Victorijnen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Abdij van Sint-Victor (1655)

Victorijnen is de naam voor de leden van de kloostergemeenschap van Sint-Victor te Parijs, gesticht rond 1110 in een kluizenarij, gewijd aan de martelaar Victor van Marseille. Abdij Saint-Victor werd de bakermat van een uitgebreide congregatie van augustijner koorheren met grote invloed over heel Europa. Met name in de 12e eeuw was het een invloedrijk centrum van theologische wetenschap en mystiek, met als belangrijkste vertegenwoordiger Hugo van Sint-Victor.

Vrouwenkloosters[bewerken]

In de 13e eeuw, van 1217 tot 1262, werden een tiental voornamelijk Vlaamse vrouwenkloosters gesticht door Saint-Victor of toegevoegd aan hun orde.[1] Deze reguliere kanunnikessen waren niet vertegenwoordigd in het generaal-kapittel en hadden kennelijk een eerder nominale band met de orde. Waarschijnlijk deed het fenomeen zich voor omdat de vrouwenpopulatie in die periode steeg, net toen de traditionele kloosterordes en canonieke ordes hun deuren sloten voor nieuwe vrouwenhuizen. Saint-Victor, met zijn zelfstandige vestigingen die volgens de constituties in principe zelf hun abdis kozen, bood een geschikte uitweg. Na 1260 verdween deze nood door de opkomst van begijnen en bedelorden.

In Brabant kenden de victorijnen ook succes, doordat de magdalenazusters onder zachte dwang hun zelfstandigheid moesten opgeven. Hun kloosters affilieerden zich bij Saint-Victor.[2]

Reeds in 1200 hadden de victorijnen een specifieke kloosterwetgeving voor vrouwen.[3]

Literatuur[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Isabelle Guyot-Bachy, De quelques fondations féminines de l’ordre de Saint-Victor implantées en Flandre au XIIIe siècle , in: Revue du Nord, 2004, nr. 3, p. 665-680
  2. Pia Coenegracht, "Ontstaan van de Brabantse Witte Vrouwen en hun overgang naar de orde van St.-Victor", in: Ons Geestelijk Erf, 1960, nr. 34/2, p. 53-90
  3. Pia Coenegracht, "De Kloosterwetgeving van de Victorinen", in: Ons Geestelyk Erf, deel XXXVII, nr. 1, maart 1963, p. 291-329