Vrijhandel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Vrijhandelsakkoord)
Ga naar: navigatie, zoeken

Vrijhandel is een vrij verkeer van goederen en diensten tussen verschillende landen. De internationale handel wordt niet belemmerd door allerlei vormen van protectie, zodat landen zich kunnen toeleggen op het maken van de producten waarin zij comparatieve kostenvoordelen hebben.

Dit leidt ertoe dat de productiefactoren waarover de wereld beschikt zo efficiënt mogelijk worden ingezet (zie comparatief voordeel).

De tegenhanger hiervan is het protectionisme, waarbij er sprake is van barrières, die opgeworpen worden door landen in de vorm van importheffingen.

Net als nu voerde de voorstanders van vrijhandel aan het eind van de negentiende eeuw - begin twintigste eeuw een stevig debat met de voorstanders van protectionisme. De aanjager van dit debat was de Europese landbouwcrisis aan het eind van de negentiende eeuw. De crisis was het gevolg van het op de Europese markt komen van grote hoeveelheden goedkoop graan uit de VS. In die tijd verschenen honderden publicaties van voor- en tegenstanders van vrijhandel. Een voorbeeld hiervan is een serie van 18 vluggeschriften uitgegeven tussen 1897 - 1902 door de vereniging 'Het vrije ruilverkeer". In 1914 schreef de Nederlander A. Heringa van de hiervoor genoemde vrijhandelsvereniging een engelstalig boek over vrijhandel en protectie in Nederland. Tilburg werd door hem als "the centre of protectionism" aangewezen. Het toenmalig Tweede Kamerlid K. Reyne, die een tegenstander van protectie was, schreef het boek 'Beschouwingen over vrijhandel en protectie'. In het jaar 1888 was een foldertje verschenen van Justinus van Oordt met als titel "Bescherming of Vrijhandel? Een woord aan de Staatsambtenaren en allen, die van eene vaste bezoldiging moeten leven." In dat foldertje kwam de naam 'Armand Diepen' meerdere keren voor. Diepen was een bestrijder van de vrijhandelstheorie. Van Diepen werd meerdere malen aangehaald in het werk 'Vrijhandel en Bescherming' uit het jaar 1890 van toenmalig Tweede Kamerlid en later minister van van Financiën J.J.I Harte van Tecklenburg. Andere werken die in de periode verschenen waren: N.H. Nijst - De oude leer der handelsvrijheid en de nieuwe beschermingstheorie ten onzent getoetst aan wetenschap en ervaring, (Maastricht 1891) M.W.F. Treub - Vrijhandel en bescherming voor Nederland (Amsterdam 1904)

Voor de negentiende eeuw was het dan heel gewoon dan kooplieden vergoedingen moesten betalen aan de (plaatselijke) overheden voor de bescherming die hen geboden werd. Men werd daardoor beschermd tegen onrecht en overlast. Later heeft dit plaats gemaakt voor het denkbeeld, dat de overheid haar bescherming niet verkoopt maar verleent. Het gevolg hiervan was, dat men fundamenteel anders ging denken over zaken als uitvoer-, doorvoer- en invoerrechten. Allerlei belemmeren op dit gebied werden zoveel opgeruimd. Hier speelde ook het 18e-eeuwse idee van 'natuurlijke vrijheid' een rol. Prominente voorstanders van deze 'natuurlijke vrijheid' verkondigen de leer dat 'ruil' indirecte voortbrenging is. De ruil belemmeren is schadelijk voor beide partijen. Of het nu gaat om personen, steden, landen, verkopers en kopers. Ze zijn tegennatuurlijk en brengen schade toe aan de algemene welvaart. Toch lukte het de voorstanders niet altijd om in voldoende mate aan te tonen, dat het beter was om van oudsher bestaande beschermingen op te heffen. Weliswaar waren er binnen landen de handelsbelemmeringen tussen provincies en steden opgeheven. Maar tussen staten lag dit wel een stuk gecompliceerder. Daar behield men nog (vast) aan een aantal protectionistische maatregelen. In de negentiende eeuw woei er een liberale wind door Engeland. Het gevolg was een enorme verlaging of zelfs afschaffing van bepaalde tarieven door Engeland. Vele landen op het Europese continent volgden het voorbeeld van Engeland. Zodat vrijhandel het adagium werd. Zoals hiervoor geschreven heeft het laatste kwart van de negentiende eeuw door de landbouwcrisis de discussie op gang of vrijhandel wel zo'n goed idee was. Men ging in Europa steeds meer door het heffen van invoerrechten de eigen boeren beschermen tegen goedkoop graan uit Amerika. [Bron: Vivat's: geïllustreerde Encyclopedie", Deel X, stereotomie - ZZ, Uitgeverij maatschappij "VIVAT" Amsterdam, blz 7763 en 7764]

De de Nederlandse handelspolitiek legde in de volgende genoemde periode het accent op vrijhandel 1845 - 1914

In 1845 kwam er een nieuwe tariefwet. De bestaande tarieven werden verlaagd. [Zie Statengeneraal-digitaal: "Handelingen Tweede Kamer 1844-1845 05 juni 1845" betreffende "Beraadslaging over het Tarief van in-, uit- en doorvoerrechten" http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd%3Ampeg21%3A18441845%3A0000053] Het hoogtepunt voor de vrijhandel in Nederland was de tariefwet van 1862. Er werden geen invoerrechten meer geheven op grondstoffen. Halffabrikaten en fabrikaten werden respectievelijk belast met 2 à 3 en 5% invoerrecht. [Zie staten-generaal-digitaal: betreffende "Herziening van het tarief van regten op den in-, uit- en doorvoer (Beraadslaging over de artikelen) blz 892" http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd%3Ampeg21%3A18611862%3A0000193] De 19e eeuwse vrijhandelsgezindheid leidde er ook toe, dat de landbouw in de hevige agrarische depressie aan het einde van de negentiende eeuw niet gesteund werd door middel van invoerrechten.

[Bron: Prof. Dr. H.M.A. Van der Valk - Grondbegrippen en grondbeginselen - Economie - G.W. van der Wiel & Co Uitgevers te Arnhem, 5e druk, 1949, blz 185]

Zie ook[bewerken]