Voorouderproef (adel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In een voorouderproef (Duits:"Ahnenprobe") werd vastgesteld of iemand tot de adel behoorde. Deze voorouderproeven werden afgelegd wanneer:

  • Een ridder deel wilde nemen aan een riddertoernooi,
  • Een edelman of -vrouwe opgenomen werd in een ridderorde,
  • Een edelman in een bepaalde voor edellieden gereserveerde functie benoemd werd,
  • Een edelman of vrouwe aan het hof werd voorgesteld,
  • Een edelman gebruik wenste te maken van een privilege van de adel,

en

De voorouderproef stelt vast of de persoon in kwestie tot de adellijke stand behoort. Dat kan door documenten worden aangetoond of waar deze ontbreken - en dat is in de families die vóór 1350 al adellijk waren steeds het geval - wordt de adeldom als objectief feit vastgesteld. Dan was het voldoende om aan te tonen dat ook de ouders en grootouders edellieden waren. Adeldom werd soms ook vastgesteld door het afleggen van een eed of en borgstelling door derden.

Ook nu nog worden voorouderproeven gevraagd bij toetreding tot ridderorden als de Orde van Malta en de Orde van het Sterrenkruis. Ook de Nederlandse Johanniterorde en de Ridderlijke Duitse Orde in de Protestantse Ballije van Utrecht eisen een voorouderproef waarbij vastgesteld wordt hoeveel "kwartieren" de kandidaat bezit.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]