Drie van Breda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Vier van Breda)
Ga naar: navigatie, zoeken
Minister Dries van Agt tijdens het debat over de Drie van Breda (1972)

De Drie van Breda waren Duitse oorlogsmisdadigers die een levenslange gevangenisstraf uitzaten. Ze zaten gedetineerd in de koepelgevangenis van de Nederlandse stad Breda en waren de laatste Duitse oorlogsmisdadigers die in Nederland vastzaten. Het waren

Oorspronkelijk zaten er tientallen Duitse oorlogsmisdadigers in de Bredase gevangenis. Vanaf begin jaren zestig waren er dat nog vier (Vier van Breda). De vierde was

Lages kreeg in 1966 een strafonderbreking, maar keerde nooit terug naar Nederland. Na het overlijden van Kotälla werden de overgeblevenen aangeduid als de Twee van Breda. Fischer en Aus der Fünten werden op 27 januari 1989 vrijgelaten.

Levenslang[bewerken]

Na afloop van de Duitse bezetting van Nederland werden zij aanvankelijk ter dood veroordeeld, maar hun vonnis werd door gratie omgezet in levenslange gevangenisstraf. Het kabinet was tegen het omzetten van de doodstraf, maar koningin Juliana had ernstige gewetensbezwaren tegen het in uitvoering brengen van de doodstraf en verleende alsnog gratie. Minister van Justitie Teun Struycken ging er daarbij van uit dat dit tot vrijlating na twintig jaar zou leiden.[1]

Strafonderbreking en gratieverzoeken[bewerken]

Onder verantwoordelijkheid van minister van Justitie Ivo Samkalden kreeg Lages in 1966 strafonderbreking, omdat Nederlandse artsen meenden dat hij terminaal ziek was, hetgeen achteraf niet waar bleek te zijn. Na een darmoperatie in West-Duitsland leefde hij nog bijna vijf jaar in vrijheid.

Eind jaren zestig van de twintigste eeuw wilde de toenmalige minister van Justitie Carel Polak de drie overgebleven gevangenen vrijlaten, maar na advies van de Hoge Raad zag hij hiervan af. In 1972 ontstonden er opnieuw emotionele debatten. Minister van Justitie Dries van Agt had laten doorschemeren dat hij positief wilde reageren op een gratieverzoek van de Drie van Breda, mede omdat de Hoge Raad en de bijzondere strafkamer van de Rechtbank Amsterdam nu eenstemmig hadden geadviseerd gratie te verlenen.[2] De vrijlating werd afgeblazen na een door Anneke Goudsmit (D'66) bepleite hoorzitting en een heftig Kamerdebat, mede onder invloed van sterk en emotioneel verzet vanuit de samenleving, met name van verenigingen van oorlogsslachtoffers. Uiteindelijk werd het gratieverzoek afgewezen, na aanneming van de motie-Voogd in de Tweede Kamer.

Vrijlating[bewerken]

Op 31 juli 1979 overleed Kotälla in de Bredase gevangenis. Op 5 juli 1988 pleitten op initiatief van bankier en oud-verzetsman Bib van Lanschot negentien prominente Nederlanders in een schrijven aan premier Ruud Lubbers en minister van Justitie Frits Korthals Altes voor onmiddellijke vrijlating. De brief werd zonder daar ruchtbaarheid aan te geven persoonlijk overhandigd. Tot de ondertekenaars behoorden naast Van Lanschot onder meer oud-verzetsman Hans Teengs Gerritsen, oud-premier Piet de Jong, voormalig minister van Justitie Samkalden (inmiddels minister van staat) en andere eerdere tegenstanders van vervroegde vrijlating.

Op 27 januari 1989 werden de overgebleven twee vrijgelaten op instigatie van Korthals Altes. Hij kreeg hiervoor van de Tweede Kamer toestemming door een met 88 tegen 55 stemmen afgewezen PvdA-motie waarin werd gepleit om daarvan af te zien. Aan het begin van de Tweede Kamerdebatten over de voorgenomen vrijlating memoreerde Korthals Altes aan de brief van de 'groep van negentien'. Nog dezelfde dag dat de motie werd afgewezen, werden de twee oorlogsmisdadigers als ongewenste vreemdelingen in de buurt van Venlo over de grens gezet. Teengs Gerritsen zou vlak na de vrijlating spijt betuigen over het medeondertekenen van de brief.

Ook de schrijver en overlevende van het krijgsgevangenen- en concentratiekamp Bergen-Belsen Abel Herzberg pleitte publiekelijk voor de vrijlating. Herzberg was strafrechtdeskundige en nam een standpunt in dat geheel tegenovergesteld was aan dat van veel Nederlandse Joden in die tijd. De opstelling van Joodse tegenstanders van de vrijlating noemde hij vol van 'haat en vergelding' en hij benadrukte dat wraak op een dergelijke manier geen zin had. Overigens zou Herzberg later aangeven dat hij, nadat de laatste twee van Breda waren vrijgelaten, zelf ook twijfelde aan zijn eigen opstelling.[2]

Aus der Fünten en Fischer overleden beiden kort na hun vrijlating.

Portretten[bewerken]

Publicaties[bewerken]

  • Hinke Piersma: De drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap, 1945-1989. Amsterdam, Uitgeverij Balans, 2005. ISBN 9050186610
  • Harald Fühner: Nachspiel. Die niederländische Politik und die Verfolgung von Kollaborateuren und NS-Verbrechern, 1945-1989. Münster/New York, Waxmann, 2005. ISBN 3830914644