Winterreise (Schubert)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Begin van het eerste lied, Gute Nacht

Winterreise is een cyclus van 24 liederen getoonzet door Schubert voor zangstem en piano naar gedichten van Wilhelm Müller. De eerste "Abtheilung" van twaalf liederen werd voltooid in februari 1827, de tweede met de overige twaalf in oktober van dat jaar.

Wilhelm Müller
Wilhelm Müller
Eerste volledige uitgave Winterreise
Eerste volledige uitgave Winterreise
Der Chasseur im Walde - Caspar David Friedrich
Der Chasseur im Walde - Caspar David Friedrich 1818

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Johann Ludwig Wilhelm Müller (1794-1827), een leraar klassieken en bibliothecaris in Dessau, geldt als de Duitse Byron, maar stond vooral bekend om zijn sociaalkritische liederen. Hij werd in zijn tijd onder invloed van de censor als middelmatig afgedaan om zijn populariteit in te dammen. Van zijn hand verscheen in 1821 de cyclus Die schöne Müllerin, eveneens door Schubert getoonzet. Müller was van mening dat zijn poëzie aan kracht won door deze op muziek te zetten, want zijn gedichten behoefden “eine gleich gestimmte Seele”: Hij noteerde in zijn dagboek: “Ooit komt er misschien nog eens een fijnbesnaarde ziel die mij mijn verzen in melodieën teruggeeft”. De Leiermann uit het slotgedicht van de Winterreise wordt ook gevraagd: “Willst zu meinen Liedern deine Leier drehen?”

Nagenoeg even jong gestorven als Schubert heeft hij de muzikale vertolking van zijn gedichten niet meer mee kunnen maken. Müller publiceerde de eerste twaalf gedichten in de bundel Urania, een bloemlezing van het populaire Taschenbuch auf das Jahr 1823. Deze cyclus kreeg de titel Wanderlieder von Wilhelm Müller. Die Winterreise. Hij breidde deze reeks uit met nog twaalf verzen in het daaropvolgende jaar verschenen tweede deel van zijn Sieben und siebzig Gedichte aus der hinterlassenen Papiere eines reisenden Waldhornisten. Het tijdschrift Urania werd in 1822 naar aanleiding van een tekst van Müller verboden.

Analyse[bewerken | brontekst bewerken]

De gehele cyclus gedichten volgt het welbekende patroon van kwatrijnen, vierregelige strofen, met gebroken rijm volgens het schema abcb met drie jamben per regel wat een doorlopend metrum oplevert, waardoor de regels afwisselend eindigen met een onbeklemtoonde of beklemtoonde lettergreep en dan respectievelijk zeven of zes lettergrepen tellen. Een zogenaamde Volksliedstrophe in de Duitse literatuur, in tegenstelling tot, wat geenszins verwonderlijk is, het eigenlijke volkslied, dat in werkelijkheid geen vaste vorm bezit. De blijvend rustige cadans van de opeenvolgende regels die hierdoor ontstaat, loopt allesbehalve parallel met de dramatische veranderingen in thema en stemming van de cyclus wat een vervreemdende zeggingskracht oplevert.

De Winterreise wordt als een monodrama beschouwd, maar is tevens een vorm van rollenlyriek: de ik-figuur spreekt met zichzelf, met de natuur en met zijn hart. Motieven repeteren, liefde, doodsverlangen, tranen, verzet en berusting. Maar bovenal het dwangmatige “wandern”. Als stijlmiddel vallen vooral tegenstellingen op als tranen-sneeuw of verstarren-smelten.

Het lange trekken te voet zonder bestemming (“wandern”) gold in de negentiende eeuw in Duitsland als een voertuig voor bewustwording; de natuur wordt beleefd door een schouwend oog. Het trekken met al zijn onverwachtheden, tegenslagen, verleidingen en gevaren staat model voor de levensreis. Müllers Winterreise uit 1824 is als het ware een kruisweg van vierentwintig staties van een dichter, een lyrisch ik – vandaar dat wij niets horen over zijn naam of afkomst - op zoek naar verlossing. De lijdensweg wordt vooral getekend door winterse onherbergzaamheid. In het Dessau van Müller of het Wenen van Schubert waren de winters in de eerste helft van de negentiende eeuw met hun oostenwind buitengewoon streng, wat de metafoor voor mentale kilte en vervreemding waarin een mens kan komen te verkeren voordehandliggend maakt; toendertijd gangbaar voor kunstenaars als Müller, Heine of Caspar David Friedrich. Een uitgesproken topos voor een “Byronic hero” met “some secret sorrow”, een romantische figuur waarmee Müller zeer vertrouwd was. Müllers zwerver kan eveneens gezien worden als een metafoor voor de kunstenaar per se, zoals bijvoorbeeld Schubert, geïsoleerd in de burgerlijke Biedermeierwereld van het reactionaire en repressieve regiem van von Metternich na het restauratieve Wener Congres met zijn strenge censuur. In die zin is het winterse landschap ook een zinnebeeld voor onderdrukking van persoonlijke vrijheid en verlangen naar een ongedeeld Duitsland. Die Winterreis zou een politieke strekking bezitten en Müller zou zijn maatschappelijke kritiek gestoken hebben in de jas van een ongevaarlijke liefdesgeschiedenis. De overnachting in de kolenbrandershut refereert daaraan; de carbonari vormden in het Italië van de eerste dertig jaren van de negentiende eeuw een geheime revolutionaire sekte. Ook de vermelding van de afgewaaide hoed in het gedicht De Lindenboom die achtergelaten wordt, zou verstaan moeten worden als een afscheid van de burgerlijke wereld.

Overigens wie heeft wie nu in de steekgelaten in deze liefdesgeschiedenis? De eerste strofe lijkt er op te duiden dat de eerder welkome vreemdeling (een aangenomen huisleraar?) zich niet aan zijn geliefde kan binden en ’s nachts heimelijk vertrekt (“Die Liebe liebt das Wandern – Gott hat das so gemacht”). Maar doet tevens vermoeden dat de aanzienlijke familie hem zal gaan verstoten en hij voordien het hazenpad kiest (“Was soll ich länger weilen, daß mann mich trieb hinaus?”). Zijn daarop ondernomen winterreis is een zelfgekozen hel van eenzaamheid en ontbering. In de Leiermann uit het laatste gedicht kan het beeld gezien worden wat hem te wachten staat, de totale negatie en afstomping met de dood als enig perspectief. Op de dood wordt in de cyclus herhaaldelijk gepreludeerd. Te beginnen met de kraai, een geijkt doodssymbool, uit de vijftiende strofe (“Krähe, laß mich endlich seh’n Treue bis zum Grabe.”), vervolgens met de uitspraak in de twintigste strofe na het stuiten op een wegwijzer (“Eine Straße muß ich gehen, die noch keiner ging zurück.”) en met het bezoek aan een begraafplaats, wel heel cynisch Das Wirtshaus betiteld, in de daaropvolgende strofe. Zoals de reiziger fysiek en mentaal overleeft door voortdurend in beweging te blijven, draait de Leiermann werktuigelijk maar door en door aan zijn lier (“Dreht, und seine Leier steht ihm nimmer still”).

Franz Schubert (1797-1828)[bewerken | brontekst bewerken]

Een jaar voor zijn dood in 1827 schreef de dertigjarige Schubert aan een vriend: “Stel je een vriend voor wiens gezondheid nooit meer in orde komt en die uit pure wanhoop de dingen alleen maar erger maakt …wiens hoop is verdwenen en voor wie de gedachte aan liefde en vriendschap op z’n best pijn veroorzaken. Elke avond als ik naar bed ga, hoop ik dat ik de volgende morgen niet meer wakker word en elke morgen keert het verdriet van de vorige dag weer terug.” In deze stemming kwamen Schubert de gedichten van Wilhelm Müller onder ogen. Evenals de tegen alle ontberingen in maar voort trekkende reiziger uit de cyclus lijkt ook Schubert in zijn miserabele conditie slechts te kunnen overleven door maar ononderbroken achter elkaar te blijven componeren; hij schreef naast zijn ander werk niet minder dan zeshonderd liederen. Van Winterreise bestaan twee manuscripten, waarvan het eerste door vele wijzigingen en verbeteringen niet meer leesbaar is. Dit vroeg om een tweede versie waarin de door syfillis bedlegerige en door hevige hoofdpijnaanvallen gekwelde componist eveneens veel veranderingen aanbracht; aan geen van zijn cycli is zoveel moeite besteed. Ondanks al die inspanningen bracht het werk de in armoede levende componist nauwelijks wat op. De Weense uitgever Haslinger betaalde voor ieder geleverd lied slechts een gulden. De reacties waren niet onverdeeld gunstig. De Weense Theaterzeitung oordeelde dat alleen iemand zonder hart de liederen onaangedaan kon zingen of horen. De Allgemeine Musikalische Zeitung vond dat er geen vierentwintig liederen geschreven hadden hoeven worden. En de Allgemeine Musik-Zeitung in München, waar men toch al niet zo op cycli gesteld was, liet zich eveneens laatdunkend uit. In eerste instantie was zijn vriendenkring bij de eigen gespeelde en gezongen uitvoering ook geschokt ( “Er sang uns nun mit bewegter Stimme die ganse Winterreise durch. Wir waren über die düstere Stimmung dieser Lieder ganz verblüfft, und Schober sage, es habe ihm nur ein Lied, “Der Lindenbaum” gefallen.”, aldus Schuberts levenslange vriend en weldoener Joseph von Spaun.

Het eerste deel van de in twee gelijke delen opgesplitste cyclus eindigt met het troosteloze “Einsamkeit”, want Schubert schreef “Finis”. Pas in de herfst van 1827 kwam het tweede twaalftal in zijn bezit. Zodoende kreeg dat dozijn met het openingsgedicht, het schallende ”Die Post”, een energieke opening, wat een grote tegenstelling opriep met het voorafgaande “Einsamkeit”, hetgeen ook de nodige kritiek opriep.

Analyse[bewerken | brontekst bewerken]

Schubert is in zijn liederen beïnvloed door de Erste Berliner Liederschule, die zich ontwikkelde tot het voorstaan van eenvoudige melodieën als van volksliederen. Maar ook door grote voorbeelden als Beethoven in zijn “Adelaïde” en Mozart in “Das Veilchen”. Leerde voordien de affectenleer van Bach, Händel en zelfs Haydn en Mozart dat bepaalde emoties gekoppeld waren aan een bepaalde toonsoort en accoordgang, de romantische componist stelt zijn gevoelens centraal en Schubert deed dat vooral door een afwisseling van mineur en majeur toonsoorten.

Vernieuwend was zijn zelfstandige rol voor het begeleidend instrument. Voor alle liederen geldt dat de zanger declameert, waarbij de niet uitgesproken gevoelens door de piano worden ingevuld. Een nog ongehoorde manier van liedkunst waarmee ook de vrienden van Schubert aanvankelijk moeite hadden. De term cyclus veronderstelt een verband tussen de liederen. In muzikale zin is die niet aanwezig in verwante muzikale motieven of toonsoorten. Met de straffe pas van een dodenmars begint het eerste lied. Een eenvoudig couplet waarin steeds dezelfde melodie terugkomt. Van dit type komen er maar een paar voor onder andere min of meer in Der Lindenbaum. Sommige liederen zijn doorgecomponeerd, de afzonderlijke coupletten krijgen niet een zelfde melodie toebedeeld zoals in volksliederen, bijvoorbeeld Letzte Hoffnung. Voor musicologisch commentaar op de vierentwintig coupletten afzonderlijk, door contratenor Ian Bostridge zie Winterreise Wikisource.

Liederen[bewerken | brontekst bewerken]

  1. "Gute Nacht"
  2. "Die Wetterfahne"
  3. "Gefror'ne Thränen"
  4. "Erstarrung"
  5. "Der Lindenbaum"
  6. "Wasserflut"
  7. "Auf dem Flusse"
  8. "Rückblick"
  9. "Irrlicht"
  10. "Rast" (twee versies)
  11. "Frühlingstraum"
  12. "Einsamkeit" (twee versies)
  13. "Die Post"
  14. "Der greise Kopf"
  15. "Die Krähe"
  16. "Letzte Hoffnung"
  17. "Im Dorfe"
  18. "Der stürmische Morgen"
  19. "Täuschung"
  20. "Der Wegweiser"
  21. "Das Wirtshaus"
  22. "Mut"
  23. "Die Nebensonnen"
  24. "Der Leiermann" (twee versies)

Bewerkingen[bewerken | brontekst bewerken]

In 1993 werd een bewerking van deze cyclus gemaakt door Hans Zender voor tenor en klein orkest: Winterreise, eine komponierte Interpretation. De dove acteur Horst Dittrich vertaalde de tekst van de liederencyclus in 2007 in de Oostenrijkse gebarentaal en nam hem in de jaren 2008 en 2009, in Wenen, Salzburg en Villach in een productie van ARBOS - Vereniging voor muziek en theater met pianist Gert Hecher en bariton Rupert Bergmann, gefilmd door Olgierd Koczorowski (PZG Szczecin, 2009). Jan Rot maakte een zogenaamde hertaling in het Nederlands van de liederen onder de titel Winterreis, opgenomen in 2002 door bariton Maarten Koningsberger en pianist Roger Braun.

Voor de tekst van de liederen en een berijmde, identiek metrische, zingbare vertaling naar het Nederlands zie Wikisource

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Die Winterreise op de Duitstalige Wikisource

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]