Vier van Breda

De Vier van Breda (vanaf 1966 de Drie van Breda en vanaf 1979 de Twee van Breda) waren de laatste vier gevangengehouden Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. De groep bestond uit Willy Lages, Joseph Kotalla, Ferdinand aus der Fünten en Franz Fischer. Ze zaten vanaf de jaren 1950 gevangen in de Koepelgevangenis in Breda, waaraan hun collectieve naam is ontleend.
Lages, Aus der Fünten en Fischer speelden een sleutelrol in de deportaties van Joden uit Nederland. Kotalla was plaatsvervangend hoofd van Kamp Amersfoort. De Vier van Breda werden aanvankelijk ter dood veroordeeld, maar in 1951-1952 werden hun straffen omgezet in levenslange gevangenisstraf. Ze waren vervolgens de enige Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland die niet voor 1961 werden vrijgelaten.
In de daaropvolgende decennia werden er pogingen ondernomen om hen vrij te krijgen. Deze inspanningen werden gesteund door de West-Duitse regering. De gratieverzoeken vielen samen met een toenemend bewustzijn van de Tweede Wereldoorlog en de psychologische impact op slachtoffers in Nederland. Verschillende ministers van Justitie wezen de verzoeken af, nadat voorstellen tot vrijlating hadden geleid tot publieke protesten en emotionele debatten in het parlement. De controverse bereikte een hoogtepunt in 1972.[1]
Lages werd in 1966 om medische redenen vrijgelaten en overleed vijf jaar later in West-Duitsland. Kotalla stierf in 1979 in de gevangenis. In 1987 werden Aus der Fünten en Fischer de laatste Duitse oorlogsmisdadigers in Europa die sinds 1945 onafgebroken gevangen zaten. Op 27 januari 1989 kregen zij gratie, waarna zij Nederland werden uitgezet. Beiden stierven later datzelfde jaar in West-Duitsland.
Misdaden en vonnissen
[bewerken | brontekst bewerken]De Vier van Breda behoorden tot de 240-242[2] Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland als onderdeel van de bijzondere rechtspleging berecht werden voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.[1] Achttien Duitsers, waaronder de Vier van Breda, werden ter dood veroordeeld, een straf die Nederland voor de bijzondere rechtspleging herinvoerde.[a][3]
Franz Fischer
[bewerken | brontekst bewerken]
Franz Fischer (geboren 1901) werd in november 1940 overgeplaatst naar het Judenreferat IV B4 in Den Haag. Hoewel Wilhelm Zoepf het hoofd was, was Fischer in de praktijk dagelijks verantwoordelijk voor de deportatie van 13.000 Joden en het opsporen van ondergedoken Joden. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem op 17 maart 1949 tot een levenslange gevangenisstraf. Het gerechtshof zag af van de doodstraf, omdat volgens het gerechtshof zijn persoonlijkheidsstoornis zijn verantwoordelijkheid verminderde en zijn antisemitische overtuigingen voortkwamen uit langdurige blootstelling aan propaganda. De Bijzondere Raad van Cassatie vernietigde dit oordeel op 12 juli 1950 en veroordeelde hem ter dood.[4]
Willy Lages
[bewerken | brontekst bewerken]
Willy Lages (geboren in 1901) werd na de Februaristaking in 1941 hoofd van het Amsterdamse kantoor van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst in Amsterdam, evenals hoofd van het Centraal bureau voor Joodse emigratie in Amsterdam.[5] Hij was verantwoordelijk voor anti-Joodse maatregelen, waaronder razzia's en deportaties van 70.000 Joden. Hij was betrokken bij executies, waaronder van Hannie Schaft[6] en binnen Aktion Silbertanne.[7] Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem op 20 september 1949 ter dood, wat de Bijzondere Raad van Cassatie op 12 juli 1950 bevestigde.[8]
Ferdinand aus der Fünten
[bewerken | brontekst bewerken]Ferdinand aus der Fünten (geboren in 1909) trad in september 1941 toe tot het Centraal bureau voor Joodse emigratie in Amsterdam. Hij werd uiteindelijk plaatsvervangend hoofd onder Lages, waardoor hij dagelijks verantwoordelijk was voor de deportaties in Amsterdam. Hij was betrokken bij de ontruiming van verschillende instellingen, waaronder Het Apeldoornsche Bosch.[9] Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem in december 1949 tot levenslange gevangenisstraf, maar de Bijzondere Raad van Cassatie vernietigde dit oordeel op 12 juli 1950 en veroordeelde hem ter dood.[10]
Joseph Kotalla
[bewerken | brontekst bewerken]
Joseph Kotalla (geboren in 1908) werd in februari 1941 aangesteld als bewaker in de Politiegevangenis in Scheveningen.[11] In september 1941 werd hij overgeplaatst naar Kamp Amersfoort als straf voor het mishandelen van een gevangene in een cel.[12] Desondanks maakte Kotalla carrière in het kamp en begin 1943 werd hij hoofd van de administratie en de facto plaatsvervangend commandant.[13] Door zijn harde en gewelddadige behandeling van gevangenen kreeg de bijnaam 'Beul van Amersfoort'.[14] Hij was betrokken bij 78 executies.[b][15] Zowel het Bijzonder Gerechtshof als de Bijzondere Raad van Cassatie veroordeelde hem ter dood.[16]
Omzetting in levenslange gevangenisstraf (1951-1952)
[bewerken | brontekst bewerken]Ondanks de publieke steun voor de doodstraf, vreesde het kabinet-Schermerhorn-Drees dat te veel executies een negatieve impact op de samenleving zouden hebben. In februari 1946 nam het kabinet geheime richtlijnen voor gratie aan. Hierin stond welke categoriëen veroordeelden in aanmerking kwamen voor gratie of executie.[17] In januari 1947 voegde minister van Justitie Johannes Henricus van Maarseveen van de Katholieke Volkspartij (KVP) de meest ernstige Duitse oorlogsmisdadigers toe als een categorie die in aanmerking kwam voor executie.[18] Het ruimere gratiebeleid kreeg kritiek van de rechterlijke macht, koningin Wilhelmina – die in 1947 tijdelijk weigerde haar handtekening onder gratieverleningen te zetten – en verschillende partijen in het parlement.[19]
Duitse steun
[bewerken | brontekst bewerken]Ondertussen ontstond er in West-Duitsland een lobby voor oorlogsmisdadigers, die eufemistisch 'krijgsgevangenen' werden genoemd. Deze steun werd geïnitieerd door de kerken, in het geval van de Vier van Breda voornamelijk de protestantse kerk.[20] Aan de kerken gelieerde organisaties boden juridische bijstand, die de overheid vanaf 1948 subsidieerde.[21] Met name de kerkvoorzitter van de Evangelische Kerk van de Palts, Hans Stempel, was actief. Hij bezocht de gevangenen met Kerstmis 1951 en behartigde hun belangen. In maart 1952 protesteerde Otto Dibelius, voorzitter van de Evangelische Kerk in Duitsland, in een brief aan de Nederlandse premier Willem Drees tegen de doodstraffen. Hij vroeg om omzetting naar levenslange gevangenisstraf.[22]
In 1949 richtte de West-Duitse regering de Zentrale Rechtsschutzstelle (Centraal Bureau voor Rechtsbijstand) op om de rechtsbijstand aan Duitse gevangenen in het buitenland te coördineren. De West-Duitse regering probeerde de uitvoering van de doodstraf te voorkomen.[23] Op 25 maart 1950 vroeg de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer (CDU) de voorzitter van de Geallieerde Hoge Commissie, André François-Poncet, om de Nederlandse regering te verzoeken af te zien van de doodvonnissen.[24] Via diplomatieke kanalen bleef de West-Duitse regering de daaropvolgende decennia de vrijlating van de Duitse oorlogsmisdadigers aankaarten.[25]
Als derde beweging ontstond er in West-Duitsland een lobby van "oude kameraden" die zich inspande voor de vrijlating van Duitse gevangenen.[26] De grootste groep was Verband der Heimkehrer, Kriegsgefangenen und Vermisstenangehörigen Deutschlands (Verbond van thuisgekeerden, krijgsgevangenen en nabestaanden van vermisten van Duitsland, VdH). Ze vroegen zowel aan het publiek als bij de overheid aandacht voor Duitse gevangenen in Nederland en leden riepen op tot een boycot van Nederlandse producten.[27] De Stille Hilfe spande zich eveneens in voor vrijlating, maar was tevens een ontmoetingsplek voor voormalige hoge SS-officieren.[28] Ook kerkvoorzitter Stempel was hier vanaf 1952 bestuurslid.[29] Nog een groep die zich voor vrijlating inspande was de HIAG, exclusief bestaande uit voormalige Waffen-SS-leden.[30]
Fischer en Aus der Fünten
[bewerken | brontekst bewerken]
In 1948 volgde Juliana haar moeder op als koningin. Juliana had gewetensbezwaren tegen de doodstraf en weigerde enkele gratieverzoeken af te wijzen, ondanks aandringen vanuit het kabinet.[31] Minister van Justitie Teun Struycken (KVP) bereikte een compromis met Juliana. De doodstraf werd alleen uitgevoerd als zowel het eerste proces bij het hof als de cassatie resulteerden in een doodvonnis. Als gevolg hiervan werden de straffen van Aus der Fünten en Fischer in januari 1951 omgezet in levenslange gevangenisstraf, terwijl Julius Herdtmann[c] werd geëxecuteerd.[33]
De omzetting riep verontwaardiging op, met name onder het voormalig Nederlandse verzet en Joodse organisaties. Op 22 mei 1951 interpelleerde Kamerlid Benno Stokvis van de Communistische Partij van Nederland de opvolger van Struycken, Hendrik Mulderije van de Christelijk Historische Unie (CHU), over het gratiebeleid. Stokvis bekritiseerde samen met de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de CHU het beleid. Een grote meerderheid, geleid door KVP en Partij van de Arbeid (PvdA), verzette zich tegen een motie van Stokvis om de gratieregels te publiceren. Een meerderheid steunde echter een motie van Leen Donker (PvdA), waarin bezorgdheid werd uitgesproken over de mogelijke omzetting van levenslange straffen in tijdelijke.[34]
Kotalla
[bewerken | brontekst bewerken]Tijdens de rechtszaak van Kotalla was de vraag of hij verminderd toerekeningsvatbaar was.[16] Na zijn cassatie werden aanvullende psychiatrische evaluaties uitgevoerd, waarbij een dwangstoornis werd vastgesteld als gevolg van hersenletsel opgelopen op negenjarige leeftijd.[35] Mulderije besloot daarom in december 1951 om de straf te verminderen tot levenslange gevangenisstraf vanwege verminderde toerekeningsvatbaarheid.[36]
Lages
[bewerken | brontekst bewerken]
Lages vroeg direct na zijn cassatie in juli 1950 om gratie. Beide rechtbanken waren tegen gratie, maar het duurde tot september 1951 voordat het Bijzonder Gerechtshof tot deze conclusie kwam. De schuld voor deze vertraging werd gelegd bij de hoofdofficier van justitie, die de verwerking van het verzoek hinderde en Lages gebruikte voor zijn eigen onderzoek naar misstanden in kampen voor politieke gevangenen.[37] Juliana was tegen zijn executie, terwijl Mulderije weigerde de gratie goed te keuren. Beiden dreigden met aftreden.[38] Omdat geen van beiden toegaf, werd het besluit uitgesteld tot na de Tweede Kamerverkiezingen van 25 juni 1952. In het kabinet-Drees II werd Donker minister van Justitie.[39]
De lange tijd tussen zijn vonnis en de executie werd de hoofdreden voor Donker om de straf van Lages om te zetten in levenslange gevangenisstraf op 29 september 1952.[40] De beslissing om de straf van Lages om te zetten leidde tot sociale onrust. In Amsterdam protesteerden 15.000 tot 20.000 demonstranten op 12 oktober 1952 tegen het besluit.[41] Donker maakte in het parlement het voorbehoud dat er, voor zover hij betrokken was, geen sprake zou zijn van een tweede gratie in deze uitzonderlijke categorie. Hij zei ook dat naar zijn mening ministeriële verantwoordelijkheid gold voor gratiebeslissingen. Dat betekende volgens hem dat een dergelijke beslissing zou worden beïnvloed door het parlement en dus de samenleving.[42]
De laatste vier (1960-1965)
[bewerken | brontekst bewerken]
Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 was een levenslange gevangenisstraf in Nederland altijd omgezet (meestal na vijftien tot zeventien jaar). Voormalig minister Struycken verklaarde later dat hij verwachtte dat de omgezette doodstraf een maximum van twintig jaar gevangenisstraf zou betekenen.[45] Bovendien wilde de Nederlandse regering de oorlog achter zich laten door middel van gratie, onder andere om controversiële debatten over Nederlandse collaboratie te vermijden.[46] Dit leidde tot de vrijlating van de laatste Duitse oorlogsmisdadigers in 1961, met uitzondering van de Vier van Breda.[47] Ook de vijf andere Duitse gevangenen die aanvankelijk ter dood waren veroordeeld,[d] waren in betrekkelijke stilte tussen december 1958 en mei 1960 vrijgelaten.[3]
Er waren een aantal redenen waarom de Vier van Breda niet rond dezelfde tijd vrijgelaten werden: hun zaken hadden de publieke opinie beroerd direct na de oorlog en hun eerste gratiëring had al geleid tot publiek en parlementair protest tegen verdere gratiëring.[51] Daarnaast nam de publieke interesse in de Tweede Wereldoorlog begin jaren 1960 toe,[52] met het Eichmann-proces (1961), de publicatie van Jacques Pressers boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (1965) en de uitzending van Loe de Jongs televisieserie De bezetting (1960-1965).[53]

Tijdens een debat in 1959 in de Tweede Kamer zei minister van Justitie Albert Beerman (CHU) dat de Vier in aanmerking zouden komen voor gratie en benadrukte dat dit een prerogatief van de Kroon was.[54] Aangemoedigd door Beerman pleitten progressieve strafrechtdeskundigen Jacob Maarten van Bemmelen en Willem Pompe in 1963 in het Nederlands Juristenblad voor vrijlating.[55] De publiciteit had een averechts effect en leidde tot publieke verontwaardiging, waardoor Beerman afzag van gratie.[56]
Voormalige voorzitters van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD) Frans Duynstee en Jaap le Poole schreven een reactie ter ondersteuning van het artikel van Pompe en Van Bemmelen een maand na de publicatie. Le Poole, die actief was geweest in het verzet en een voormalig PvdA-Kamerlid was, zette zich achter de schermen in om invloedrijke personen te overtuigen van gratie. Hij stelde de Duitse kerkvoorzitter Stempel voor aan verschillende Nederlandse journalisten en politici.[57]
Een maand na Van Bemmelen en Pompe pleitte ook de bisschop van het bisdom 's-Hertogenbosch, Wilhelmus Marinus Bekkers, publiekelijk voor gratie. In september 1964 ontmoette de hulpbisschop van het aartsbisdom Keulen, Wilhelm Cleven, Beermans opvolger Ynso Scholten om namens het Duitse episcopaat te pleiten voor de vrijlating van de Vier van Breda. Scholten vond dat ze niet de rest van hun leven in een Nederlandse gevangenis konden blijven, maar zag onvoldoende steun in het parlement. Hij wees daarom hun gratieverzoeken op 24 oktober 1964 af.[58]

Le Poole had enig succes met Ivo Samkalden (PvdA), die op 14 april 1965 minister van Justitie was geworden. Hij verwierp collectieve gratie, maar stond open voor individuele gratie, met name voor Kotalla gegeven zijn psychiatrische evaluaties.[59] Ondertussen had ook de Hoge Raad zijn advies over gratie voor Kotalla gewijzigd, van negatief in 1960 tot positief in 1962 en 1963. De publieke opinie en de mening van NIOD-historicus Ben Sijes dat vrijlating de vervolging van oorlogsmisdadigers in West-Duitsland en Oostenrijk zou kunnen hinderen, weerhielden Samkalden ervan gratie te verlenen.[60] Samkalden wilde ook wachten tot na het controversiële huwelijk tussen de Nederlandse kroonprinses Beatrix en de Duitse Claus van Amsberg in maart 1966.[61]
Strafonderbreking van Lages (1966)
[bewerken | brontekst bewerken]
In mei 1966 werd Lages in het ziekenhuis opgenomen met darmkanker en artsen verwachtten niet dat hij de operatie zou overleven. Nadat Le Poole dit onder de aandacht bracht van minister Samkalden, verleende Samkalden een opschorting van zijn straf voor drie maanden om behandeling in West-Duitsland te ontvangen. Hij werd overgebracht naar een ziekenhuis in Braunlage op 9 juni 1966.[62]
Het voormalige verzet en oorlogsslachtoffers reageerden ontevreden. Een demonstratie van 150 mensen vond plaats in Amsterdam. Er was ook opschudding binnen Samkaldens eigen partij, waarbij enkele Joodse leden ongeloof uitten dat de Joodse Samkalden deze beslissing had genomen. Ondanks de onrust accepteerden de coalitiepartijen het besluit.[63]

Minder dan een maand later werd Samkalden geïnformeerd dat Lages geen kanker had, maar een ernstige darmobstructie als gevolg van polyarteritis nodosa.[64] Dit was levensbedreigend, maar niet acuut dodelijk. Hij kon Lages niet opnieuw gevangenzetten vanwege de medische toestand van Lages en het feit dat de West-Duitse grondwet uitlevering niet toestond. 2.000 demonstranten kwamen naar een nieuwe protestactie in Amsterdam. Tijdens een debat in de Tweede Kamer op 4 oktober 1966 behield Samkalden de steun van de coalitiepartijen en de CHU.[65] Lages werd in november 1966 uit het ziekenhuis ontslagen, maar bleef in Braunlage, waar hij in 1971 overleed.[66]
Voorstel voor voorwaardelijke invrijheidstelling (1969)
[bewerken | brontekst bewerken]De controversiële vrijlating van Lages bemoeilijkte de gratieverlening aan de andere Drie, met name aan Kotalla, die aan een hartaandoening leed. De West-Duitse regering staakte haar tussenkomst een tijd. In juni 1967 diende hun advocaat nieuwe gratieverzoeken in. Op verzoek van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Willy Brandt (SPD) bracht de minister van Justitie van Noordrijn-Westfalen, Josef Neuberger (SPD), de vrijlating ter sprake tijdens een ontmoeting eind 1967 met de nieuwe Nederlandse minister van Justitie Carel Polak (VVD).[67]

Polak gaf de voorkeur aan het wijzigen van het Wetboek van Strafrecht om voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk te maken voor hen die tot levenslange gevangenisstraf waren veroordeeld na twintig jaar.[68] Op deze manier was het proces transparant en met betrokkenheid van het parlement.[3] In overleg met de ministerraad peilde hij in augustus 1969 vertrouwelijk de meningen van de fractievoorzitters. Ondanks verdeeldheid binnen de Kamerfracties steunde een meerderheid van 85 leden het voorstel.[68]
Het vertrouwelijke overleg lekte uit, wat leidde tot maatschappelijke onrust, met name onder voormalige verzetsgroepen en Joodse gemeenschappen.[69] Aan de andere kant waren er ondersteuningen; kerken en rehabilitatieverenigingen pleitten voor vrijlating,[69] en de vier Bureaus voor Geestelijke Volksgezondheid betoogden dat detentie van de Drie geen verdriet voor slachtoffers verlichtte.[70] Ondanks parlementaire steun trok Polak op 29 september 1969 zijn voorstel in.[71]
Debat van 1969
[bewerken | brontekst bewerken]
Op 21 oktober 1969 kwam de kwestie ter sprake in de Tweede Kamer tijdens de begrotingsbehandeling van Justitie.[72] Kamerlid Theo van Schaik (KVP), een voormalige student van Pompe,[73] had zijn voornemen aangekondigd om een motie in te dienen waarin hij het kabinet opriep het wetsvoorstel in te dienen, ondanks de pogingen van Polak om hem daarvan af te brengen.[68] Tijdens het debat betoogde Van Schaik dat het wetsvoorstel juridische gelijkheid bood. Hij stelde ook dat de Nederlandse bevolking leed onder de aanwezigheid van de Drie en dat levenslange gevangenisstraf het rechtvaardigheidsgevoel binnen het rechtssysteem vertroebelde. Als laatste argument vond hij het onaanvaardbaar dat de Drie herhaaldelijk met hoop werden gevuld om vervolgens zonder vooruitzicht te worden afgewezen. Na dit laatste argument braken er luide uitbarstingen uit op de publieke tribune en werd het debat onderbroken.[72]
In het debat kreeg de motie kritiek van diverse Kamerleden. Een punt van kritiek was dat de motie de commotie, die het zelf aanwakkerde, als argument gebruikte. Een ander punt was dat een algemene wettelijke wijziging werd gebruikt terwijl de kwestie specifiek over de Drie ging. Tijdens de tweede termijn van het debat overtuigde Polak Van Schaik ervan de motie in te trekken. Volgens Van Schaik was de weerstand te groot.[74] Polak wees vervolgens de gratieverzoeken af.[75]
Hoogtepunt van het publieke debat (1971-1972)
[bewerken | brontekst bewerken]
In 1971 trad Dries van Agt (KVP) aan als minister van Justitie. Binnen het veld van het strafrecht werd hij als progressief beschouwd. Tijdens zijn eerste ontmoeting met journalisten gaf hij aan dat hij van plan was de Drie van Breda vrij te laten. In wat hij later zelfspot noemde, merkte Van Agt op dat het voor hem als "ariër" waarschijnlijk moeilijker zou zijn dan voor zijn voorganger. Deze opmerking veroorzaakte onmiddellijk verontwaardiging.[76]
Tijdens een debat in oktober 1971 beloofde Van Agt dat hij de Tweede Kamer zou raadplegen voordat hij de drie zou vrijlaten.[77] Later betreurde hij deze belofte.[78] Na positief en unaniem advies van de rechterlijke macht, wilde het kabinet gratie verlenen. Het kabinet raadpleegde de fractievoorzitters, waaruit bleek dat een meerderheid vrijlating steunde.[79] Op 16 februari 1972 stuurde het kabinet een brief over de intentie naar de Kamer.[80]

Het voorstel tot vrijlating werd gedaan tijdens een periode van toenemende aandacht voor het lijden van oorlogsslachtoffers. Deze aandacht kwam deels door het onderzoek van psychiater Jan Bastiaans en zijn documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil? (1969).[81] Het plan om hen vrij te laten kreeg uitgebreide media-aandacht en riep sterke emoties op.
Oorlogsslachtoffers en voormalige verzetsstrijders richtten een overkoepelende organisatie op, de Centrale Organisatie van Voormalige Verzetsstrijders en Slachtoffers 1940-1945 (COVVS), met als primaire doel het voorkomen van de vrijlating van de Drie van Breda.[82] Bij deze inspanning werkten zowel communistische als niet-communistische verzetsorganisaties samen na decennia van rivaliteit.[83] Er was ook druk uit het buitenland, waarbij het Israëlische kabinet bezwaar maakte tegen vrijlating.[84] Veel parlementariërs ontvingen telefoontjes thuis, waaronder bedreigingen, en Van Agt moest met zijn gezin onderduiken.[84]
Publieke hoorzitting
[bewerken | brontekst bewerken]
Hoewel het kabinet had gehoopt dat de Tweede Kamer zou afzien van een pijnlijke discussie, werd een hoorzitting geïnitieerd door Anneke Goudsmit (D'66). De doorslaggevende factor was Goudsmits opmerking dat slachtoffers nooit de gelegenheid hadden gekregen om het lijden dat ze hadden ondergaan in het parlement aan de orde te stellen.[85] Een dag voor de hoorzitting werd de tv-documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil? vertoond aan Kamerleden, wat velen van hen deed twijfelen vanwege het leed van oorlogsslachtoffers. Drie dagen later werd de documentaire uitgezonden op de nationale televisie.[86][87]
Tijdens de hoorzitting op 24 februari 1972 spraken vijftig sprekers namens 43 organisaties, waarvan de meerderheid tegen vrijlating was.[84] De hoorzitting was emotioneel, wat bleek uit de opschudding rond een toespraak van strafrechtgeleerde Louk Hulsman namens de vereniging voor strafrechtelijke hervorming, Coornhert-Liga. Nadat drie psychiaters, onder wie Bastiaans, betoogden dat het vrijlaten van de Drie van Breda negatieve gevolgen zou hebben voor de slachtoffers, pleitte Hulsman voor vrijlating. Toen hij zei dat het gevangen houden van de Drie van Breda de slachtoffers niet hielp, klonken er kreten van "Jawel" uit het publiek. De hoorzitting werd onderbroken omdat er dreiging was van fysiek geweld onder de toeschouwers.[88]
Debat van 1972
[bewerken | brontekst bewerken]
De hoorzittingen en het publieke debat overtuigden een aanzienlijk aantal Kamerleden om tegen de vrijlating te stemmen. Ondanks de tegenstand wilde Van Agt doorgaan. Volgens hem was de uitwijzing van de Drie verkiesbaar boven het herhaaldelijk openrijten van wonden die slechts gedeeltelijk waren geheeld.[84] Op 29 februari 1972 duurde het debat over de vrijlating dertien uur. Naarmate het debat vorderde, was er steeds meer applaus en geroep van de publieke tribune. De Kamer nam met een meerderheid van 85 stemmen tegen over 61 een motie aan van Joop Voogd (PvdA), die het kabinet opriep de gevangenen niet vrij te laten. Een groot aantal partijen was verdeeld in hun stemgedrag.[89]
Regeringsverklaring
[bewerken | brontekst bewerken]
Op 3 en 4 maart besprak het kabinet de uitkomst van het debat. Onder anderen de ministers Kees Boertien (ARP), Van Agt, Piet Engels en Pierre Lardinois (beiden KVP) wilden dat het kabinet doorging met het verlenen van gratie. Anderen, waaronder Norbert Schmelzer (KVP) en Hans de Koster (VVD), waren tegen. Molly Geertsema (VVD), die altijd tegen vrijlating was geweest, dreigde volgens De Tijd zelfs met ontslag als ze werden vrijgelaten. Het oorspronkelijke voorstel was om Fischer vrij te laten, het gratieverzoek van Kotalla in behandeling te houden en dat van Aus der Fünten af te wijzen. Vanwege bezwaren werd dit plan heroverwogen.[90]
Uiteindelijk presenteerde het kabinet op 4 maart een verklaring waarin het afzag van de collectieve vrijlating. Het kabinet benadrukte dat het zich het recht voorbehield om op individuele basis gratie te verlenen. Het kondigde aanvullende onderzoeken aan naar de fysieke en geestelijke toestand van de gedetineerden. In geval van gratieverlening verklaarde het kabinet dat het advies zou inwinnen bij deskundigen, waaronder personen die vertrouwd worden in kringen van verzetsleden en vervolgden.[91] Het debat over de vrijlating droeg daarnaast bij aan voorzieningen voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.[92]
Om advies te krijgen van verzetsleden en vervolgden werd een 'vertrouwenscommissie' opgericht met een delegatie van zeven leden van COVVS. Deze commissie, waarvan de samenstelling in de loop van de tijd veranderde, bestond in het begin uitsluitend uit tegenstanders van de vrijlating, waaronder Hans Teengs Gerritsen (voorzitter) en Herman Milikowski. Naast het overheidsonderzoek benoemden ze hun eigen medisch deskundige, Hans Hers, om de gezondheidstoestand van de gedetineerden te bepalen.[93]
Kotalla's ziektebed en overlijden (1973-1979)
[bewerken | brontekst bewerken]
Op 30 oktober 1973 kreeg Kotalla een hersenbloeding, wat resulteerde in gedeeltelijke verlamming.[94] Zijn gezondheid verslechterde verder door een longembolie die hij in het ziekenhuis opliep, waardoor ambtenaren en de minister dachten dat hij het niet zou overleven. Hers bezocht Kotalla in het ziekenhuis en concludeerde dat hoewel Kotalla in slechte staat verkeerde, hij nog niet in de stervensfase was.[95] De vertrouwenscommissie bleef tegen vrijlating, hoewel ze het zouden begrijpen als de minister daartoe besloot. Vanwege een gebrek aan steun zag Van Agt van gratie af.[96]
Aan Duitse zijde was de beroerte een reden voor hernieuwde druk. Priester Ernst Wilms, die pleitte voor de laatste gevangen Duitse oorlogsmisdadigers in Europa, stuurde een telegram naar het ministerie waarin hij aandrong op vrijlating van de Drie. De Duitse ambassadeur in Nederland, Adolf Max Obermayer, drong ook aan op vrijlating, maar zonder succes.[97]
Pas in december 1974 werd Kotalla uit het ziekenhuis teruggebracht naar Breda, een verhuizing waar hij zelf op had aangedrongen, deels door een hongerstaking. Zijn advocaat Nouwen diende een verzoek in voor een voorlopige voorziening, waarbij hij onder andere betoogde dat voortgezette detentie van Kotalla onmenselijk was. Toen dit mislukte, ging hij in beroep tot aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat het verzoek ook afwees.[98]

In de daaropvolgende jaren bleef Kotalla's fysieke en geestelijke gezondheid achteruitgaan.[99] Een gevangenisarts concludeerde rond juni 1979 dat Kotalla's dood nabij was. De nieuwe minister van Justitie, Job de Ruiter (CDA), maakte voorbereidingen voor vrijlating en stuurde Hers om Kotalla te bezoeken op 6 juli 1979. Hers vertelde de vertrouwenscommissie dat hij niet wist hoe lang Kotalla nog zou leven, maar dat hij niet in direct levensgevaar verkeerde. Op basis hiervan was de vertrouwenscommissie tegen vrijlating omdat hij niet "in de ogen des doods" verkeerde. Zonder hun steun vond De Ruiter het vrijlaten van Kotalla politieke zelfmoord, dus hij besloot niet door te gaan.[100]
In de volgende weken verslechterde Kotalla's gezondheid verder. Ondanks de smeekbeden van zijn verzorgers werd Kotalla noch heronderzocht noch vrijgelaten. Op 31 juli 1979 stierf Kotalla in de gevangenis.[101] Hij was de enige veroordeelde Duitse oorlogsmisdadiger die in Nederlandse gevangenschap stierf.[102]
Vrijlating (1982-1989)
[bewerken | brontekst bewerken]In 1982 werd Frits Korthals Altes (VVD) minister van Justitie. Net als zijn partij was hij tegen vrijlating. Zijn tactiek was om het onderwerp van de Twee van Breda zo min mogelijk aan te snijden om onrust onder slachtoffers te voorkomen. Toch was er publiciteit, vooral toen de Bundestag in 1982 een motie aannam, ingediend door Alois Mertes (CDU), die opriep tot vrijlating van Fischer en Aus der Fünten. De Duitse regering voerde dit op advies van de West-Duitse ambassadeur in Nederland, Otto von der Gablentz, niet uit en onthield zich grotendeels van het aankaarten van de zaak. Daarmee wilde het land het Nederlandse voormalige verzet ervan overtuigen dat er geen Duitse druk was.[103]
Groep van negentien
[bewerken | brontekst bewerken]
Op de achtergrond zette met name Bib van Lanschot zich in voor vrijlating. In 1987 liet hij Fischer en Aus der Fünten een brief sturen aan fractievoorzitters, verschillende ministers en verzetsorganisaties. De vertrouwelijke brief lekte uit en leidde tot negatieve of afwijzende reacties, waarna Van Lanschot concludeerde dat dit niet de juiste aanpak was.[104]
Van Lanschot was betrokken bij het Verzetsherdenkingskruis, om de eenheid binnen het voormalige verzet te bevorderen buiten de oppositie tegen de vrijlating van de Twee van Breda. Rond het comité ontstond een groep van prominente figuren, waaronder verzetsstrijders en politici, die wilden werken aan de vrijlating van de Twee.[105] Sommigen van hen, zoals Teengs Gerritsen en Hers, hadden hun mening over de vrijlating veranderd naarmate de tijd vorderde.[106] Hiertoe stelden ze een brief op, die ze op 5 juli 1988 aanboden aan Korthals Altes en minister-president Ruud Lubbers.[e] Ze wezen er onder andere op dat Nederland het laatste land was waar Duitse oorlogsmisdadigers sinds 1945 continu gevangen waren gehouden.[105]
Korthals Altes
[bewerken | brontekst bewerken]
Net voor het bezoek van de groep van negentien had Korthals Altes een onderzoek bevolen naar de medische toestand van de gevangenen vanwege zorgwekkende signalen. De medische specialisten concludeerden echter dat vrijlating om medische redenen niet noodzakelijk was. Na het onderzoek informeerde Korthals Altes de groep van negentien op 5 januari 1989 dat de vrijlating niet gemakkelijk te realiseren zou zijn.[108]

Toch besloot Korthals Altes om de fractievoorzitters te raadplegen over gratieverlening. Op 24 januari 1989 stuurde hij een brief naar de Tweede Kamer waarin hij zijn voornemen uitte om de Twee vrij te laten. Naast de brief van de groep van negentien, haalde hij de verwachting aan dat de discussie niet zou bedaren, wat betekende dat het doel om de slachtoffers te sparen niet zou worden bereikt.[109] In zijn memoires zei Korthals Altes daarnaast dat de individuele verzorging die zij in detentie ontvangen levensverlengend kon zijn, wat de slachtoffers evenmin spaarde.[108] Hij wilde, met instemming van de Kamer, de toezegging van 1972 herzien dat men gevangen niet gelijktijdig zou vrijlaten.[110]

De Kamer handelde snel zonder al te veel publiciteit. De Kamer hield een hoorzitting met vertegenwoordigers van slachtoffers en het verzet op donderdag 26 januari achter gesloten deuren. Diezelfde dag begon een tweedaags debat over de kwestie,[111] hoewel de Kamer normaal niet op vrijdagen debatteerde.[108] De argumenten die tijdens dit debat werden uitgewisseld, waren niet wezenlijk anders dan die in 1972,[111] hoewel ze minder emotioneel waren.[112] Een meerderheid van 85 tegenover 55 Kamerleden verwierp een motie ingediend door Ineke Haas-Berger (PvdA) om af te zien van gratieverlening behalve op individuele basis.[111] Enkele uren na het debat werden Fischer en Aus der Fünten als ongewenste vreemdelingen over de grens gezet.[113]
Nasleep
[bewerken | brontekst bewerken]West-Duitsland
[bewerken | brontekst bewerken]Op de dag van de vrijlating bedankte de West-Duitse president Richard von Weizsäcker het Nederlandse parlement voor de beslissing. Het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken prees de Nederlandse regering voor het gebruik van humanitaire redenen in haar beslissingen en voegde eraan toe dat Fischer en Aus der Fünten geen formeel welkom zouden ontvangen.[114] Fischer en Aus der Fünten ontvingen een federaal pensioen, nadat Fischers Noordrijn-Westfaalse pensioen was ingetrokken. Hun pensioen werd aangevuld met donaties, waaronder van Stille Hilfe.[115] Aus der Fünten stierf in april 1989 en Fischer stierf in september 1989.[113]
Nederland
[bewerken | brontekst bewerken]
Hoewel het politieke debat met de vrijlating eindigde, duurde de publieke verontwaardiging nog enige tijd voort.[117] Drie dagen na de vrijlating woonden meer mensen dan gebruikelijk de Auschwitzherdenking bij als protest.[116][118] Er was veel maatschappelijke discussie, vooral binnen het voormalige verzet, die zich richtte op de leden van de groep van negentien.[117]
Direct na het debat distantieerde Teengs Gerritsen zich van de groep van negentien. Hij zei dat hij het niet met alles in de brief eens was en dat zijn intentie uitsluitend was om verdere schade aan de slachtoffers te voorkomen.[119] Abel Herzberg, een overlevende van de Holocaust en jurist die pleitte voor vrijlating, twijfelde achteraf:[120]
"Toen ik terugkwam uit Bergen-Belsen, toen ik thuiskwam, toen leefden onze drie kinderen nog. Dat is zo'n vreugde, dat vaagt zoveel ellende weg... Maar als je nou thuis was gekomen en je kinderen leefden niet meer? Daar kan je toch niet overheen komen? Voor die mensen is dit, deze vrijlating, toch niet te verdragen? Daarom weet ik niet of dit nou wel moest, ik weet niet of ik wel gelijk had met al dat gepraat van mij."
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]- Rudolf Hess, Duitse oorlogsmisdadiger die tot zijn zelfmoord in 1987 gevangen zat in West-Duitsland
- Erich Koch, Duitse oorlogsmisdadiger die tot zijn dood in 1986 gevangen zat in Polen
- Walter Reder, Oostenrijkse oorlogsmisdadiger die tot 1985 gevangen zat in Italië
Bronnen
[bewerken | brontekst bewerken]- (en) Bohr, Felix (2017). A »Burden« from the Second World War? The »Breda Four« and their Effect on German-Dutch Relations. Francia 44: 415-424. DOI: 10.11588/fr.2017.0.69095.
- (de) Bohr, Felix (2018). Die Kriegsverbrecherlobby: Bundesdeutsche Hilfe für im Ausland inhaftierte NS-Täter. Suhrkamp Verlag, Berlin. ISBN 978-3-518-42840-5.
- Van der Heiden, Peter, Leenders, Marij, De Lijser, Suzanne (2012), 'Nieuwe tijden, nieuwe normen: Liberalisatie en modernisering van familie- en strafrecht', in: Polarisatie en hoogconjunctuur: Het kabinet-De Jong 1967-1971, Boom. ISBN 978-94-6105-509-5.
- Hoving, Richard (2019). De beul van Amersfoort: Biografie van Josef Kotalla (1908-1979). Prometheus, Amsterdam. DOI:10.33612/diss.97976051. ISBN 978-90-446-3723-6.
- Van Kessel, Alexander, Adriaanse, Mirjam, Leenders, Marij, Verberne, Teun (2010), 'Immateriële zaken: Bijlmer - Numerus clausus - Oorlogsdossiers in: Rondom de Nacht van Schmelzer: De kabinetten-Marijnen, -Cals en -Zijlstra 1963-1967, Boom. ISBN 978-94-6105-362-6.
- Korthals Altes, Frits (2017). Zeven politieke levens. Herinneringen in dossiers. Boom, Amsterdam, "De twee van Breda (1982-1989)". ISBN 978-90-244-0944-0.
- Leenders, Marij (2007). Regeren zonder rood. Het kabinet-De Quay 1959-1963. Boom, Amsterdam, "Aarzeling op Justitie". ISBN 978-90-8506-354-4.
- Van Merriënboer, J.C.F.J., Bovend'Eert, P.P.T. (1992), 'Het rustige tuintje van rechter Wijers in: Het kabinet-Drees-Van Schaik (bd. B): Anticommunisme, rechtsherstel en infrastructurele opbouw, Gerard Noodt Instituut, Nijmegen. ISBN 90-71478-22-X.
- Van Merriënboer, Johan, Geurts, Emiel (2022), 'Oplopende emoties rondom oorlogskwesties, zedelijkheidsvraagstukken en softdrugs', in: Grote idealen, smalle marges: Een parlementaire geschiedenis van de lange jaren zeventig (1971-1982), Boom. ISBN 978-90-244-4399-4.
- Van Merriënboer, J.C.F.J. (1997), 'Het justitiebeleid van Mulderije: Een strijd voor geestelijke herbewapening in: Het kabinet-Drees II: In de schaduw van de Koreacrisis, GNI. ISBN 90-71478-51-3.
- Piersma, Hinke (2005). De drie van Breda: Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap, 1945-1989. Balans, Amsterdam. ISBN 978-90-5018-661-2.
- Van der Zee, Sytze (2023). Willi Lages: Ceremoniemeester van de dood. Prometheus, Amsterdam. ISBN 978-90-446-4454-8.
Noten
[bewerken | brontekst bewerken]- ↑ Vier van hen werden bij verstek veroordeeld en nooit gearresteerd.
- ↑ Omdat ze een slachtoffer over het hoofd zagen, werd hij alleen aangeklaagd en veroordeeld voor 77 executies.
- ↑ Herdtmann was als leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Nederlanders in Duitsland betrokken bij de inzet van Nederlanders bij Duitse aanval op Nederland in 1940.[32]
- ↑ Dit waren Johann Friedrich Stöver,[48] Friedrich Bellmer,[49] Bernard Georg Haase,[49] Johannes Wilhelm Hoffmann en Ferdinand Frankenstein[50]
- ↑ De volledige lijst van ondertekenaars:[107] Peter Baehr, Dien Barendsen-Cleveringa, Wim Couwenberg, Christiaan Justus Enschedé, Frans Feij, Til Gardeniers-Berendsen, Hans Hers, C.C. van den Heuvel, Piet de Jong, Van Lanschot, Theo van Lier, W. Nijsse, Gerard Peijnenburg, Eric Roest, Ivo Samkalden, David Simons, Max van der Stoel, Hans Teengs Gerritsen, Wim Tensen. Jos Kapteyn, Minus Polak en Gerard Veringa waren ook betrokken, maar onthielden zich van ondertekening om een oververtegenwoordiging van leden van de Raad van State te voorkomen
Referenties
[bewerken | brontekst bewerken]- 1 2 Piersma 2005, p. 7.
- ↑ Piersma 2005, p. 205.
- 1 2 3 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 365.
- ↑ Piersma 2005, pp. 34-36; Bohr 2018, pp. 43-44.
- ↑ Piersma 2005, p. 39.
- ↑ Van der Zee 2023, pp. 356-365.
- ↑ Van der Zee 2023, pp. 259-275.
- ↑ Van der Zee 2023, pp. 398, 405; Piersma 2005, p. 39.
- ↑ Piersma 2005, p. 37.
- ↑ Bohr 2018, pp. 47-48.
- ↑ Hoving 2019, pp. 53-54.
- ↑ Hoving 2019, pp. 66-67.
- ↑ Hoving 2019, pp. 72-80.
- ↑ Hoving 2019, p. 103.
- ↑ Hoving 2019, pp. 95-100, 152.
- 1 2 Piersma 2005, p. 44.
- ↑ Piersma 2005, pp. 21-22; Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, p. 534.
- ↑ Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, pp. 534-535.
- ↑ Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, p. 535.
- ↑ Bohr 2018, pp. 59-60.
- ↑ Bohr 2018, pp. 64,78.
- ↑ Bohr 2018, pp. 63-64.
- ↑ Bohr 2018, p. 79.
- ↑ Bohr 2018, p. 86.
- ↑ Bohr 2018, p. 15.
- ↑ Bohr 2018, pp. 119-120.
- ↑ Bohr 2018, pp. 121-127.
- ↑ Bohr 2018, pp. 127-131.
- ↑ Bohr 2018, p. 65.
- ↑ Bohr 2018, pp. 132-139.
- ↑ Piersma 2005, pp. 55-56.
- ↑ Julius Herdtmann. oorlogsbronnen.nl. Geraadpleegd op 21 juni 2026.
- ↑ Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, pp. 538-539; Van Merriënboer 1997, p. 507.
- ↑ Van Merriënboer 1997, pp. 507-511; Piersma 2005, p. 48.
- ↑ Hoving 2019, p. 311.
- ↑ Van Merriënboer 1997, p. 514; Piersma 2005, p. 44.
- ↑ Piersma 2005, pp. 55-64.
- ↑ Daalder, Hans (2009). Drees en Soestdijk. Over de zaak-Hofmans en andere crises 1948–1958, ebook. Uitgeverij Balans, Amsterdam, "Drie problemen binnen de Kroon in 1951 en 1952". ISBN 978-94-6003-043-7.
- ↑ Van der Zee 2023, p. 414.
- ↑ Piersma 2005, p. 55, 64.
- ↑ Piersma 2005, p. 51.
- ↑ Piersma 2005, p. 65.
- ↑ Van Gool, Roy, Keiharde nazi's en andere oorlogsmisdadigers in Veenhuizen: 'Best een aardige vent'. RTV Drenthe (5 mei 2024).
- ↑ Vogelaar, L., Biografie van Willi Lages, een van de ”Vier van Breda”. Reformatorisch Dagblad (9 februari 2024).
- ↑ Hoving 2019, pp. 208-209, 359.
- ↑ Bohr 2017, p. 418.
- ↑ Hoving 2019, p. 290.
- ↑ Hoving 2019, p. 243.
- 1 2 Piersma 2005, p. 102.
- ↑ Bohr 2018, pp. 107, 439.
- ↑ Bohr 2018, p. 119.
- ↑ Bohr 2017, p. 419.
- ↑ Piersma 2005, p. 87.
- ↑ Piersma 2005, p. 66.
- ↑ Piersma 2005, p. 69.
- ↑ Piersma 2005, pp. 72-74; Van Kessel et al. 2010, p. 252.
- ↑ Piersma 2005, pp. 75-79.
- ↑ Bohr 2018, pp. 194-195; Piersma 2005, p. 78.
- ↑ Piersma 2005, p. 78.
- ↑ Piersma 2005, p. 81.
- ↑ Bohr 2018, pp. 200-201.
- ↑ Piersma 2005, p. 88; Van der Zee 2023, pp. 419-420.
- ↑ Van Kessel et al. 2010, pp. 253-256.
- ↑ Piersma 2005, p. 88; Van der Zee 2023, pp. 420-421.
- ↑ Van Kessel et al. 2010, pp. 256-258.
- ↑ Van Kessel et al. 2010, p. 258.
- ↑ Bohr 2018, pp. 207-208.
- 1 2 3 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 366.
- 1 2 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 365, 367-368.
- ↑ Piersma 2005, p. 98.
- ↑ Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, pp. 366-367; Piersma 2005, pp. 100-101.
- 1 2 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, pp. 368-369.
- ↑ Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 373.
- ↑ Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, pp. 370-371.
- ↑ Piersma 2005, p. 95.
- ↑ Piersma 2005, p. 110.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 545; Piersma 2005, p. 111.
- ↑ Piersma 2005, p. 112.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 545; Piersma 2005, p. 114.
- ↑ Piersma 2005, p. 113.
- ↑ Piersma 2005, p. 105.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 546; Piersma 2005, p. 123.
- ↑ Piersma 2005, p. 123.
- 1 2 3 4 Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 548.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 546; Piersma 2005, p. 115.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 546.
- ↑ Piersma 2005, p. 126.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, pp. 549-550.
- ↑ Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 549.
- ↑ Piersma 2005, pp. 135-136.
- ↑ Piersma 2005, p. 137.
- ↑ Piersma 2005, p. 141.
- ↑ Piersma 2005, p. 142.
- ↑ Hoving 2019, p. 281; Piersma 2005, p. 144.
- ↑ Hoving 2019, p. 282.
- ↑ Piersma 2005, pp. 144-145.
- ↑ Hoving 2019, pp. 271, 281-282.
- ↑ Hoving 2019, pp. 290-293.
- ↑ Hoving 2019, p. 296.
- ↑ Hoving 2019, pp. 298-302.
- ↑ Hoving 2019, pp. 301-302.
- ↑ Boek over ‘Beul van Amersfoort’: Josef Kotalla was gedoemd te sterven in gevangenschap. Algemeen Dagblad (24 oktober 2019).
- ↑ Piersma 2005, pp. 168-169.
- ↑ Piersma 2005, pp. 165-168.
- 1 2 Piersma 2005, pp. 170-173.
- ↑ Piersma 2005, pp. 179-186.
- ↑ Piersma 2005, p. 247.
- 1 2 3 Korthals Altes 2017, ch. "De twee van Breda (1982-1989)".
- ↑ Piersma 2005, p. 176; Bohr 2018, p. 359.
- ↑ Piersma 2005, p. 176.
- 1 2 3 Piersma 2005, pp. 176-179.
- ↑ Bohr 2018, p. 360.
- 1 2 Piersma 2005, pp. 188-189.
- ↑ Bohr 2018, p. 362.
- ↑ Bohr 2018, p. 363.
- 1 2 Auschwitz herdenking massaal protest. De Telegraaf (30 januari 1989) – via Delpher.
- 1 2 Piersma 2005, p. 179.
- ↑ Bohr 2018, p. 361.
- ↑ Piersma 2005, p. 181.
- ↑ Piersma 2005, p. 191.
Verder lezen
[bewerken | brontekst bewerken]- Mink, Ton (2005). De drie van Breda: ervaringen van een gevangenisbewaarder. Mijn Eigen Boek. ISBN 978-90-5974-078-5.