Naar inhoud springen

Viertorenkerk van Midwolda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Viertorenkerk van Midwolda
De kruiskerk op het zegel van het Wold-Oldambt dat ten minste vanaf 1347 in gebruik was
De kruiskerk op het zegel van het Wold-Oldambt dat ten minste vanaf 1347 in gebruik was
Locatie
Land Nederland
Regio Oldambt
Plaats Midwolda
Coördinaten 53° 13′ NB, 6° 60′ OL
Gewijd aan Johannes de Doper
Onderdeel van Terrein met resten van de Kruiskerk van Midwolda (Ol Kerke)Bewerken op Wikidata
Status en tijdlijn
Gebouwd in ca 1200
Monumentale status Rijksmonument
Monument­nummer 508081 
Afbeeldingen
De plaats waar de kerk gestaan heeft is nu een weiland
De plaats waar de kerk gestaan heeft is nu een weiland
Portaal  Portaalicoon   Christendom

De Viertorenkerk of kruiskerk van Midwolda, ook wel Ol Kerke genoemd, was een grote kruiskerk enkele kilometers ten noorden van het Groningse dorp Midwolda in het Oldambt. De kerk was blijkens het opschrift van een klok uit 1516 (nu in Uitwierde) gewijd aan Johannes de Doper.[noot 1] Om die reden wordt de kerk ook wel Sint-Janskerk genoemd.

De Viertorenkerk stond ten noorden van de boerderij Ol Kerke aan de Kerkelaan, net buiten de Dollarddijk van 1558. Deze plek werd op kaarten rond 1900 ook wel Oudekerk genoemd. De kerk was direct op het veen gebouwd. Het voormalige kerkhof ligt ruim 2 meter boven de zeespiegel, hoger dan het omringende land.

Ten oosten van de vroegere kerk bevind zich een diepe doorbraakkolk. Deze kolk ontstond vermoedelijk rond de Allerheiligenvloed (1570) of bij de naamloze zomervloed van augustus 1573.[1] De kolk wordt voor het eerst afgebeeld door landmeter Bontko Bennens in 1690.[2]

De middeleeuwse kerk werd in 1951 voor het eerst opgegraven onder leiding van de archeoloog Herre Halbertsma.[3] In 1994 werd het terrein opnieuw onderzocht onder leiding van Jan Molema. Daarbij werd een tweede sarcofaag blootgelegd.[4] In de omgeving van de kerk werd in 2012 – vanwege nieuw te bouwen boerderijen – nader veldonderzoek gedaan.

Het kerkgebouw staat ingetekend op verschillende 16e eeuwse kaarten, onder andere door Jacob van Deventer in 1545 en Christiaan Sgroten in 1592. Maar niet alle afbeeldingen blijken te kloppen. Zeekartograaf Lucas Janszoon Waghenaer zat er bijvoorbeeld helemaal naast (hij tekende een borg). Cornelius Adgerus tekent in 1587 twee boerderijen naast de kerk.[5] De Dollardkaart van Jacob van der Mersch uit 1574 is alleen in kopievorm bewaard gebleven. Hierop is ten zuidwesten van de kerk een groot steenhuis te zien. Het zou daarbij om de middeleeuwse pastorie kunnen gaan.[noot 2]

De kerk was opgetrokken uit baksteen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het een overwelfde, laat-romaanse basilica betrof, met een dwarsschip en een halfrond gesloten koor met een halfronde apsis. Het gebouw mat 58 meter (met de steunberen 62 meter). Het schip was buitenwerks 23 meter breed. Het dwarsschip mat ruim 34 bij 13 meter. Het imposante kerkgebouw was van verre zichtbaar.[6] Rond de kerk lag een brede gracht.

De kerk had vier torens, waaraan het gebouw zijn naam te danken had. De beide westelijke torens maakten deel uit van een stevig gefundeerd westwerk: een dubbeltorenfront, dat via een tussenportaal toegang gaf tot het schip van de kerk. Boven de ingang in dit westwerk bevond zich mogelijk een kapel of loge. De smallere hoektorens stonden tegen het dwarsschip bij de overgang naar het koor. Volgens een bericht van rond 1700 waren deze vier torens "tot boven toe van steen", dus met gemetselde torenspitsen of helmen, zoals de juffertorens van Schildwolde, Holwierde en Onstwedde.[7][8]

Vergelijkbare kerken

[bewerken | brontekst bewerken]

De kerk was groter dan de Groningse Martinikerk en was vergelijkbaar met de Mariakerk van Marienhafe[noot 3], zij het dat de Viertorenkerk soberder was uitgevoerd, mogelijk vanwege de invloed van de Cisterciënzers.[1] Dergelijke grote kerken worden verder alleen gevonden in stedelijke centra en grote kloosters.[9] Het westwerk van de kerk met zijn dubbele torens kon zich meten met de belangrijkste bisschops- en kapittelkerken van het Duitse Rijk.[1]

Kerken met vier (of meer) torens waren voornamelijk in bisschopssteden, bij kapittelkerken in het Rijnland en bij belangrijke benedictijnse abdijen als Cluny te vinden. Midwolda was een van de noordelijkste voorbeelden; in de wijde omgeving waren geen andere kerken met vier torens voorhanden en ook kerken met koorflanktorens (zoals oorspronkelijk in Bunde en Norden) waren dun gezaaid.[noot 4] Entreepartijen met dubbele torens waren eveneens te vinden in Leermens en vermoedelijk ook Emden, Jever, Norden (Andreaskerk, verdwenen), Sneek en Varel.

Het kerkgebouw was beladen met symboliek. De viertorenkerk werd waarschijnlijk gezien als een hemelse burcht die bescherming bood tegen boze machten.[10] Tegelijkertijd vormde hij een tastbaar symbool voor de gemeenschap waarmee men zich identificeerde.[11] Het draaide daarbij vooral om de ingangspartij met de flankerende westtorens. Het getal vier stond voor compleetheid, voor de vier ledematen, de vier seizoenen en de vier windrichtingen die tevens de vier onderdelen van ieder dorp representeerden. Daarnaast stond dit getal voor de kringen van verwanten, door men zich gesteund voelde en op wie men bij vetes een beroep kon doen.[12] Vermoed wordt wel dat de vier torens verwezen naar het Hemelse Jeruzalem en qua vormgeving aansloten bij de Rijnlandse domkerken van Bamberg, Keulen, Mainz, Speyer en Worms. Het westwerk had echter een meer publieke functie dan bij deze domkerken.[1]

Het belangrijkste voorbeeld voor de viertorenkerk was kennelijk de keizerlijke dom van Spiers, de grootste romaanse kerk van die tijd (sinds 1106 met vier torens).[13] Alleen al hierdoor werd de kerk tevens een symbool voor de Friese vrijheid, die ooit door de keizer zou zijn verleend. Kortom: de viertorenkerk vormde een tastbaar symbool voor alles wat men had gepresteerd en waarop men trots wilde zijn. Dat drukte men ook uit in het Oldambtster landzegel, dat de kerk uitbeeldde. Mogelijk was dit zegel geïnspireerd op dat van de Groningse Martinikerk uit 1267.[1]

Afbeeldingen van de kerk golden als symbool voor de hele regio en sierden achtereenvolgens de wapens van het Wold-Oldambt, het Termunterzijlvest, het Waterschap Oldambt, de gemeente Midwolda en de Gereformeerde Kerk van Midwolda (vanaf 2016 de protestantse gemeente Midwolda).

Voorgeschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]

Uit de scherven van met schelpen verschraald kogelpotaardewerk valt af te leiden dat de plek van de latere kerk al in de 10e of 11e eeuw bewoond moet zijn geweest. In dezelfde tijd begon de ontginning van het omringende gebied vanuit de Munte (ook Munter Ae of kortweg Ae). Wie hiervoor het initiatief nam is niet bekend. In de 12e eeuw maakte het omringende gebied zich los van de omringende regio Fivelingo en vormde het Wold-Oldambt.[1] Bij de opgravingen van 1994 werden bij de vroegere kerk meerdere sarcofagen gevonden die vermoedelijk uit deze tijd stammen.[1]

Aangezien de kerk als hoofdkerk van het Wold-Oldambt een belangrijke rol vervulde (zie verder) vermoedde Molema dat de stichting van de parochie is uitgegaan van de bisschop of iemand met landsheerlijk gezag. Op basis van oorkonden, ontginningslijnen en middeleeuwse bezitsverhoudingen wordt tegenwoordig vermoed dat de parochie Midwolda gesticht is vanuit het decanaat Farmsum en wel grotendeels op het terrein van de heerlijkheid Heveskes en de parochie van Klein-Termunten. Deze stichting omvatte van origine een veel groter gebied dat ook Wagenborgen, Eexta, Scheemda en Oostwold. Een deel van de gronden werd later gegeven aan de cisterciënzers.[1]

Vondsten van tufsteen op de plek van de Viertorenkerk wekken de suggestie dat de kerk elders een kleinere voorganger heeft gehad. Waar de eerste kolonisten vandaan kwamen is onbekend. Mogelijk kwamen ze uit het laagland ten noorden van de Munter Ae, het Midwolderhamrik, waar de Midwolders later veel hooiland bezaten. Gewezen werd wel naar de gesloopte boerderij 'Dijkvliet' te Nieuwolda-Oost (vroeger Hoofdweg Oost 8). waar zich volgens een 19e-eeuwse overlevering fundamenten van een kapel onder de schuurdeel zouden bevinden. Tegenwoordig wordt een link gelegd met de 100 meter westelijker gelegen vroegere kloosterboerderij 'De Olde Stoeve' ("de oude plek"[1], bij Hoofdweg Oost 6).[noot 5] Een nabijgelegen bruggetje over het Kattendiep heette de Kapelvlonder. Dit was de plek waar rond 1220 het van origine benedictijnse, maar later cisterciënzer klooster Menterwolde werd gesticht.[14][15] Daarvoor kan hier reeds een dorpskerk hebben gestaan van de (vooralsnog hypothetische) nederzetting Menterwolde waaromheen het klooster zich vestigde.[1] De landerijen van het klooster strekten zich uit tot onder het koor van de Viertorenkerk en de landerijen van de kerk grensden direct aan het land van het klooster. De opstrekkende kavel van het klooster moet oorspronkelijk één geheel hebben gevormd met het kerkenland.

Verschillende bronnen wijzen op een kerkstichting kort na 1200. Aanwijzingen daarvoor zijn het feit dat de baksteenbouw rond 1200 startte in dit gebied, reeds rond 1200 is sprake van geestelijke genaamd Wilbrandus de Middawalda en de kerk door archeologen Halbertsma en Molema op grond van stijlkenmerken gedateerd wordt op het einde van de twaalfde of het begin van de dertiende eeuw.[16][noot 6] Aanleiding voor de bouw was wellicht de strijd tussen het Klei-Oldambt (Menternes; Termunters: Menterne) en het Wold-Oldambt (Silvanos; Woldjers; Menterwolde) in 1201, waarover de Kroniek van Wittewierum bericht. Vermoed wordt dat de bouw kort na de Vierde Kruistocht (1204) begon, aangezien Johannes volgens een klok de patroon was en naar aanleiding van deze kruistocht de West-Europese handel in relikwieën van Johannes de Doper vanuit Constantinopel een grote vlucht nam.[1]

Bouw van de torens

[bewerken | brontekst bewerken]

Of de torens bij de bouw van de kerk verrezen is niet bekend. Bij de opgravingen van 1994 werd een vuurplaats ontdekt waar rond 1280 een van de kerkklokken werd gegoten[1], wat er op wijst dat een of meerdere torens toen al gebouwd waren. De kruiskerk staat afgebeeld op het zegel van het Wold-Oldambt, zoals dat werd gebruikt bij een documenten uit 1347 en 1405. Zegelafdrukken uit 1361 en 1368 (waarover Ubbo Emmius schrijft) zijn verloren gegaan. De afbeelding toont echter slechts drie torens, waarbij de westtoren is voorzien zijbeuken zoals bij de Martinikerk. In 16e en 17e-eeuwse bronnen wordt uitdrukkelijk over de Vier Tooren Kercke of Viertoornde kerke gesproken.[17]

Volgens een volksverhaal in de kroniek van de 16e eeuwse schrijver Eggerik Beninga zouden de vier torens in 1413 zijn gebouwd in opdracht van Reinste Abdena, dochter van de Emder proost Hiske Abdena en gehuwd met Hayo Addinga, heer van Westerwolde. De stichting zou daarbij zijn bekostigd uit haar eigen familievermogen. Hij schrijft dat de edelvrouw de karcke to Midwolde ut oren egen guide und mit veer torne (als men noch seen mach) speren [= voorzien van torenspitsen] liet.[18][noot 7] De torens waren vermoedelijk echter al eerder gebouwd. Misschien werden deze toen voorzien van een gemetselde spits.[1] Over het hoe en waarom van deze schenking is niets bekend, maar hij heeft mogelijk te maken met een herstelbetaling of een boetedoening aangezien Reinste's vader tot de partij van de Schieringers behoorde onder leiding van Coppen Jarges. Deze laatste nam een gouden reliekschrijn van vier voet lang uit de kerk en liet hem omsmelten tot muntgeld om de oorlog tegen de partij van de Vetkopers te betalen.[noot 8]

De afmeting van het gebouw en de omvang van het landbezit geven aan dat de kerk van groot belang voor de omgeving moet zijn geweest.[19][20] In de kruiskerk werden volksvergaderingen en rechtsdagen gehouden voor het hele Wold-Oldambt, bijvoorbeeld in 1399.[21] Daarnaast vond hier nog in 1585 de kerkelijke rechtspraak (seend) plaats; nog in 1585 moest de vertegewoordiger van de proost van Farmsum daarvoor apart naar Midwolda komen, zoals de Oldambtsters al in 1325 hadden bedongen.[22][noot 9] In 1471 werd hier het landrecht van de beide Oldambten vastgesteld en in 1565 werd er nog altijd recht gesproken.[23]

Meerdere geestelijken waren aan de kerk verbonden. De pastoor van Midwolda was de belangrijkste geestelijke van het Oldambt.[noot 10] Rond 1500 waren er naast de pastoor ook een of twee vicarii.

Aan de kerk was een school (later de kosterij) verbonden, waar onder andere toekomstige geestelijken werden opgeleid.

Groei van de Dollard: Verplaatsing van Midwolda

[bewerken | brontekst bewerken]

Door het ontstaan van de Dollard kwam de kerk rond 1500 midden op de kwelders te liggen. De meeste inwoners verhuisden naar hogere gronden. Het bloeiende dorp had volgens Ubbo Emmius ooit stedelijke allure, maar was in zijn tijd door de schade die de Dollard had toegebracht "bijna verlaten".[24] De historicus meende te weten dat het huidige dorp tweemaal is verplaatst. Dit gebeurde kennelijk eerst naar een bewoningslint ter hoogte van het Grijzevrouwenklooster (waar vroeger de nodige sporen van bewoning te vinden waren), vervolgens naar de huidige plek. Zo'n 1200 m ten oosten van het vroegere klooster werd in 1896 een omvangrijk gebouw blootgelegd, waarvan de functie onduidelijk is.

Eiland op de kwelder

[bewerken | brontekst bewerken]

De kerk en het 2 meter hoge kerkhof bleven in gebruik. De doden werden begraven aan de zuidkant van de kerk. Het kerkhof was omringd door een zware muur van 90 bij 100 meter In 1514 bracht Edzard I van Oost-Friesland de kerk mitten vier toornen en het kerkhof in staat van verdediging om van hieruit veiliger per schip de Dollard te kunnen oversteken en om de route via Slochteren naar Groningen veilig te stellen.[25] Vooral dankzij de wallen die hij rondom de kerkhofmuur liet aanbrengen, bleef de kerk gespaard. De restanten van deze dijk werden in 1902 afgegraven. Onder twee lagen zand en slib vond men ook de muur van kloostermoppen, anderhalve steens breed.[26] Moderne hoogtekaarten tonen de kerkwierde als een rechthoekig terrein met een uitbouw aan de zuidwestkant.

Vermoedelijk in 1558 (toen een nieuw dijkreglement werd vastgesteld) werd een grote zeedijk gebouwd die bij het kerkhof aansloot.[noot 11] Het haventje bij de kerk diende tevens voor het landbouwverkeer en de handelsvaart, met name voor turfschepen en voor kleine hoybullen, dat waren platboomde schuiten waarmee het hooi van de overkant van de Dollard werd gehaald.[27] De 19e eeuwse geschiedschrijvers Kremer & Westendorp spreken over zeeroverij en ook de bekende piraat Klaus Störtebeker zou "zijn schip soms aan de kerk hebben vastgelegd".[28][noot 12]

Protestantisme

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens de overlevering werd in 1552 voor het eerst een protestantse geestelijke in Midwolda aangesteld. Dit was de geleerde zwingliaan Gerrydt of Gerardus Nicolai, die in 1567 naar Norden uitweek.[29] Maar de kans is groot dat zijn voorganger al luthersgezind was. Ook de radicale reformatie had aanhang onder de boerenstand; Nicolai besteedde jaren aan het vertalen en actualiseren van een theologisch geschrift van Heinrich Bullinger, waarin de leerstellingen van de wederdopers en andere sektariërs werden bestreden. Hij las het werk samen met zijn dorpsgenoten. Het is niet bekend of de kerk ook getroffen werd door de Beeldenstorm. Er is in de kerkrekeningen echter wel sprake van herstelwerkzaamheden, waaronder ook de bereiding van witkalk.[1]

Tachtigjarige Oorlog

[bewerken | brontekst bewerken]
De Viertorenkerk van Midwolda op de kaart van Sgroten uit ca. 1573.

Kort daarna startte de Tachtigjarige Oorlog. Troepen van Lodewijk van Nassau deden in het voorjaar van 1568 een inval en namen twee kerkklokken in beslag. In de zomer van 1568 werden zij verslagen. Nicolai's opvolger vluchtte daarom kort na zijn aanstelling naar het gereformeerde Emden.

In 1570 werd de kerk geplunderd door de watergeuzen. Het misgerei en andere kerkschatten namen ze mee, de pastoor werd vermoord toen hij probeerde te vluchten en de vicarius raakte een oor kwijt. In 1580 werd opnieuw een gereformeerde predikant benoemd, die al snel weer moest vertrekken. Zijn Westfaalse opvolger Gerard Weemhoff was min of meer luthersgezind en werd in 1582 beroepen naar Winschoten. De laatste katholieke pastoor wordt in 1590 vermeld.

De kerkrekeningen van 1563 en volgende jaren noemen ook het orgel, dat werd onderhouden door de bekende orgelmaker Andreas de Mare; mogelijk heeft hij het instrument gebouwd. Ook de orgeltrappers of -blazers worden genoemd. Die worden voor het laatst in 1595 in de vermeld, daarna niet meer. Volgens een 19e-eeuwse sage was het orgel zo krachtig dat het geluid via geleiders naar buiten werden geleid, waardoor de klanken bij stil weer tot in Emden te horen waren.[30] Maar in werkelijkheid zullen we eerder moeten denken aan een klein orgel zoals in Krewerd, Scheemda en Rysum.

Nadat kerkvoogd Menno Tiddinga dienst nam in het Staatse leger en zijn kerkgenoten opriep beschermgeld te betalen[1], werd het kerkhof in 1584 in opdracht van het Groningse stadsbestuur uitgebouwd tot een schans. De soldaten werden in de kerk gelegerd. Het kerkgebouw raakte dat jaar zwaar beschadigd toen een van de dwarsbeuken instortte. Het altaarkleed ging verloren en ook de gewelven moesten onderstut worden. Om aan bouwmateriaal te komen, werd de slaapzaal van het Grijzevrouwenklooster aangekocht.[noot 13] Of de zijbeuk daarna volledig is hersteld, weten we niet. Op sommige afbeeldingen ontbreekt de uitbouw.

Staatse troepen wisten in 1592 de soldaten tijdelijk te verjagen en in oktober 1593 definitief. Kroniekschrijver Eggerik Egges Phebens heeft het spottend over de Groningse "koopmansknechten", die in de kerken van Midwolda en Winschoten waren gelegerd.[31] In 1597 stelde het nieuwe Groningse stadsbestuur 100 daalders beschikbaar voor herstel van de eerdere schade.

Verplaatsing van de school en afsplitsing van Nieuwolda

[bewerken | brontekst bewerken]

De kerk was tevens bedoeld voor de inwoners van het opnieuw bedijkte dorp Nieuwolda, oftewel Midwolderhamrik. Om het gebouw te bereiken moesten deze polderbewoners vaak een lange omweg maken, hetzij met de slikslede over de dijken dan wel over de kwelders via de Kerkelaan (1659: Hilligelaene) of de Geereweg (1638: Gaergroepewech). 's Winters vonden de kerkdiensten vermoedelijk in de dorpsschool plaats.

Het onderwijs zal aanvankelijk net als elders in de regio zijn verzorgd door de koster van de kerk. Die was tevens verantwoordelijk voor het kerkgebouw, het klokluiden en mogelijk ook het orgelspel. Maar het oude schoolgebouw was slecht bereikbaar. Het nieuwe dorp Midwolda beschikte daarom al in 1565 eeuw over een eigen school, terwijl in Nieuwolda in 1580 een tweede school werd gebouwd. De kosterij werd vervolgens verhuurd als dorpsherberg.

Kerkvoogd Menno Hindriks besloot volgens een bericht uit 1644 de oude dorpsschool af te breken en op eigen kosten een tweede school in het westen van het dorp te laten bouwen, die hij vervolgens aan de kerk verhuurde.[32] Beide scholen in Midwolda staan afgebeeld op een kaart van omstreeks 1638.[33] Deze gang van zaken leidde tot ergernis van Nieuwolda, waar men zich tekort gedaan voelde.

In 1647 werd speciaal voor Midwolderhamrik een tweede predikant beroepen. De verkiezing van twee nieuwe predikanten verliep niet bepaald vlekkeloos. Het Groningse stadsbestuur klaagde dat opstandige boeren de procedure naar hun hand hadden gezet. Vooral de beoogde kandidaat voor Midwolda, ds. Reinoldus Weemhof, riep weerstand op.[34][noot 14] Over de verdeling van het kerkelijke bezit ontstond eveneens onenigheid. Pas toen dat was bijgelegd kon een tweede pastorie aan de Kerkelaan bij Nieuwolda worden gebouwd, waarna Nieuwolda een zelfstandige gemeente werd. De vertegenwoordigers van dit dorp reserveerden alvast grond voor de bouw van een nieuwe kerk, richtten omstreeks 1663 een begraafplaats in en bestelden stenen voor het kerkgebouw. Nu ging Midwolda echter echter dwars liggen vanwege de vele uitstaande schulden. Het duurde tot 1704 voordat de boedelscheiding kon worden voltooid. Beide dorpen behielden tot het einde van de 18e eeuw een gezamenlijk kiescollege voor de benoeming van predikanten en schoolmeesters.

Verplaatsing en verdwijning

[bewerken | brontekst bewerken]

Verval tot ruïne

[bewerken | brontekst bewerken]

De eerste zeedijk uit 1558 was niet erg effectief. Wellicht na de aanleg van een nieuwe dijk in 1626 kwam de Viertorenkerk weer buitendijks te liggen. Dat duurde tot de aanleg van de volgende zeedijk in 1665, waarmee een groot deel van de kwelders werd bedijkt.[35] Het onderhoud van de toch al bouwvallige kerk werd ondertussen verwaarloosd. Maart 1667 stortte de noordwestelijke kerktoren in samen met "het gewelffte der kercke".[36] "De kerk zelf, die 't sedert langen tijd van alle kanten door de golven gebeukt word, staat tegenwoordig op een vetten grond, maar een van de vier torens is onlangs ingevallen", lezen we niet lang daarna.[7] Geld voor herstel was niet aanwezig en de kerkgemeente was daarop gedwongen uit te wijken. De kerk verviel ondertussen tot een ruïne. In 1690 stond alleen de klokkentoren nog fier overeind.[37][noot 15]

Tijdelijke kerk

[bewerken | brontekst bewerken]

Het Oude Schoole huis in de dorpskern van Midwolda werd vervolgens vernieuwd en geschikt gemaakt voor kerkdiensten; juni 1667 werd hier voor het eerst het Heilig Avondmaal gehouden.[17][38] Nog diezelfde winter kochten de kerkbestuurders een boerderij bij de Meulenbarch die als pastorie moest gaan dienen.[39] Het kerspel had veel echter veel schulden, waarna ds. Weemhof bereid bleek deze boerderij in eigendom over te nemen. De pastorieboerderij bij de Viertorenkerk werd daarna verpacht en later verkocht.[40] Om de werkzaamheden aan kanalen en dijken te kunnen financieren gaven de kerspelen Midwolda en Nieuwolda in 1671 een lijfrentebrief ter waarde van 36.000 gulden uit. Het rentebedrag van 6% werd jaarlijks onder 33 inleggers verdeeld. Dat ging door totdat de laatste begunstigde in 1754 stierf.[41]

Het Groningse stadsbestuur, dat in het Oldambt de dienst uitmaakte besloot in 1668 tot de "opbouw van een nieuwe kercke ende pastorie op een bequamen plaetse".[36] Daarvoor werd een perceel stadsgrond in Midwolda ter beschikking gesteld, dat tevens als begraafplaats ging dienen. Deze grond was afkomstig van het in 1594 opgeheven Grijzevrouwenklooster dat in het bezit van de Stad was gekomen. Daar bleef het bij gebrek aan middelen echter eerst bij.

Nieuwe indijkingen zorgden voor extra inkomsten, zodat de nieuwbouwplannen na enkele decennia konden worden doorgezet. In 1704 werden kerkengoederen van Midwolda en Nieuwolda gescheiden. Drie jaar later werd een klok verkocht aan de Groningse Akerk.[42] Een andere klok uit 1516 van de hand van Johannes Bremensis belandde in Uitwierde.[43] De vervallen klokkentoren kon nu gesloopt worden. In de muur van de toren bevonden zich merktekens die de juiste lengte van de Oldambtster roede (de zogenaamde toorenmaat van 18 voet) aangaven. Daarvan werd nu een ijzeren kopie gemaakt die voortaan op het Groningse raadhuis werd bewaard.[44] Op de begraafplaats van Midwolda verrees in 1695 een houten klokkenstoel en vervolgens in 1708 een stenen klokkentoren waarin een nieuw gegoten luidklok kwam te hangen.[45] Nieuwolda kreeg eveneens een vrijstaande klokkenstoel op het nieuwe kerkhof. In tussentijd liet het stadsbestuur in 1698 de middeleeuwse zilveren zegelstempel van de kerk vernietigen om te voorkomen dat 'de Oldambtsters opnieuw trots zouden ontlenen aan dit symbool'.[1]

Van het oorspronkelijke kerkgebouw was – als we landmeterskaarten moeten geloven – behalve de bouwvallige klokkentoren en een paar muren weinig meer over.[46][47] Meermalen werd sloophout verkocht.[45] Op 21 november 1709 gaf het Groningse stadsbestuur toestemming om de "oude ruineuse kerk" te slopen. De restanten van de "vervallene vier toornde kerke en toorens" zouden eerst worden geveild, maar werden uiteindelijk aangekocht door de stad ten behoeve van de dijkverzwaring.[48] De bouwvallen waren niet veel later "geheel … afgesleeten".[49][17]

Het voormalige kerkhof, dat nog in 1704 door inwoners van beide dorpen werd gebruikt, bleef eigendom van de kerk; het hobbelige en steenachtige terrein werd in 1828 als Oude Werf betiteld. Nieuwolda kreeg in 1718 als eerste weer een eigen kerkgebouw en in 1738 werd ook de huidige Kerk van Midwolda voltooid en ingewijd. De nieuwe pastorie werd gebouwd in 1734 en was speciaal bedoeld voor onlangs beroepen predikant Wilhelmus Schortinghuis.

Bij de Viertorenkerk behoorde een omvangrijk grondbezit, in de 16e eeuw zeker 60 tot 70 hectare, dat door inpolderingen verder aangroeide. Het kerkenland vormde een langgerekte heerd die zich uitstrekte vanaf het hoogveen bij Heiligerlee tot aan de Dollardkwelders. In de 16e eeuw hoorden daarbij ook nog landerijen aan de overzijde van de Dollard bij Nieuwolda. Het grootste deel van dit land behoorde tot de pastorie en werd bewerkt vanuit de weem bij de kerk. De opbrengst van de pastorielanderijen diende voor het levensonderhoud van de pastoor, later de predikant. Daarnaast waren er vicarielanden waaruit vóór 1594 de kapelaan of vicaris werd betaald en ten slotte de kosterijlanderijen die dienden voor het onderhoud van school en het inkomen van de schoolmeester.

Op kaarten is te zien dat zich omstreeks 1575 meerdere gebouwen bij de kerk bevonden.

Pastorieboerderij Ol Kerke

[bewerken | brontekst bewerken]
De kerkplaats en vroegere kloosterboerderij in 2010, vlak voor de afbraak van het oudste linkerdeel in 2011

De weem of pastorieboerderij werd in 1578 omschreven als een kemenade (kymnade).[1] en werd in 1725 op een kaart van H.W. Folckers pastoorie bouhuijs genoemd.[50][noot 16] Het was een langhuisboerderij. Parallel daaraan werd in 1600 een oud-Groninger schuur gebouwd. Koehuis en schuur werden rond 1700 mogelijk vervangen door een Friese schuur, maar het woonhuis raakte in verval. Rond 1735 moest het ingestorte dak worden gerepareerd. In 1746 werd de Oude Pastorie verkocht samen met de beklemming van 105 deimt (bijna 53 hectare) land.[40][51]

Vervolgens werd de pastorieboerderij gesloopt en vervangen door een grote Oldambtster boerderij met zes tasvakken. Dit moet rond 1750 gebeurd zijn aangezien de bomen voor de kenmerkende ankerbalkgebinten in dat jaar werden gekapt. De boerderij werd bewoond door de vooraanstaande landbouwer Tidde Pieters en sinds 1774 door zijn zoon Eppo Tiddes.[52] De nieuwe eigenaar verkreeg in 1774 ook het recht enkele arbeidershuizen langs de Kerkelaan te bouwen.[noot 17] Bij de boerderij hoorde tevens een tuin met bomen en heggen.

In 1807 wordt de boerderij beschreven als "eene fraaije boeren behuizinge (de Oude Kerk genaamd), met vaste en altoosdurende beklemminge van plus min. 100 deimpten best groen- en bouwland, doende tot vaste Huur jaarlijks 595 gl. 5 stuiv."[53] In 1839 wordt opnieuw gesproken over "eene schoone boerderij".[54]

De boerderij werd later verlengd. Het voorhuis maakte vermoedelijk in 1866 plaats voor een extra tasvak, waardoor de resterende woonvertrekken in de schuur kwamen te liggen. De woning werd een tijdlang bewoond door personeelsleden. In 1936 werd de vrijstaande villa 'Ol Kerke' gebouwd en werd de schuur werd met nog eens vier vakken verlengd, waardoor de totale lengte 70 m werd.

Het oudste gedeelte van de imposante schuur werd in 2011 gesloopt.[55][56] Van de oorspronkelijke woning waren in 2011 alleen woonkamer, gang, de voormalige keuken en het karnhuis overgebleven.

De kosterij werd na het overlijden van de laatste koster in 1670 verpacht. Na het instorten van de Viertorenkerk bleef er weinig meer voor de koster te doen. De pachter werd voortaan verantwoordelijk voor "het klockluijden, telkens als de godsdienst gepleeget sal worden".[57] Het langgerekte kosterijhuis (tussen de pastorieboerderij en de kerk) werd na 1679 kennelijk vervangen door een klein boerderijtje.[58][noot 18]

Overige gebouwen

[bewerken | brontekst bewerken]

Ten oosten van de pastorieboerderij waren oorspronkelijk eveneens meerdere boerderijen te vinden, waaronder een steenhuis dat Spierenburch werd genoemd. De heerd ten oosten van de pastorie behoorde tot de kloosterboerderij Nijenhuis, die eigendom was van het Grijzemonnikenklooster te Termunten.[noot 19] Omstreeks 1550 had het oorspronkelijke kloostervoorwerk vermoedelijk al plaats gemaakt voor een boerderij in de dorpskom. Na de Reductie van 1594 kwam het kloosterland in handen van de Provincie, die het opnieuw verpachtte.