Waterloo (plantage)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Waterloo circa 1880
Tekening van Waterloo
Kerk van de EBG, foto: Temminck Groll
Suikerfabriek
Woning

Waterloo was een suikerrietplantage aan de Nickerie in het district Nickerie in Suriname. De plantage lag stroomafwaarts naast de plantage Nursery en stroomopwaarts naast de plantage Margarethenburg

Geschiedenis[bewerken]

Negentiende eeuw tijdens slavernij[bewerken]

De grond had een oppervlakte van 500 akkers en werd vanaf 1821 met koffie beplant. De grond werd uitgegeven aan de Schot James Balfour (1777-1841), afkomstig uit het graafschap Fife. Balfour was eerder werkzaam in de koloniën Berbice en Demerary. Zijn zuster Helen was getrouwd met Robert Kirke. Hun zoon Robert, de neef van Balfour werd later een van de grootste plantage-eigenaren van Suriname.

Kappler, een militair die in Nickerie was gestationeerd schreef over Balfour: "een dier zonderlinge menschen, die bij eenen onmetelijken rijkdom, altijd nog meer trachten te verkrijgen"; voorts: "Hoog bejaard en eigenaar zijnde van drie schoone plantagien met meer dan 700 slaven, leefde deze man eenzaam, zonder vrouw en kinderen. Eene mulattin, die hij bij eene zijner slavinnen verwekt had, was zelve insgelijks slavin en nam zijn huishouden waar". Zij trouwde met David Kirke, een broer van Robert. Waterloo was de eerste suikerplantage in Suriname met vacüumpannen en centrifugale verdampers. In Brits-Guiana was dit systeem al 25 jaar eerder ingevoerd en hadden de meeste plantages er inmiddels de beschikking over. Opvallend is dat dit een van de weinige plantages in Suriname was waar de aanschaf van zulke dure productiemiddelen geheel met eigen middelen is betaald. Dat zegt wel iets over het vermogen dat Balfour vergaard had.

Balfour overleed in augustus 1841 op Waterloo. Hij was inmiddels ook in het bezit van Hazard, Ellen de katoenplantages Providence en Forque en de houtgrond Berlijn aan de Para. Volgens de uitdrukkelijke wil van de overledene werd er een groot begrafenismaal aangericht waarbij hij in zijn doodskist "zelf de hoogste plaats innam en waaraan alle aanzienlijke personen van het district deelnamen". Na de maaltijd werd het lijk "in een vierkant, met allen mogelijken spoed uit gebakken steen boven den vlakken grond opgemetseld graf bijgezet, waar de slaven zijn monument tusschen den molen en het kookhuis bestendig voor oogen hebben".

Onder leiding van zijn neef, Robert Kirke werd de plantage volledig omgezet voor de teelt van suikerriet. In 1859 kwam de post van de Evangelische Broedergemeente op de plantage tot stand. Deze post werd opgericht op het verzoek van Robert Kirke die de benodigde grond aan de gemeente schonk. Omstreeks 1870 werd er een grote kerk gebouwd. Deze is tot omstreeks 1960 in gebruik gebleven.

Negentiende eeuw na afschaffing slavernij[bewerken]

Bij de slavenemancipatie in 1863 werden 240 slaven vrijverklaard. Na ontvangst van de financiële compensatie voor de emancipatie vertrok Robert terug naar Schotland en stelde hij zijn broer, John Johnstone als directeur aan. Na de emancipatie schakelde de plantage over op contractarbeid. De contractanten kwamen uit Brits- Indië en Java. Inmiddels was ook Nursery aangekocht en werd samen met Hazard feitelijk één bedrijf gevormd. In totaal werden 2187 Hindostaanse contractanten ( 1880-1916) en 3033 javaanse ( 1901-1929) geworven. In 1883 werd Kirke in staat van faillissement verklaard. Toch vroeg hij een jaar later een perceel van 217 hectare (500 akkers) tegen over Waterloo aan.

Twintigste eeuw[bewerken]

Kirke overleed in 1901. Een paar jaar later was de productie op zijn top en werken er meer dan 1100 contractarbeiders. Waterloo was toen een van de slechts vijf suikerplantages die nog in productie waren. De productie in die tijd bedroeg ongeveer 1,5 miljoen kilo rietsuiker en 120.000 liter rum. Doordat veel mensen in de rijstteelt ging werken kreeg de plantage een tekort aan arbeiders en werd de productie noodgedwongen verkleind. De fabriek op Hazard werd gesloten en de verwerking van het riet vond plaats op Waterloo. In die tijd zijn de twee plantages, werkend onder de naam “Nickerie Sugar Estate Company Ltd” de enigen in Suriname die kunstmest gebruiken.

In 1937 begon de Guyanese ondernemer Sankar die ondertussen eigenaar was van Hazard, Waterloo, Longmay, Plaisance en Paradise op grote schaal kokospalmen aan te planten voor de productie van kopra en kokosolie. Binnen enkele jaren wilde hij tussen de 60.000 en 100.000 palmen hebben staan.In het begin van de jaren 50 wordt er nog ongeveer een miljoen kilo suiker en 12.00 en 19.00 liter rum geproduceerd. In 1969 stopt de productie vanwege een grote staking onder leiding van Eddy Bruma. De staking leidde uiteindelijk tot het faillissement van Sankar en de sluiting van de plantage.

In 1978 wordt een deel van de plantage verkocht aan de rijstmagnaat Imro Manglie. In 2013 laat hij een vliegveldje aanleggen op het terrein van de voormalige plantage. Op Waterloo wordt nu gebouwd aan een nieuwe rijstfabriek. Dit zal de grootste rijstfabriek worden ten noorden van de Amazone in Zuid- en Midden-Amerika.

Trivia

  • Van de grote directeurswoning die 100 ramen telde, wordt verteld dat het honderdste raam op last van de gouverneur nooit open mocht staan.
  • Het boek “De suiker die niet zoet was” van Safdar Zaida speelt zich voor een deel af op Waterloo. Dat geldt ook voor “Vervoering” van Shantie Singh. In “De laatste resten tropisch Nederland” van Willem Frederik Hermans wordt de staking beschreven.
  • De vader van politicus Jagernath Lachmon werkte als kok op Waterloo