was deze gang van zaken onbetamelijk. De voltallige ministerraad was het daar niet mee eens. De koning ging vervolgens over tot ontbinding van de Tweede Kamer, waardoor nieuwe verkiezingen noodzakelijk waren en de kiezers zich over de kwestie konden uitspreken. Ondanks de na deze verkiezingen vrijwel ongewijzigde samenstelling van de Tweede Kamer bleef het kabinet zitten.

Luxemburgse kwestie[bewerken]

De Luxemburgse kwestie was een diplomatiek conflict dat speelde in 1868. Door de kwestie dreigde er oorlog tussen Pruisen en Frankrijk en daarmee tussen Nederland en Frankrijk en tussen Nederland en Pruisen.

Op verzoek van Frankrijk wilde koning Willem III zijn groothertogdom Luxemburg aan de Fransen verkopen. Hiervoor werd een bedrag overeengekomen van vijf miljoen gulden. Bondskanselier Otto von Bismarck van Pruisen ging akkoord, maar gaf tevens aan dat de onderhandelingen tussen Frankrijk en Willem III in het geheim moesten plaatsvinden. De Duitse bondsstaten zouden dan voor een voldongen feit worden gesteld. Willem III stond er echter op de Duitse bonden in te lichten. Toen die dat vernamen en de verkoopplannen ook in de Duitse kranten vermeld werden, gaf Bismarck aan dat de verkoop een aanleiding tot oorlog kon zijn. En Frankrijk gaf aan dat als de verkoop niet doorging, dit voor de Fransen aanleiding zou zijn tot een oorlog met Nederland.

De Russische minister van Buitenlandse Zaken Aleksandr Gortsjakov nam daarop het initiatief tot een conferentie te Londen over de status van Luxemburg. Deze conferentie vond plaats van 7 tot 11 mei 1867 en culmineerde in het sluiten van een verdrag waarin de neutraliteit van Luxemburg werd gegarandeerd. De sinds 1839 in Luxemburg gestationeerde Pruisische soldaten werden teruggeroepen en de vesting in Luxemburg werd ontmanteld.[1] Daarnaast zou het hertogdom Limburg, waarvan Willem III hertog was, niet hoeven toe te treden tot de nieuw opgerichte Noord-Duitse bond.

Met het sluiten van het verdrag was in Nederland de kous nog niet af. De liberalen in het parlement vonden dat de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Jules graaf van Zuylen van Nijevelt met zijn eigenmachtige optreden in deze zaak de Nederlandse neutraliteit in gevaar had gebracht. Er ontstond een constitutioneel conflict: de ministers boden hun ontslag aan, maar dit werd geweigerd door de koning, terwijl de Tweede Kamer wenste dat het kabinet vertrok. De Tweede Kamer keurde daarop de begroting voor Buitenlandse Zaken af en dit had tot gevolg dat een vertoornde Willem III het parlement ontbond. Het nieuw gekozen parlement echter veroordeelde bij motie-Blussé van Oud-Alblas de ontbinding van het vorige parlement en stemde opnieuw tegen de begroting. Dit had uiteindelijk als gevolg dat het kabinet opstapte. Het parlement had gewonnen. In deze periode ontstond er een tweede ongeschreven regel van Nederlands staatsrecht: de koning mag niet twee keer het parlement ontbinden om dezelfde kwestie.[2]

Huidige situatie[bewerken]

Ook in latere grondwetsherzieningen na 1848 is de vertrouwensregel niet gecodificeerd. Het is een vorm van ongeschreven recht die nog steeds gelding heeft en in de jaren na de Tweede Wereldoorlog veel bewindslieden en kabinetten tot aftreden heeft gedwongen.

Verwijzingen[bewerken]

  1. J.Th.J. van den Berg en J.J. Vis, De eerste honderdvijftig jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland, 1796–1946, Amsterdam: Bert Bakker 2013, pp. 399-400.
  2. J.Th.J. van den Berg en J.J. Vis 2013, a.w., p. 401.