Wandsbek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wandsbek, vroeger ook Wandsbeck, was de naam van een tot 1 april 1938 zelfstandige Stadtkreis Wandsbek. De stad maakte achtereenvolgens deel uit van het Hertogdom Holstein en de provincie Sleeswijk-Holstein van Pruisen.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Naam[bewerken | brontekst bewerken]

De oudst bekende benaming is Wantesbeke en dateert uit de 13e eeuw. Deze naam was overgenomen van het door de plaats stromende beek, nu Wandse genaamd. In de 16e en 17e eeuw werd de naam als Wandsbeck geschreven wat erop wijst dat de "e" lang uitgesproken moest worden. In een besluit van het Sleeswijks bestuur van 1 september 1877 werd opdracht gegeven de "c" weg te laten, wat het gemeentebestuur aanvankelijk weigerde. Op 12 september 1879 werd dan toch de huidige schrijfwijze aangenomen. Gelijkaardige spellingswijzigingen van plaatsen in Hamburg werden pas in 1946 doorgevoerd.

Middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

Voor het eerst vermeld in een oorkonde van de graaf van Schauenburg van 10 oktober 1296, is er verder weinig bekend over dit kleine boerendorp in de middeleeuwen. Vanaf 1460 werd de Deense koning heerser van Sleeswijk-Holstein en daardoor ook van Wandsbek.

Nieuwe tijd[bewerken | brontekst bewerken]

In 1524 werd Wandsbek een zelfstandig adellijk goed. Een reeks Hamburgse burgers had het goed in pand van de Deense koning. De laatste onder hen, Adam Tratziger, verkocht het gebied aan Heinrich Rantzau, stadhouder van de Deense koning voor zijn deel van Sleeswijk-Holstein. Vanaf toen werd Wandsbek meer dan een boerendorp. Er werden stuwen op de Wandse gebouwd om de waterkracht te benutten. De Wandesburg, een met grachten omringd waterkasteel werd gebouwd. Tycho Brahe was er te gast in de periode 1597/98 en deed er waarnemingen. Van 1614 tot 1641 was de Deense koning Christian IV zelf heer van het gebied. In 1645 verwierf de Hamburgse burger Albert Balthasar het goed en breidde het aanzienlijk uit door de aankoop van Hirschenfelde en Tonndorf.

Heinrich Carl von Schimmelmann, een Deens-Duits koopman en slavenhandelaar verwierf het goed in 1762. Onder Schimelmann kende Wandsbek een bruuske economische opleving. Voor de porten van Hamburg ontwikkelde het boerendorp zich tot industriegebied. Ruggengraat daarvan waren de molens, brouwerijen en andere ambachtelijke en industriële bedrijven. Zo werkten er tot 1500 arbeiders in vijf katoenblekerijen. In 1762 begon Schimmelmann met de bouw van een drieveugelig herenhuis, dat vanwege zijn omvang later het Wandsbeker Schloss werd genoemd. Schimmelmanns erfgenamen verkochten het noordelijk deel aan de Deense koning en behielden het zuiden (ongeveer overeenstemmend met Marienthal) in privébezit.

19e en 20e eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

Bij het einde van de Tweede Duits-Deense Oorlog in 1864 ging Wandsbek naar Pruisen. Het volgende jaar werd de spoorlijn Hamburg-Lübeck gebouwd die vlak langs Wandsbek voorbijkwam. Er werd een eerste station gebouwd, waarmee de verkeersinfrastructuur duidelijk verbeterde. In 1870 woonden al meer dan 10.000 mensen in Wandsbek en verkreeg het stadsrechten.

Door het Gesetz über Groß-Hamburg und andere Gebietsbereinigungen (de Groot-Hamburgwet) van het Kabinet-Hitler van 26 januari 1937 verloor de stad zijn onafhankelijkheid en werd op voornoemde datum onderdeel van de Hansestadt Hamburg. De naam leeft voort als een van de zeven districten van Hamburg, Bezirk Wandsbek, en als een van de stadsdelen binnen dit district Hamburg-Wandsbek.