Wilgenroosjes-associatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wilgenroosjes-associatie
Wilgenroosjes-associatie met wilgenroosje
Wilgenroosjes-associatie met wilgenroosje
Syntaxonomische indeling
Klasse:Epilobietea angustifolii (Klasse van de kapvlaktengemeenschappen)
Orde:Atropetalia
Verbond:Carici piluliferae-Epilobion angustifolii (Wilgenroosjes-verbond)
Associatie
Senecioni sylvatici-Epilobietum angustifolii
(Hueck 1931) Tx., 1950

De wilgenroosjes-associatie (Senecioni sylvatici-Epilobietum angustifolii) is een associatie uit de klasse van de kapvlaktengemeenschappen, een kortlevende plantengemeenschap die voorkomt op droge, betrekkelijk voedselarme standplaatsen in bosgebieden waarin door kap, brand of windworp de boomlaag verdwijnt, maar ook in heide- en duingebieden waarin door brand of bemesting de voedselrijkdom plots toeneemt.

Deze vegetaties zijn herkenbaar aan hun hoog opschietende pionierssoorten, met overwegend roze en gele bloemen en met als typische soort het wilgenroosje.

Deze associatie komt in Vlaanderen en Nederland verspreid maar de laatste jaren nog slechts zelden voor.

Naamgeving, etymologie en codering[bewerken]

  • Synoniem: Senecioni-Epilobietum angustifolii (Hueck. 1931) Tx. 1950
  • Duits: Fazies von Avenella flexuosa mit neube- gründetem jungem Buchenbestand
  • Syntaxoncode (Nederland): 34Aa01

De naam Senecioni sylvatici-Epilobietum angustifolii is afgeleid van de wetenschappelijke namen van twee belangrijke soorten binnen deze associatie, het boskruiskruid (Senecio sylvestris) en het wilgenroosje (Epilobium angustifolium).

Kenmerken[bewerken]

Algemeen[bewerken]

De wilgenroosjes-associatie is een kruidachtige vegetatie van tijdelijke aard op zure, droge en zandige bodems met eventueel wat leem. De beste voorbeelden vinden we in bosgebieden na een kaalkap. Door een plotse, ingrijpende gebeurtenissen is de boomlaag verdwenen, met een sterke toename van de lichtinval en de temperatuur tot gevolg, waardoor de humus sneller mineraliseert en de voedselrijkdom plaatselijk stijgt.

Buiten bosgebieden kunnen we deze gemeenschappen ook terugvinden op droge, voedselarme plaatsen waar de voedselrijkdom tijdelijk toeneemt, zoals door het inwaaien van meststoffen op de overgang van akkers naar heide, door het afsterven van een struweel aan de rand van duinvalleien, en in een droge heide na een heidebrand.

Ontstaan en successie[bewerken]

De wilgenroosjes-associatie ontstaat in de regel door een plotse, ingrijpende gebeurtenis, zoals een kaalkap, bosbrand of windval, in een bosvegetatie van de klasse van de naaldbossen of van de klasse van de eiken- en beukenbossen.

De associatie ontwikkelen zich op zeer korte termijn (2 tot 3 jaar), en blijven meestal maar een jaar of vijf bestaan. Ze evolueert spontaan verder in gemeenschappen gedomineerd door grassen, door bramen (struwelen van de brummel-klasse) of doornstruwelen (klasse van de doornstruwelen).

Op termijn zullen deze verder evolueren naar het oorspronkelijke bostype.

Structuur[bewerken]

De wilgenroosjes-associatie wordt gekenmerkt door de afwezigheid van een boomlaag, met uitzondering van een enkele overblijver. Ook een struiklaag is meestal afwezig, tenzij in de vorm van braamstruiken en jonge struiken en loof- of naaldbomen.

De kruidlaag is dominant en bepaalt het beeld. Op bodems met voldoende humus bestaat de vegetatie in de regel uit een dichte begroeiing van tot 1,5 m hoog opschietende, licht- en warmteminnende pioniersoorten, meestal met opvallende roze of gele bloemen, let als belangrijkste soort het wilgenroosje. Het zijn meestal planten die zich door lichte, pluizige zaden zeer ver kunnen verspreiden, of die reeds voordien in bermen en bosranden aanwezig waren.

Op sterkeuitgeloogde bodems is de vegetatie meestal schaarser en opener, en treden vooral schapenzuring, grassen en grasachtige planten op.

Onderverdeling[bewerken]

In de wilgenroosjes-associatie worden in België en Nederland drie sub-associaties onderscheiden, die duidelijk kunnen onderscheiden worden en soms zelfs als zelfstandige associaties worden beschouwd. Ze wijzen vooral op verschillen in de bodemsamenstelling, de voedselrijkdom en het vochtgehalte in de bodem.

Sub-associatie veronicetosum[bewerken]

Een sub-associatie met aanwezigheid van mannetjesereprijs (Veronica officinalis). Syntaxoncode voor Nederland is 34Aa01a.

Sub-associatie ceratocapnetosum[bewerken]

Een sub-associatie met aanwezigheid van rankende helmbloem (Ceratocapnos claviculata). Syntaxoncode voor Nederland is 34Aa01b.

Sub-associatie inops[bewerken]

Een soortenarme sub-associatie die voorkomt bij droge of zeer voedselarme bodems. Syntaxoncode voor Nederland is 34Aa01c.

Soortensamenstelling[bewerken]

Wilgenroosje
Boskruiskruid
Vingerhoedskruid
Bosdroogbloem
Schapezuring
Gewoon struisgras
Gewone braam
Bochtige smele
Rankende helmbloem

De wilgenroosjes-associatie heeft in Vlaanderen en Nederland vier algemene en goed herkenbare kensoorten in de kruidlaag, het wilgenroosje zelf, het boskruiskruid, het vingerhoedskruid en de bosdroogbloem.

Verder is de soortensamenstelling zeer variabel en een mengeling van ruderale soorten en echte bosplanten. Meestal vinden we een aantal grassen en grasachtige planten, zoals gewoon struisgras, bochtige smele, gestreepte witbol en pilzegge, en kruidachtige planten als de schapenzuring en de rankende helmbloem.

Een duidelijke boom- en struiklaag zijn afwezig, maar meestal zijn er wel bramen en/of frambozen, kleinere struiken van wilde lijsterbes, Amerikaanse vogelkers of sporkehout, en jonge exemplaren van zomereik, ruwe berk of grove den te vinden.

De moslaag is weinig ontwikkeld met gewoon klauwtjesmos als belangrijkste soort. Op brandplekken met houtskoolresten kunnen algemene stikstofminnende mossen een belangrijke plaats innemen, zoals het gewoon krulmos en het parapluutjesmos.

De voor België en Nederland belangrijkste soorten zijn:

Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
Boomlaag
-
Struiklaag
>40% Zomereik Quercus robur
>40% Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia
>40% Ruwe berk Betula pendula
>30% Zachte berk Betula pubescens
>30% Amerikaanse vogelkers Prunus serotina
>30% Sporkehout Rhamnus frangula
>20% Grove den Pinus sylvestris
>10% Gewone vlier Sambucus nigra
Kruidlaag
kA >90% Wilgenroosje Epilobium angustifolium
kA >70% Boskruiskruid Senecio sylvaticus
kA >10% Vingerhoedskruid Digitalis purpurea
kA >10% Bosdroogbloem Gnaphalium sylvaticum
>60% Schapenzuring Rumex acetosella
>50% Gewoon struisgras Agrostis capillaris
>50% Gewone braam Rubus fruticosus
>40% Bochtige smele Deschampsia flexuosa
>40% Gestreepte witbol Holcus lanatus
>40% Pilzegge Carex pilulifera
dS >40% Rankende helmbloem Ceratocapnos claviculata Sub-associatie ceratocapnetosum
>30% Struikhei Calluna vulgaris
>30% Gewone hennepnetel Galeopsis tetrahit
>30% Pitrus Juncus effusus
>30% Gladde witbol Holcus mollis
>20% Pijpenstrootje Molinia caerulea
>20% Framboos Rubus idaeus
>20% Smalle stekelvaren Dryopteris carthusiana
>20% Brede stekelvaren Dryopteris dilatata
>10% Grote brandnetel Urtica dioica
>10% Fioringras Agrostis stolonifera
>10% Vogelmuur Stellaria media
>10% Straatgras Poa annua
>10% Wilde kamperfoelie Lonicera periclymenum
>10% Veelbloemige veldbies Luzula multiflora
>10% Drienerfmuur Moehringia trinervia
>10% Blauwe bosbes Vaccinium myrtillus
dS Mannetjesereprijs Veronica officinalis Sub-associatie veronicetosum
Moslaag
>10% Gewoon klauwtjesmos Hypnum cupressiforme
Gewoon krulmos Funaria hygrometrica
Parapluutjesmos Marchantia polymorpha

Biologische Waarderingskaart[bewerken]

In de Biologische Waarderingskaart (BWK) van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staat deze associatie, samen met het verwante essen-iepenbos, bekend als alluviaal elzen-essenbos (va).

Het komt voor als volwaardige bossen in alluviale valleien op zware, matig vochtige to matig natte, lemige of zandlemige bodems en als lijnvormige elementen langsheen bronbeken in de vorm van houtkanten. Deze bossen werden in het verleden dikwijls beheerd als hakhout, maar zijn tegenwoordig dikwijls ingeplant met canadapopulier.

Het alluviaal elzen-essenbos staat gewaardeerd als 'Biologisch zeer waardevol'.

Verspreiding en voorkomen[bewerken]

Het verspreidingsgebied van de wilgenroosjes-associatie strekt zicht uit over de laaglanden en de submontane zone van West- en Midden-Europa.

In Nederland kent het een wijde verspreiding met het zwaartepunt in de zandgebieden en in de duinen.

Ook in Vlaanderen komt de wilgenroosjes-associatie zeer verspreid voor, met als zwaartepunten de Kempen en de Leemstreek.

In beide landen is door het gewijzigde bosbeheer van de laatste vijftig jaar de associatie eerder zeldzaam geworden.

Bedreiging en bescherming[bewerken]

Alhoewel de wilgenroosjes-associatie meestal geen zeldzame soorten bevat, wordt ze toch als biologisch waardevol aanzien. Door het gewijzigde bosbeheer van de laatste halve eeuw, waarbij kaalkap wordt vermeden en gekapte percelen vlugger worden heraangeplant, komt de associatie veel minder frequent voor en zijn de oppervlaktes ook veel beperkter. Ook de verruiging van de ondergroei van onze bossen door de toegenomen stikstofdepositie laat minder kansen aan dit soort vegetatie.