Wet inkomstenbelasting 2001

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet inkomstenbelasting 2001 (kortweg IB of Wet IB 2001, identificatienummer BWBR0011353) regelt een belasting in Nederland, nl. de inkomstenbelasting die de Nederlandse rijksoverheid heft met betrekking tot inkomen dat in Nederland woonachtige en bepaalde niet in Nederland woonachtige natuurlijke personen genieten. Rechtspersonen vallen niet onder de Wet IB 2001, maar onder de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inkomstenbelasting is een zogenoemde inkomensbelasting.

De Nederlandse inkomstenbelasting levert op zichzelf maar een klein deel van de totale belastingopbrengst op (gemiddeld enkele procenten). Toch wordt zij in de fiscale praktijk ook wel aangeduid als 'de koningin der belastingen'. De reden hiervoor is dat de inkomstenbelasting eindheffing is met betrekking tot de loonbelasting (naar opbrengst wel een 'grote' belasting), en omdat bovendien het winstbegip in de vennootschapsbelasting gelijk is aan dat van de inkomstenbelasting. De inkomstenbelasting is daarmee van grote invloed op deze heffingen en als eindheffing op de loonbelasting ook op het dagelijks leven van de meeste mensen, en daarme inderdaad een 'koningin'. In de fiscale studie neemt inkomstenbelasting dan ook traditioneel een belangrijke plaats in.

De wet is ingegaan in het jaar 2001 en vervangt de Wet inkomstenbelasting 1964.

Indeling[bewerken]

De indeling is hiërarchisch met drie niveaus: hoofdstukken, afdelingen, en, alleen in de hoofdstukken 3 en 4, paragrafen. De nummers van de afdelingen zijn hiërarchisch zoals 2.5 en 3.1, de nummers van de paragrafen zijn hiërarchisch zoals 3.2.5 en 3.3.1. De artikelnummering is hiërarchisch met twee niveaus: het hoofdstuknummer en het artikelnummer binnen het hoofdstuk. Bij hoofdstuk 10A en het voorgestelde hoofdstuk 10B worden in de artikelnummers kleine letters a en b gebruikt, bijvoorbeeld artikel 10a.9 en artikel 10b.1.

  • Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
  • Hoofdstuk 2. Raamwerk (over o.m. boxen, heffingskorting, verzamelinkomen, binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen, zie ook onder)
  • Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning (dat wil zeggen bij box 1)
  • Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (dat wil zeggen bij box 2)
  • Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (dat wil zeggen bij box 3)
  • Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
  • Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
  • Hoofdstuk 8. Heffingskorting
  • Hoofdstuk 9. Wijze van heffing
  • Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen - o.m. over de inflatiecorrectie (zie onder)
  • Hoofdstuk 10A. Overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten, onder meer de levensloopverlofkorting (het overgangsrecht met betrekking tot de invoering van de wet staat in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)
  • Hoofdstuk 10B. Horizonbepaling (zie onder)
  • Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

De subjectieve belastingplicht[bewerken]

De subjectieve belastingplicht regelt wie de belasting verschuldigd is. Belastingplichtig is de natuurlijke persoon die in Nederland woont - de zogenoemde binnenlands belastingplichtige - en de niet in Nederland woonachtige natuurlijke persoon, maar uitsluitend indien en voor zover die Nederlands inkomen geniet - de zogenoemde buitenlandse belastingplichtige. Voor buitenlandse belastingplichtigen gelden afwijkende regels ten opzichte van de binnenlandse belastingplichtigen. Er bestaat wel de mogelijkheid om voor de regels van belastingplichtigen te kiezen maar zij blijven buitenlands belastingplichtigen. Ook de partner van een buitenlandse belastingplichtige die zelf geen buitenlandse belastingplichtige is (dus hij/zij geniet geen Nederlands inkomen), heeft deze keuze.

De objectieve belastingplicht[bewerken]

De objectieve belastingplicht regelt het object waarover de belasting verschuldigd is. Binnenlands belastingplichtigen zijn voor hun gehele inkomen (wereldinkomen) in Nederland belastingplichtig, dat wil zeggen inkomen dat zijn oorsprong zowel binnen als buiten Nederland heeft. Buitenlands belastingplichtigen zijn in Nederland uitsluitend belastingplichtig voor inkomen dat een bepaalde binding heeft met het Nederlandse grondgebied (Nederlands inkomen).

Voor "In Nederland wonen" geeft de Wet IB 2001 geen regels, maar moeten we kijken naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en naar de jurisprudentie. Art. 4 AWR bepaalt dat naar de omstandigheden moet worden beoordeeld waar iemand woont. De belangrijkste maatstaf hierbij is waar iemands middelpunt van zijn of haar leven is. Onder meer de volgende vragen kunnen hierbij een rol spelen:

  • Waar woont de partner?
  • Waar wonen de minderjarige kinderen?
  • Waar werkt iemand?
  • Waar neemt hij/zij deel aan het maatschappelijke verkeer?
  • Hoe lang wordt er ergens verbleven?

Boxen[bewerken]

In Nederland wordt het inkomen belast in drie verschillende zogenoemde boxen[1] (hier met de cijfers voor 2013):

  • Box 1: Inkomsten uit werk en woning - progressief belast, 4 schijven: 37%, 42%, 42% en 52%; dit is bij de eerste en tweede schijf inclusief de premies volksverzekeringen (Anw, AOW en AWBZ). Voor personen boven de AOW-leeftijd geldt (nu nog, zie ook fiscalisering) dat geen AOW-premie verschuldigd is, waardoor een verlaagd tarief geldt in de eerste (19,1%) en tweede schijf (24,1%). Aanvullend is er een gereduceerd schijventarief (nul in de 1e, 2e en 3e schijf, 0,5% in de 4e schijf) voor inkomen besteed aan de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. Wat wordt genoemd "het belastbare inkomen in box 1" is exclusief dit laatste inkomen, en dus niet alleenbepalend voor de belasting in box 1.
  • Box 2: Inkomsten uit aanmerkelijk belang - tarief is 25%
  • Box 3: Inkomsten uit sparen en beleggen - er wordt uitgegaan van een fictief rendement van 4%; het tarief is 30%, dat is dus 1,2% van het vermogen - dit is de vermogensrendementsheffing. De peildatum is 1 januari van het betreffende jaar.

Het drempelinkomen[2] is het totale inkomen van alle drie de boxen samen (in box 1 zonder het inkomen besteed aan de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning), vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Deze laatste wordt toegepast op het inkomen in box 1 en als dat niet toereikend is op het inkomen in box 3 en vervolgens box 2.

Het verzamelinkomen is het totale inkomen van alle drie de boxen samen (in box 1 weer zonder het inkomen besteed aan de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning), na toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Het is het inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen (BRI), dat bij diverse inkomensafhankelijke regelingen de basis vormt. Voor de inkomstenbelasting zelf is het onder meer van belang voor de ouderenkorting. Door inkomensafhankelijkheid van regelingen is het netto effect van een verhoging of verlaging van het inkomen in een box in voorkomende gevallen groter dan de bovengenoemde percentages. Binnen bepaalde grenzen voor wat betreft het verzamelinkomen zijn bijvoorbeeld door het kindgebonden budget de effectieve percentages in elke box 7,6% hoger. De effectieve vermogensrendementsheffing wordt dan 0,304 procentpunt hoger, dus 1,504%.

De 'gecombineerde inkomensheffing' is het totaal van de belastingen in de drie boxen, plus de premies in box 1. Hierop worden heffingskortingen toegepast. Ook deze kunnen afhangen van het inkomen of bestanddelen daarvan.

Dit boxensysteem geeft de Wet IB 2001 een zogeheten analytisch karakter; dit betekent dat opbrengsten uit bronnen van inkomen worden gerangschikt in boxen (of dergelijke constructies) en verschillend worden belast. Met dit analytisch karakter breekt de Wet IB met de traditie van het synthetische karakter (het optellen van alle inkomsten, dan bedragen aftrekken en tot slot het tarief erop toepassen) dat het altijd gehad heeft. De huidige Wet IB kent echter wel synthetische elementen: het verzamelinkomen, de persoonsgebonden aftrek en de algemene heffingskorting [3].

Fiscaal partnerschap[bewerken]

Fiscale partners kunnen een aantal inkomstencategorieën (maar met name niet inkomsten uit arbeid) en aftrekposten[4] elk afzonderlijk naar keuze verdelen over beiden. Daarnaast zijn er enkele posten waarvan de verdeling bepaald wordt door de andere keuzes, of anderszins. In sommige gevallen maakt een verschuiving in box 1 tussen partners niet uit voor de verschuldigde belasting over het betreffende jaar, maar wel voor het doorschuiven van een verlies naar een volgend jaar (onbenutte heffingskortingen kunnen niet worden doorgeschoven naar een volgend jaar, maar negatief inkomen in box 1 wel). Fiscaal partnerschap heeft ook nadelen, bijvoorbeeld dat de drempel voor de giftenaftrek gebaseerd is op het gezamenlijke inkomen.

Sinds 2011 is er een objectief partnerbegrip (twee mensen kunnen niet meer kiezen of ze wel of niet fiscale partners zijn). Het is strikter dan voorheen, maar wel ruimer dan het basispartnerbegrip: ook ongehuwd samenwonenden met een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling vallen eronder. Niemand kan meer dan één partner hebben; voor het geval dat zowel A en B als A en C potentieel partners zijn, zijn er regels die bepalen of er een partnerschap geldt, en zo ja, welk.

Er moet wel daadwerkelijk samengewoond worden. Een van tafel en bed gescheiden echtpaar kan dus geen fiscaal partnerschap opleveren. Dit geldt ook wanneer een van de partners onvrijwillig het huishouden moet verlaten, bijvoorbeeld vanwege het uitzitten van een langdurige gevangenisstraf of opname in een verpleeghuis.

Zie ook het partnerbegrip in de erfbelasting.

Voorheffingen[bewerken]

Op de verschuldigde inkomstenbelasting kunnen onder omstandigheden twee andere Nederlandse belastingen in mindering worden gebracht: de loonbelasting en de dividendbelasting. Kunnen die belastingen met de inkomstenbelasting verrekend worden, dan worden deze belastingen voorheffingen genoemd. Is dat niet het geval, dan zijn de twee belastingen zogenoemde eindheffingen.

Is het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting hoger dan het bedrag van de voorheffingen, dan dient de belastingplichtige het verschil bij te betalen. Overtreft het bedrag van de voorheffingen de verschuldigde inkomstenbelasting, dan wordt het verschil aan de belastingplichtige terugbetaald.

Aangifte[bewerken]

De gegevens voor de belastingaanslag voor een kalenderjaar worden onder andere bepaald op basis van de aangifte, die de belastingplichtige voor 1 april van het volgende jaar moet indienen. Daartoe stuurt de belastingdienst een aangiftebrief die oproept om het aangifteprogramma te downloaden en daarmee digitaal aangifte te doen; hierbij is de DigiD nodig. Vanaf maart 2009 wordt indien gewenst bij het downloaden een deel van de gegevens (voornamelijk items van box 1, nog niet die van box 3) al door de belastingdienst ingevuld; in dat geval is ook bij het downloaden de DigiD nodig.

Ook is het nog mogelijk een papieren aangiftebiljet te ontvangen, en dat in te vullen en op te sturen of in de bus te doen.

Aanslag[bewerken]

Men onderscheidt voorlopige aanslagen en de definitieve aanslag. Ook als men digitaal aangifte heeft gedaan krijgt men deze op papier toegestuurd. Men moet dan bijbetalen, krijgt geld terug, of geen van beide.

De aanslagen betreffen belasting en premies volksverzekeringen. Op het aanslagbiljet staat wel de totale premie volksverzekeringen apart van de belasting vermeld, maar dan zonder aftrek van de bijbehorende heffingskorting. De bedragen van de heffingskortingen worden niet uitgesplitst in die voor belasting en die voor premies.

Voor de berekening van wat men moet betalen of terugkrijgt is de onderverdeling (behoudens mogelijk een afrondingsverschil) niet van belang.

De voorlopige aanslag 2014, zoals die bijv. in januari 2014 is verstuurd, is zeer onnauwkeurig. Er wordt bijvoorbeeld uitgegaan van de maximale algemene heffingskorting in plaats van het bedrag dat bij het betreffende inkomen hoort. Het computerprogramma 'Verzoek of wijziging voorlopige aanslag' dat gebruikt moet worden om de correctie te laten uitvoeren houdt echter rekening met nog minder van de veranderingen met ingang van 2014. De Belastingdienst raadt aan te wachten op een nieuwere versie.

Wijzigingen[bewerken]

Per kalenderjaar zijn er wijzigingen van de wet, soms ook tussentijds.[5]. De wijzigingswetten en -regelingen hebben vaak ook betrekking op andere belastingwetten, zie wijzigingen van belastingen in Nederland.

Artikel 10.1 van de wet somt een aantal artikelen van de wet op waarin bedragen staan waarop jaarlijks een inflatiecorrectie wordt toegepast door ze met een zogeheten tabelcorrectiefactor te vermenigvuldigen; Belastingplan 2008 verwijderde artikel 8.10 per 2009 hieruit en voegt het per 2012 weer toe (tijdelijk achterwege laten indexering algemene heffingskorting); het tweede lid van artikel 10.1 schrijft voor dat de bovengrens van de tweede schijf slechts voor 75% wordt geïndexeerd (houdbaarheidsbijdrage), behalve in de aparte tabel voor wie vóór 1946 geboren is. Sommige bedragen worden niet geïndexeerd, zoals het drempelbedrag voor de middelingsteruggaaf van € 545.[6]

Artikel 10.2 definieert de tabelcorrectiefactor als de verhouding van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de achttiende tot en met de zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de dertigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand. De prijsindexcijfers zijn de cijfers uit de "Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid" van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De tabelcorrectiefactor is daardoor in de loop van juli voorafgaand aan het belastingjaar voorlopig bekend, en in augustus definitief. Voor 2013 is deze 1,022, corresponderend met 2,2% inflatie. Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 van april 2012 wordt deze tabelcorrectiefactor echter op de meeste bedragen niet toegepast. Dit is een blijvende maatregel in de zin dat de betreffende inflatie blijvend niet in aanmerking wordt genomen, maar eenmalig in de zin dat bij verdere inflatie in de toekomst de tabelcorrectiefactor weer wel wordt toegepast.

De nieuwe bedragen in de wet worden in december gepubliceerd, in de bijstellingsregeling voor het daarop volgende belastingjaar.

Wijzigingen met ingang van jaar T staan jaarlijks in:

  • Fiscale verzamelwet T-1
  • Belastingplan T
  • Overige fiscale maatregelen T

Soms worden in een wet ook wijzigingen voor latere jaren vastgesteld. Dit geldt bijvoorbeeld voor de afbouw van de korting voor maatschappelijke beleggingen en van de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. Deze stond in het Belastingplan 2011 als een wijziging van de artikelen 8.19 en 8.20 per 2011, 2012 en 2013, en het vervallen van deze artikelen per 2014. (Later is deze vervroegd afgeschaft, per 2013.)

Daarnaast is de wet ook deels een zichzelf wijzigende wet: "Artikel 10.6a. Jaarlijkse verlaging percentage in regeling gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner" bepaalt: "Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.9, eerste lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verlagen met 6 2/3%-punt." (geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners).

Een tijdelijke regeling wordt soms vormgegeven als wetswijziging per ingangsdatum en een gelijktijdig vastgestelde wetswijziging per einddatum. Daarnaast is er het systeem van de horizonbepaling. Dit is de bepaling dat een regeling tijdelijk is, met de achterliggende gedachte dat te zijner tijd besloten kan worden om er een regeling voor onbepaalde tijd van te maken (door de horizonbepaling te laten vervallen) of de regeling te verlengen (door de datum in de horizonbepaling te veranderen in een latere datum). Het hoofdstuk bevat één artikel, met één lid, over de culturele instelling. Er is een wetswijziging aangenomen om per 1 januari 2013 aan het artikel een lid toe te voegen over de arbeidskorting; aanhangig is het niet doorgaan van deze wijziging, en toevoeging van een lid dat bepaalt dat een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg voor de verzorging van een pleegkind vrijgesteld is van belastingheffing.

De Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (Commissie Van Dijkhuizen), onder voorzitterschap van Kees van Dijkhuizen, heeft in oktober 2012 een interimrapport uitgebracht met diverse voorstellen.[7][8] De vervroegde deelrapportage was ten behoeve van de Kabinetsformatie Nederland 2012. In haar eindrapport is de commissie nog ingegaan op het stroomlijnen van de heffingskortingen en toeslagen in één geïntegreerde huishoudentoeslag, en heeft zij aandacht besteed aan de belasting op inkomen uit kapitaal in box 2 en box 3.[9] De regering heeft aangekondigd vóór 1 april 2014 met een reactie te komen.[10]

Geschiedenis[bewerken]

  • 1 mei 1893 - inwerkingtreding Wet op de vermogensbelasting 1892 (wet van 27 september 1892, Stb. 223): belasting op inkomsten uit vermogen, waarbij deze inkomsten forfaitair gesteld worden op jaarlijks 4% van dat vermogen[11]; omdat het vermogen de bezittingen min de schulden is en de waarde van de eigen woning meetelde als bezitting kwam dit tevens materieel neer op invoering van huurwaardeforfait en een (al of niet forfaitaire) hypotheekrenteaftrek
  • 1 mei 1894 - inwerkingtreding Wet op de bedrijfsbelasting 1893 (wet van 2 oktober 1893, Stb. 149): belasting op bedrijfs- en andere inkomsten[11]
  • 1914 - Wet op de inkomstenbelasting 1914; de vermogens- en de bedrijfsbelasting worden omgevormd tot een inkomstenbelasting die het totale inkomen (inclusief de werkelijke inkomsten uit vermogen) progressief belast en een aparte vermogensbelasting die lager is dan daarvóór[11]
  • 1941 - Besluit op de inkomstenbelasting 1941 (onder de Duitse bezetter ingevoerd, na de bevrijding gehandhaafd)
  • 1965 - invoering Wet inkomstenbelasting 1964
  • 1990 - Wet vereenvoudiging loon- en inkomstenbelasting (Oort-operatie), gebaseerd op het rapport Zicht op eenvoud van de Commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en inkomstenbelasting (Commissie-Oort), mei 1986:
    • het aantal belastingschijven gaat van 9 naar 3
    • voor belasting en premies volksverzekeringen gaat dezelfde grondslag gelden
    • werknemers gaan alle premies volksverzekeringen betalen in plaats van alleen die voor AOW/AWW, maar ter compensatie moet de werkgever hen overhevelingstoeslag betalen
  • 1992 - Brede Herwaardering[12]:
  • 1999 - het aantal belastingschijven gaat van 3 naar 4
  • 2001 - invoering Wet inkomstenbelasting 2001, onder andere gebaseerd op Graag of niet, rapport van de Commissie voor de Belastingherziening (commissie Stevens), juli 1991, en de regeringsnota Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning, december 1997:
    • invoering boxen, alleen voor box 1 is er nog een schijventarief; invoering vermogensrendementsheffing op basis van fictief rendement, met afschaffing van de vermogensbelasting
    • de overhevelingstoeslag wordt in het bruto loon verwerkt

Zie ook:

Internationale aspecten[bewerken]

Zie voor de internationale aspecten van de Wet inkomstenbelasting 2001: belastingverdrag.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

Bron
  1. De term box staat niet in de wet, maar wordt wel uitgebreid gehanteerd in de Memorie van Toelichting. Ook komt de term voor in twee kopjes in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (niet in de tekst zelf).
  2. In de wet wordt niet de term drempelinkomen gebruikt, maar steeds de omschrijving "verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek".
  3. Prof. dr. C.A. de Kam e.a.: Belastingrecht in Hoofdlijnen, vierde herziene druk, pagina 98 e.v.
  4. http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/inkomstenbelasting/nieuw_in_2012/fiscaal_partnerschap_2012/gevolgen_fiscaal_partnerschap/welke_inkomsten_en_aftrekposten_mag_u_verdelen
  5. Wijzigingen IB
  6. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26727-7.html
  7. http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/10/17/commissie-van-dijkhuizen-lagere-tarieven-inkomstenbelasting-en-meer-werkgelegenheid.html
  8. http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belasting-betalen/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/10/16/interimrapport-commissie-inkomstenbelasting-en-toeslagen.html
  9. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/06/18/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting.html
  10. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/07/10/brief-over-kabinetsreactie-commissie-van-dijkhuizen.html
  11. a b c Het vermogen te dragen
  12. Wet van 12 december 1991 tot wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioenlichamen, Stb. 697. Deze wet is online te vinden op http://www.statengeneraaldigitaal.nl als Tweede gewijzigd voorstel van wet, Kamerstuk Eerste Kamer 1990-1991 kamerstuknummer 21198 ondernummer 259. (Publicaties van het Staatsblad van vóór 1995 staan nog niet online.) Zie ook [1].