Violoncello piccolo

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Violoncello piccolo
viola pomposa, viola da spalla
Violoncello piccolo
Violoncello piccolo
Classificatie
Bereik
Bereik
Gerelateerde instrumenten
cello, altviool
Meer artikelen
authentieke uitvoeringspraktijk
Portaal  Portaalicoon   Muziek

De violoncello piccolo is een vijfsnarige cello, meestal ook met een kortere mensuur dan de ´standaard´ moderne cello.

Viola da spalla

Aan de snaren C G D A wordt een e-snaar toegevoegd zodat tegelijkertijd een groter toonbereik ontstaat en een instrument met een eigen klankkleur. Het instrument wordt alleen voorgeschreven in laat barok repertoire en raakte daarna in vergetelheid. Johann Sebastian Bach schreef de violoncello piccolo voor als obligate partij in een aantal cantates. In Anna Magdalena´s handschrift van J.S. Bachs 6 Suites a violoncello solo staat bij de 6e suite geschreven: a cinque cordes en genoteerd CGDAe. In deze zesde suite wordt naast de bassleutel ook veelvuldig de tenorsleutel gebruikt. Moderne cellisten op moderne cello´s moeten zich in hogere posities behelpen met duimposities op de A-snaar. Het veelvuldig voorkomen van gearpeggieerde akkoorden met een wijde ligging behoort ook tot de specifieke mogelijkheden van de violoncello piccolo.

Heden ten dage worden er nagenoeg geen violoncello piccolo's meer gebouwd. Pionier van de barokcello Anner Bijlsma liet een 7/8e instrument ombouwen en heeft als eerste de 6e suite laten klinken op een vijfsnarig instrument voor zijn integraal-opname (Philips-SEON 1979). Later maakte hij nog een opname van de partita in a-moll BWV 1013, de sonate nr.2 in a-moll voor vioolsolo BWV 1003 en de partita nr.3 in E-dur voor vioolsolo BWV 1006 op de violoncello piccolo.

Over het bedoelde vijfsnarige instrument bestaan verschillende inzichten en meningen. Zo wordt er al lang gespeculeerd over een viola pomposa of viola da spalla die Bach zou hebben laten maken, die met een draaglint over de schouder werd gehangen daar ze te dik was om op de schouder te liggen. Cellisten lezen heel duidelijk: "6 suites voor violoncello", en niet: "5 suites voor violoncello en eentje voor een viola pomposa" en verkiezen derhalve de violoncello piccolo. Daarmee is het zoeken en experimenteren nog niet afgelopen.

Sigiswald Kuijken liet een viola da spalla nabouwen bij Dmitry Badiarov en gebruikt het instrument als schouder-cello in de cellosuites van Bach en zijn cantates. Hij sluit hiermee aan bij de interpretatiepraktijk van het bespelen van snaarinstrumenten van de Barok, die zo veel mogelijk "vrij" (met zo weinig mogelijk lichaamscontact) moeten klinken. Dus niet geklemd tussen de benen of onder de kin of steunend op de grond, maar vrij hangend met een riem rond de hals.