Naar inhoud springen

Vriespuntsdaling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Oplossen van natriumchloride in water zorgt ervoor dat het vriespunt daalt.

Vriespuntsdaling of cryoscopie is het verschijnsel waarbij de temperatuur waarop een vloeistof vast wordt, daalt als er andere stoffen in opgelost zijn. Het is een van de colligatieve verschijnselen van een vloeistof.

Het bepalen van de vriespuntsdaling van een vloeistof door oplossen van een bepaald product, is een methode om de molaire massa van dat product te bepalen. De mate van vriespuntsdaling is namelijk niet afhankelijk van de soort opgeloste stof, maar alleen van het aantal opgeloste deeltjes. Hoe meer deeltjes er opgelost zijn, hoe meer het vriespunt van het oplosmiddel daalt.

Verder is de vriespuntsdaling afhankelijk van het oplosmiddel. Die afhankelijkheid is gekend als de cryoscopische constante, die voor water 1,86 kg·°C/mol bedraagt.

De opgeloste deeltjes zijn:

De vriespuntsdaling kan berekend worden met de volgende formule:

Hierin is ΔT de vriespuntsdaling (in K of °C), het vriespunt van het zuivere oplosmiddel, Tvp het vriespunt van de oplossing, Kf de cryoscopische constante van het oplosmiddel, nB de hoeveelheid opgeloste stof B, mA de massa van het oplosmiddel A en i de van-'t-hoff-factor. De verhouding nB/mA is de molaliteit van stof B en dus kan de formule herschreven worden tot:

waarin bB de molaliteit van de opgeloste stof B voorstelt.

Men toont aan dat de cyroscopische constante bepaald wordt door de molaire massa, vriespunt en molaire smeltenthalpie van het oplosmiddel volgens:

Rekenvoorbeeld 1

[bewerken | brontekst bewerken]

Er wordt 68,46 g suiker ( brutoformule is C12H22O11 ) in 0,100 kg water opgelost.

De molaire massa van suiker is 342,3 g/mol. Dit betekent dat

Suiker dissocieert niet in water. De van-'t-hoff-factor bedraagt daarom .

De vriespuntsverlaging wordt dus:

Het vriespunt van de suikeroplossing is dus 3,72 °C lager dan het vriespunt van zuiver water, i.e. −3,72 °C.

Rekenvoorbeeld 2

[bewerken | brontekst bewerken]

Er wordt 58,44 g keukenzout, NaCl met een molaire massa is 58,44 g/mol, in 1,00 kg water opgelost.

Omdat NaCl bij oplossen in water in ionen splitst moet hiermee rekening worden gehouden. 1 mol NaCl zal bij oplossen in water splitsen in 1 mol Na+ en 1 mol Cl. Het aantal deeltjes is dus tweemaal zo groot. Dit wordt in rekening gebracht via de van-'t-hoff-factor, die voor keukenzout een waarde van heeft.

De vriespuntsverlaging wordt dus:

Het zout, dat hier een molaliteit van 1 mol/kg heeft, geeft dus dezelfde vriespuntsverlaging dan het suiker met een molaliteit van 1 mol/kg. Een in water oplosbaar zout levert een grotere vriespuntsdaling dan een stof die niet splitst in ionen.

Rekenvoorbeeld 3

[bewerken | brontekst bewerken]

Er wordt 138,2 g van een onbekende moleculaire verbinding X in een mengsel van water en ijs van 1,00 kg van 0,00 °C opgelost. Na het oplossen is de temperatuur van het water+ijs −5,58 °C. De vriespuntsdaling ΔT = 5,58.

Hieruit volgt M = 46,1 g/mol. De molaire massa van de onbekende stof X bedraagt dus 46,1 g/mol.