Waterstaatskerk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Mozes en Aäronkerk in Amsterdam in neoclassicistische stijl

Waterstaatskerk is de benaming voor Nederlandse kerkgebouwen die tussen 1824 en 1875[1] met financiële steun van de landelijke overheid werden gebouwd. Het ontwerp en de bouw van dergelijke kerken was onderhevig aan de goedkeuring en controle door ingenieurs van het ministerie van Waterstaat. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is het begrip Waterstaatskerk niet verbonden aan een bepaalde bouwstijl.

Regeling[bewerken]

Deze regeling werd ingevoerd om een einde te maken aan conflicten tussen katholieken en hervormden over het bezit van oude kerken. Een eerdere regeling die een proportionele verdeling van kerkgebouwen beoogde, mislukte door de veelvuldige weigering van hervormde zijde om mee te werken. Een aantal kerken werd weliswaar officieel teruggegeven aan de katholieken, maar deze konden de gebouwen niet in gebruik nemen, omdat de hervormden weigerden ze te verlaten. Uiteindelijk werd besloten dat elke kerk in handen bleef van het genootschap dat die kerk op dat moment in bezit had, legaal of niet.

Ter compensatie beloofde de overheid financiële ondersteuning bij de bouw van nieuwe kerken en bij het herstel van oude kerken. In de meeste gevallen ging het om katholieke kerken. Alleen in het zuiden van het land, en in mindere mate in delen van Overijssel en Gelderland, waren de katholieken er op vrij grote schaal in geslaagd hun oude kerken terug te krijgen en werden de protestanten gecompenseerd. Aan het verlenen van financiële steun bij het herstel van vervallen kerken werden door de overheid vaak hoge eisen gesteld, waardoor herstel in de praktijk vaak neerkwam op sloop en vervanging door nieuwbouw. Vanaf 1848 konden ook de gereformeerden gebruikmaken van de regeling voor de nieuwbouw van kerken.

Een bijzondere groep kerken vormen de Leopoldskerken, vier protestantse kerken in de huidige provincie Limburg die tussen 1835 en 1839 op kosten van de Belgische overheid en onder toezicht van het Belgische Ministerie van Waterstaat werden gebouwd.

Bouwstijlen[bewerken]

Ten onrechte wordt er vaak gesproken van een Waterstaatstijl. Andersom worden kerken vaak ten onrechte Waterstaatskerk genoemd. Inderdaad vertonen vooral kerken die werden gebouwd in de eerste drie decennia dat de regeling van kracht was belangrijke overeenkomsten in stijl en vorm. Dit heeft geleid tot het misverstand dat de overheid het uiterlijk van de kerk bepaalde. "Wat er staat is Waterstaat" werd tijdens de hoogtijdagen van de neogotiek (tweede helft 19e eeuw) als gezegde gebruikt om de afkeer van dergelijke kerken uit te drukken.

De bouwstijl werd echter niet door de overheid voorgeschreven en werd ook toegepast bij de talloze kerken die buiten de regeling om gebouwd werden. In feite gaat het hier om neoclassicisme, de indertijd internationaal toonaangevende bouwstijl die in Nederland aan het einde van de 18e eeuw werd geïntroduceerd en gedurende de eerste helft van de 19e eeuw in verschillende varianten op grote schaal werd toegepast, zowel bij kerkelijke als profane gebouwen. De benaming Waterstaatstijl wordt vooral gebruikt voor een variant die wordt gekenmerkt door een versierde voorgevel met (vaak puur decoratieve) zuilen en een timpaan met daarboven een kleine, meestal houten, klokkentoren. Opvallend genoeg voldoen kerken die werden ontworpen door de eigen ingenieurs van Waterstaat doorgaans niet aan dit beeld.

Een variant hierop vertoont decoratief toegepaste stijlelementen uit de gotiek en wordt wel Willem II-gotiek, waterstaatgotiek of stucadoorsgotiek genoemd. Na 1853 pasten katholieken steeds meer de echte neogotiek toe. Wel stelde het ministerie vaak de eis dat het gebruik van kostbare materialen en ingewikkelde constructies als gewelven achterwege zou blijven, en werd menige katholieke kerk in het noorden van het land gebouwd zonder toren, omdat de protestanten zich eraan zouden kunnen storen. Het gebeurde echter ook dat een kerk op advies van Waterstaat kostbaarder werd uitgevoerd dan oorspronkelijk de bedoeling was.[bron?]

Veel kerken uit de eerste decennia van de Waterstaatperiode werden later vervangen, omdat de neoclassicistische bouwstijl voor katholieke kerken niet meer als passend werd beschouwd. In andere gevallen waren de kerken zo slecht gebouwd dat ze al snel in verval raakten.

Voorbeelden van Waterstaatskerken[bewerken]

Zie ook[bewerken]