Wet op de omzetbelasting 1968

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Nederlandse Wet op de omzetbelasting 1968 (kortweg Wet OB 1968) uit 28 juni 1968, beschrijft de vervanging van de bestaande omzetbelasting door een omzetbelasting volgens het stelsel van heffing over de toegevoegde waarde. Dit stelsel van heffing is het gevolg van een implementatie van de zogenaamde eerste en tweede btw-richtlijnen van de Europese Gemeenschap.

Werking omzetbelasting[bewerken]

Omzetbelasting (of btw) wordt geheven over de toegevoegde waarde. De belastingplichtige is over de totale verkoopprijs een percentage aan omzetbelasting verschuldigd. Nederland kent drie btw-percentages, te weten 21%, 6% en 0%.

Omzetbelasting vanwege levering van goederen of verrichten van diensten[bewerken]

Omzetbelasting wordt onder andere geheven van de (niet vrijgestelde) ondernemer die goederen levert of diensten verricht in Nederland. Verricht een ondernemer een dergelijke prestatie buiten Nederland dan is deze hierover geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd.

Al wordt de bij de belastingplichtige de omzetbelasting geheven, het drukt in de meeste gevallen niet op hem, maar op de consument (of eindverbruiker). Deze betaalt uiteindelijk de volledige prijs inclusief btw van het product of dienst.

Indien en voor zover de afnemer van die prestatie kan aantonen dat hijzelf een belastingplichtig ondernemer is en de aan hem geleverde prestaties worden gebruikt binnen zijn onderneming, kan hij de betaalde belasting als voorbelasting terugkrijgen van de fiscus.

Omzetbelasting vanwege aankopen in andere EU-landen[bewerken]

Daarnaast is een ondernemer die in een ander EU-land goederen koopt Nederlandse btw verschuldigd. In dit geval wordt dus geen buitenlandse btw door de leverancier in rekening gebracht. Er is in dit geval sprake van een intracommunautaire levering. De ondernemer die de goederen koopt dient deze btw bij zijn maandelijkse omzetbelasting aangifte op te geven. Ook in dit geval heeft de ondernemer recht op voorbelasting. Deze dient hij gelijktijdig bij de intracommunautaire verwerving op de aangifte aan te geven. Dit betekent dat er effectief geen btw wordt afgedragen.

Omzetbelasting vanwege invoer[bewerken]

Ook bij invoer wordt omzetbelasting geheven. Hiervan is sprake indien goederen van buiten de EU worden vervoerd. In tegenstelling tot de levering van goederen, het verrichten van diensten en het aankopen uit andere EU-landen wordt bij invoer ook geheven van niet-ondernemers (particulieren).

De belasting wordt geheven door de douane bij invoer. Bij invoer dient gelijk te worden betaald. Voor ondernemers die veel invoeren is dit nogal bezwaarlijk. Voor deze groep is een verleggingsregeling mogelijk. Dit houdt in dat zij dat wat zij invoeren op aangifte mogen vermelden.

Aangiftebelasting[bewerken]

Omzetbelasting is een aangiftebelasting. Dit houdt in dat de belastingplichtige (meestal ondernemer) bij het doen van aangifte gelijk een aanslag oplegt. Dit in tegenstelling tot aanslagbelastingen (onder andere inkomstenbelasting). Daar wordt de aanslag door de inspecteur van de Belastingdienst opgelegd. De aangifte en de betaling dient uiterlijk één maand na het verstrijken belastingtijdvak bij de Belastingdienst binnen zijn.

De belastingplichtige[bewerken]

Bij de omzetbelasting staat de belastingplichtige centraal. In de meeste gevallen is de ondernemer de belastingplichtige. Maar soms kan dit ook een particulier zijn. Hieronder zal behandeld wie in welke gevallen de belastingplichtige is:

  • leveringen van goederen en diensten:
    belastingplichtige is hier de (als zodanig handelende) ondernemer. Belangrijk verder is dat de levering of dienst onder bezwarende titel wordt verricht. Dit betekent dat de levering of dienst niet gratis (om niet) mag worden verricht;
  • verwervingen uit andere EU-landen (intracommunautaire verwervingen) van goederen onder bezwarende titel:
    hier dient sprake te zijn van een ondernemer die goederen uit een ander EU-land verwerft. Behalve ondernemers kan het hier ook gaan om rechtspersonen die geen ondernemer zijn;
  • verwervingen van vervoermiddelen onder bezwarende titel uit een ander EU-land (intracommunautaire verwervingen):
    in dit geval is het niet van belang of de verwerver ondernemer, particulier of een rechtspersoon is. Zodra een vervoermiddel uit een ander EU-land wordt verworven is deze belastingplichtige voor de omzetbelasting.
  • invoer van goederen:
    ook hier is het niet van belang wie invoert. Bij invoer is de invoerder belastingplichtige.

Tarieven[bewerken]

Binnen de omzetbelasting bestaan verschillende tarieven. Namelijk 0%, 6% en 21%. Daarnaast zijn er ondernemers die vrijgesteld zijn van het afdragen van omzetbelasting.

Vrijgestelde prestaties[bewerken]

Over het leveren van bepaalde goederen, zoals in Nederland medicijnen op doktersrecept door een apotheek, en het verrichten van bepaalde diensten, zoals het geven van onderwijs, het verlenen van medische hulp en de meeste diensten, die een bank verleent, wordt geen omzetbelasting geheven. Deze leveranties en diensten zijn vrijgesteld. De hierop betrekking hebbende voorbelasting, zoals de btw die over kantoor-, telefoon- en accountantskosten in rekening is gebracht, kan dan niet verrekend worden. Deze btw behoort dan dus gewoon tot de bedrijfskosten.

Als een onderneming zowel belaste als vrijgestelde prestaties levert, wordt de voorbelasting naar rato van de omzet verrekend. Wanneer een ondernemer bijvoorbeeld per jaar € 100.000 ontvangt voor gegeven onderwijs (vrijgesteld) en € 200.000 voor bedrijfsadviezen (belast), kan hij de betaalde voorbelasting voor 2/3 deel verrekenen, omdat hij ook over 2/3 deel van zijn totale omzet btw heeft afgedragen.

Het nultarief (0%)[bewerken]

Op goederen die vanuit Nederland naar een ander land worden geëxporteerd rust geen omzetbelasting. Hierop is het zogenaamde nultarief van toepassing. Bijzonder aan het nultarief is dat de ondernemer wel zijn recht behoudt op aftrek van de voorbelasting. Dit in tegenstelling tot de vrijgestelde ondernemer.

Bij het nultarief wordt onderscheid gemaakt tussen de intracommunautaire levering en export. Van een intracommunautaire levering is sprake in het geval dat een goed vanuit Nederland geleverd wordt naar een ander EU-land. Hierbij wordt de eis gesteld dat in het andere EU-land btw geheven wordt. Deze eis geldt niet bij uitvoer naar een niet-EU-land.

Het 6% tarief[bewerken]

Voor bepaalde levering van goederen en diensten is sprake van een tarief van 6%. Om te bepalen welke goederen of diensten dit zijn is in de Wet op de omzetbelasting 1968 Tabel I toegevoegd. Hierop staat limitatief opgesomd in welke gevallen er sprake is van dit tarief. Hierbij kan gedacht worden aan de levering van voedingsmiddelen in de vorm van eet- en drinkwaren voor de menselijke consumptie. Bij diensten kan gedacht worden aan het herstellen van fietsen, schoeisel en kleding.

Zie voor de gehele lijst Tabel I bij de externe links: Wet op de omzetbelasting 1968.

Het 21% tarief[bewerken]

De levering van goederen en diensten zijn belast tegen 21% btw, tenzij nadrukkelijk een ander tarief verklaard is.

Aftrek van voorbelasting[bewerken]

Onder voorwaarden mag de belastingplichtige op omzetbelasting die hij verschuldigd is de voorbelasting aftrekken. Het gaat hier om:

  • omzetbelasting die door andere ondernemers aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht;
  • omzetbelasting die de ondernemer heeft betaald voor de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen;
  • omzetbelasting die de ondernemer verschuldigd is bij invoer van goederen uit niet-EU-landen.

Doorgaans wordt de voorbelasting verrekend met de door hem ingehouden btw, die hij aan de fiscus moet afdragen. Als de terug te ontvangen btw echter groter uitvalt dan de af te dragen btw, dan keert de fiscus dit verschil daadwerkelijk uit. Dit komt voor bij exporteurs, die binnen het land inkopen en daarbij btw betalen, over de verkoop geldt bij export vaak een 0%-tarief (onder andere in Nederland en België), en dus krijgt de exporteur de betaalde btw terug van de fiscus.

btw-richtlijn[bewerken]

De huidige systematiek van de wet op de omzetbelasting 1968 is met name gebaseerd op de btw-richtlijn (voluit: Richtlijn 2006/112/EG (btw-richtlijn 2007; V-N 2007/3.6.1). Deze richtlijn heeft op 1 januari 2007 de Zesde richtlijn vervangen.

De richtlijn heeft de bedoeling de heffing van btw binnen de EU te harmoniseren. Dit door te omschrijven hoe de omzetbelasting in de EU-landen geheven dient te worden. Het kan zijn dat de richtlijn afwijkt van nationale regels. In dit geval zijn er twee mogelijkheden:

  • de regels in de richtlijn zijn gunstiger voor de belastingplichtige: in dit geval kan de belastingplichtige zich via de rechter beroepen op de richtlijn;
  • de nationale regels zijn gunstiger voor de belastingplichtige: in dit geval is de belastingplichtige verplicht zich te houden aan de nationale regels en mag hij zich niet beroepen op de richtlijn.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]