Woningwet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Woningwet is een Nederlandse wet, ingevoerd in 1901 door het kabinet-Pierson. De wet stond op 22 juni 1901 in het Staatsblad, maar trad pas in werking op 1 augustus 1902. Het doel van de Woningwet was om bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen. Het was de eerste wet omtrent de volkshuisvesting in Nederland.

Krotten in Amsterdam aan het begin van de 20ste eeuw

Historie[bewerken]

Amsterdam in 1892, foto Jacob Olie

De bevolking in Nederland groeide in de 19e eeuw. Door innovatie en mechanisatie in de landbouw kwam er veel meer gezond voedsel beschikbaar, waarvan de prijzen daalden. Hongersnoden kwamen minder voor en de laagste klassen waren wat minder verzwakt door voortdurende ondervoeding. Dat leidde tot een langere levensverwachting en een geboorteoverschot, waardoor er decennialang meer baby's werden geboren dan dat er mensen stierven.

Minder landarbeiders[bewerken]

De verbeteringen en mechanisatie in de landbouw had echter ook tot gevolg dat er minder landarbeiders nodig waren. Steeds meer arbeidersgezinnen zochten hun heil in de steden. Veelal werden bewust verhalen op het platteland verspreid over goedbetaalde banen voor amper geschoolde arbeiders in de fabrieken, havens en industrie bij de steden. Hoewel deze verhalen zelden klopten, zorgden ze wel voor een flinke trek naar de steden. Op deze manier bleven de lonen zo laag mogelijk voor de werkgevers in de handel en nijverheid. Zo konden ze doorlopend beschikken over een overaanbod van ongeschoolde kinderen en arbeiders. Tegenover de trek naar de steden stonden mensen die de stad verlieten, bijvoorbeeld emigranten. Per saldo viel de bevolkingsgroei tot 1870 vrijwel uitsluitend toe te schrijven aan een langdurig geboorteoverschot.

De werkgelegenheid in de Nederlandse steden begon pas vanaf 1860 werkelijk flink toe te nemen door de industrialisatie en de handel met de Nederlandse koloniën zoals Nederlands-Indië.

Lage lonen, hoge huur[bewerken]

De vele arbeiders die in de steden naar werk kwamen zoeken, kregen niet alleen te maken met karige lonen en hoge werkloosheid, maar ook met een tekort aan goedkope woonruimtes. Dit terwijl vele duizenden krotten werden opgeruimd, en plaats maakten voor verkeer, handel, industrie, scholen, kantoren, brandweerkazernes, nutsvoorzieningen et cetera. De binnensteden van grote steden raakten overbevolkt. Daardoor stegen de huren tot onverantwoorde hoogten, terwijl de woningen vaak niet meer dan krotten waren. In de 19e en het begin van de 20e eeuw waren de woonomstandigheden van de Nederlandse arbeidsbevolking in de steden vaak erbarmelijk. Voor gezonde voeding, kleding en hygiëne hield een arbeidersgezin weinig geld over. Rond 1900 woonden één miljoen mensen in slechte omstandigheden in sloppen en stegen, overigens voor een niet onbelangrijke deel ook buiten de grote industriecentra.[1]

Koning Willem III

De zorg voor acceptabele huisvesting van de bevolking werd in de 19e eeuw niet als een overheidstaak gezien. Welgestelde leden van de stedelijke elite ontplooiden vanaf de jaren 50 van de 19e eeuw wel enkele particuliere initiatieven, zoals de oprichting van de eerste woningbouwvereniging van Nederland, de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse te Amsterdam, maar het was te weinig om het snel groeiende probleem op te lossen. Diverse sociaal betrokken burgers zoals armenbezoekers en artsen trokken aan de bel bij het bestuur en de politieke elite.

Koning vraagt rapport[bewerken]

In 1853 vroeg koning Willem III aan het Koninklijk Instituut van Ingenieurs om over de vereisten en inrichting van arbeiderswoningen te rapporteren. In 1855 werd het rapport uitgebracht. Het rapport vestigde de aandacht op het belang van weersbestendigheid, bezonning, luchtverversing, watertoevoer en de afvoer van urine en ontlasting. Toch duurde het nog een halve eeuw voordat de overheid zich met de volkshuisvesting ging bemoeien. Een initiatief-wetsvoorstel uit 1854 om plaatselijke raden van gezondheid in te stellen, waarbij het gemeentebestuur de bevoegdheid zouden krijgen om huiseigenaren tot woningverbetering te dwingen, werd verworpen.

Revolutiebouw[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Revolutiebouw voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Revolutiebouw in Amsterdam

De druk op de woningmarkt en de aanhoudende stroom van nieuwe arbeiders naar de steden creëerden rond 1870 ideale omstandigheden voor speculatie met vastgoed in de steden. De banken werden mild bij het verstrekken van krediethypotheken. De zogenaamde revolutiebouw, nieuwe stadswijken die door particulieren als belegging rondom stadscentra werden gebouwd, speelde in op de woningnood. De in die tijd gebouwde woningen waren vaak benauwde rug-aan-rug woningen van slechte kwaliteit, met minimale sanitaire voorzieningen en smalle trappen. Sommige stedelingen hadden het nog slechter getroffen, in Amsterdam woonden deze arbeiders bijvoorbeeld in toentertijd beruchte buurten als het oude Vlooienburg, Valkenburg, Kattenburg en de Jordaan.

Ook Den Haag en Rotterdam kenden hun sloppen in de vorm van armoedige arbeidershofjes die vaak op binnenplaatsen achter grote panden waren gebouwd. Op die manier onttrok men de arbeiders aan het zicht. Hun woningen waren vanaf de straat immers niet te zien. Hier woonden gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen daglicht binnenkwam. Kinderen groeiden op in vervallen krotten en klamme kelderwoningen, kleine alkoofwoningen of afgeschotte zolders. Aan deze misstanden moest de Woningwet een einde maken. Een dodelijke cholera-epidemie in 1886 hielp bij de verdere bewustwording door de vooruitstrevende liberalen van het maatschappelijke probleem van de volkshuisvesting. Dit plaveide de weg voor politieke steun voor een woningwet en een gezondheidswet.

Nut van 't Algemeen[bewerken]

Minister Goeman Borgesius schreef het wetsvoorstel

In 1896 brachten H.L. Drucker, prof. H.B. Greven en mr. J. Kruseman voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een rapport uit over het vraagstuk van de volkshuisvesting. Minister van Binnenlandse Zaken Goeman Borgesius baseerde de Woningwet vrijwel geheel op de ideeën uit dit rapport. Net als eerdere rapporten motiveerde het rapport de oproep tot wettelijke maatregelen met een beroep op de verbetering van de volksgezondheid en de "opheffing van de zedelijke minderwaardigheid der arbeiders". Rond dezelfde periode maakte een experiment in Amsterdam met de Bouwonderneming Jordaan NV duidelijk dat marktwerking de erbarmelijke huisvesting van arbeiders nooit kon oplossen.

Wet ingediend[bewerken]

Het kabinet Pierson

Op 11 september 1899 dienden de ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie, mr. H. Goeman Borgesius, mr. N.G. Pierson en mr. P.W.A. Cort van der Linden het wetsontwerp voor de Woningwet in. Juni 1901 werd deze gepubliceerd en in augustus 1902 trad de wet in werking.

10 paragrafen[bewerken]

De Woningwet 1901 telde 10 paragrafen:

  1. Voorschriften van aan woningen te stellen eisen
  2. Aangifte omtrent het aantal bewoners
  3. Verbetering van woningen en tegengaan van overbewoning
  4. Onbewoonbaarverklaring, ontruiming, sluiting en afbraak van woningen
  5. Onteigening van woningen in het belang van de volkshuisvesting
  6. Vaststellen van een uitbreidingsplan
  7. Geldelijke steun van de gemeente voor volkshuisvesting
  8. Geldelijke steun van het rijk voor volkshuisvesting
  9. Strafbepalingen
  10. Slotbepalingen

Belangrijkste maatregelen[bewerken]

De Woningwet was voor die tijd revolutionair, liberale beginselen vierden hoogtij, en de Woningwet maakte overheidsinmenging mogelijk op het gebied van de volkshuisvesting. De belangrijkste maatregelen uit deze paragrafen om slechte woningen uit te bannen, werden:

  • de mogelijkheid van financiële steun voor woningbouw door erkende woningbouwverenigingen en bouwmaatschappijen die uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam waren;
  • de verplichting voor gemeenten om een bouw- en woningverordening op te stellen met voorschriften waaraan nieuwe bouwwerken, en met name woningen, zouden moeten voldoen;
  • het verbod om zonder bouwvergunning van de gemeente iets nieuws te bouwen of een bestaand gebouw te verbouwen of uit te breiden;
  • de verplichting voor woningeigenaren om bepaalde verbeteringen uit te voeren;
  • de bevoegdheid van het gemeentebestuur om een woning onbewoonbaar te verklaren. Ook hing de verzakende woningeigenaar onteigening en krotopruiming boven het hoofd als een woning te verwaarloosd was.
  • de verplichting voor gemeenten om uitbreidings- en bestemmingsplannen op te stellen en die om de tien jaar te herzien.

Het toezicht op de naleving van de Woningwet door de lokale overheden werd opgedragen aan het staatstoezicht op de volksgezondheid en gedelegeerd aan gemeentelijke en regionale gezondheidscommissies. Deze gezondheidscommissies hadden ruime bevoegdheden en een sterke positie tegenover de gemeentebesturen.

Tijd was rijp[bewerken]

Binnenhof Den Haag in 1900

De stemverhoudingen in de Tweede Kamer maakten duidelijk hoezeer de tijd rijp was voor deze wet: 72 van de 100 Tweede-Kamerleden stemden voor de wet, slechts 4 leden waren tegen. In de conservatievere Eerste Kamer was de stemming spannender: van de 50 leden waren 24 leden voor, 19 tegen.

Eerste jaren[bewerken]

Bij het uitvoeren van de Woningwet kregen de gemeenten aanvankelijk de vrije hand, maar na verloop van tijd dreigde de wet daarmee een dode letter te worden. Het aantal voorschriften van het rijk nam daarom in de loop van der tijd toe. Verschillende gemeentelijke verordeningen moesten aan de Gezondheidscommissie worden voorgelegd ter advies, en Provinciale Staten moest deze voor elke gemeente gaan goedkeuren.

Kredieten[bewerken]

Het Rijk stelde gemeenten kredieten in het vooruitzicht voor de bouw en exploitatie van sociale-huurwoningen, het opruimen van krotten en voor de aankoop van bouwterreinen en woningen voor de realisering van goedgekeurde uitbreidingsplannen. In eerste instantie waren de rijksbijdragen beperkt tot "toegelaten verenigingen zonder winstoogmerk" voor de bouw en exploitatie van sociale-huurwoningen. De Inspecties voor de Volksgezondheid waakten erover dat de plannen zouden voldoen aan de wet en dat het rijksbudget niet zou worden overschreden. De overheidssteun was niet onbeperkt. Het liberale adagium dat woningbouw in de eerste plaats een taak is voor de markt, bleef het uitgangspunt. Afhankelijk van de politieke kleur van de regering, veranderden de regels, waarbij de ene keer de nadruk kwam te liggen op commerciële partijen, en de andere keer op de bouw door woningbouwverenigingen.

Woningwetwoning[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Woningwetwoning voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Al snel werden steeds strengere eisen opgelegd voor het te financieren woningtype. Tot 1914 was nauwelijks sprake van overheidsinterventie op de woningmarkt. Pas na tien jaar kwamen er richtlijnen wat moet worden verstaan onder een woningwetwoning. Alleen "woningbouw van het ter plaatse eenvoudigst toelaatbare soort" kwam in aanmerking voor een rijkstoelage: woningen met maximaal drie vertrekken voor arbeiders met een laag inkomen. De particuliere bouwproductie verzandde echter, doordat door tekorten aan bouwmaterialen tijdens de Eerste Wereldoorlog de prijzen de pan uit rezen. Voor woningbouwverenigingen was het vrijwel ondoenlijk om de woningwetwoningen te bouwen tegen een kostendekkende huurprijs die arbeiders zouden kunnen betalen. Woningbouwverenigingen bouwden daardoor amper woningen tussen 1902 en 1916. Slechts 2% van de totale woningbouwproductie was toen van een woningbouwvereniging.

Eerste woningwetwoningen in Amsterdam, gebouwd door Rochdale

Na 1914 groeide het inzicht dat het rijk een actievere rol zou moeten spelen om de woningnood aan te pakken. Met diverse financiële regelingen werden woningbouwverenigingen gestimuleerd om woningwetwoningen te gaan bouwen. Het voorgeschreven type woning werd in 1915 verruimd. Woningen met slechts drie kamers werden gezien als een zedelijk en hygiënisch risico. Daarom mochten woningwetwoningen in het vervolg ook uit vijf kamers bestaan: een huiskamer met keuken, een "mooie" kamer en drie slaapkamers. Zo hadden de ouders, de zonen en de dochters een eigen plek. Om het nijpende tekort aan woningen aan te pakken, werd zelfs een nieuwe wet aangenomen: de Noodwoningwet. Deze wet regelde een Rijksbijdrage van 90 procent in de stichtingskosten van de woning, mits de woning ook een watercloset zou krijgen.

Charles Ruijs de Beerenbrouck was minister-president van 1918 tot 1925

Stagnatie[bewerken]

Als gevolg van de hoge prijzen van bouwmaterialen en nieuwe wetgeving die prijsopdrijving van de huren moest tegengaan, had niet alleen de bouw door woningbouwverenigingen stil gelegen, maar ook de bouw door particuliere ontwikkelaars en beleggers. In de periode 1920-1923 probeerde de overheid de woningbouw aantrekkelijker te maken. Op 6 november 1919 stelde het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I het zogenaamde ‘Middenstandsbesluit’ vast. Het Koninklijk Besluit had tot doel de bouw van middenstandswoningen te bevorderen, zowel door gemeenten, woningbouwverenigingen als particuliere bouwers. Door middel van ruime bijdragen stelde het Rijk een tegemoetkoming in de bouwkosten van woningen beschikbaar. Er gold een premie van 25 gulden per vierkante meter, met een maximum van 2500 gulden per woning. De premie werd verstrekt in de vorm van een hypothecaire geldlening, waarvoor de gemeente garant moest staan.

Het succes van de regeling was veel groter dan waarop het kabinet had gerekend. Het leidde tot een explosie van woningbouwverenigingen die werden opgericht, en tot veel bouwnijverheid in heel Nederland. Het succes werd ook verklaard door de daling van de prijzen van bouwmaterialen nadat door het sluiten van het Vredesverdrag van Versailles de aanvoer van grondstoffen uit het buitenland weer op gang kwam.

Woningwetwoningen uit 1927-1929 van Ymere in Floradorp, Amsterdam-Noord

Het systeem van rijksbijdragen voor woningbouwverenigingen werd vanaf 1921 afgebouwd. Minister van Arbeid Aalberse kondigde aan dat vanaf 1 juni 1921 geen voorschotten en bijdragen krachtens de Woningwet meer in behandeling werden genomen. Woningbouwverenigingen werden teruggedrongen op het segment van de goedkoopste arbeiderswoningen. Alleen in gemeenten waar aantoonbaar werd geleden onder de woningnood, werden nog mondjesmaat rijksvoorschotten verstrekt voor krotopruiming en de bouw van de "minimale" woningwetwoning. De betere arbeiderswoningen en middenstandswoningen werden aan de commerciële partijen overgelaten.

Gemeentewoningen uit 1931 van de Gemeentelijke Woningdienst Amsterdam

Naarmate er steeds meer woningen in Nederland werden gebouwd in de loop van de jaren twintig, des te meer raakte de regering ervan overtuigd dat de woningnood zo goed als opgelost was. De financiële regelingen voor de sociale woningbouw werden nog meer ingekrompen. De woningbouwverenigingen raakten daardoor steeds meer aangewezen op de hypotheekbanken. In sommige gemeenten probeerde het gemeentebestuur de bouw van arbeiderswoningen op gang te houden door zich garant te stellen voor de geldlening aan woningbouwverenigingen, of door zelf arbeiderswoningen te gaan bouwen en te laten beheren door een gemeentelijk woningbedrijf.

Herziening[bewerken]

In 1921 en 1931 werd de Woningwet aangepast. Het begrip streekplan ontstond en daarna het idee van een nationaal stedenbouwkundig plan. Een staatscommissie boog zich over een ontwerp voor een nieuwe woningwet met die strekking. De commissie kwam met haar eindverslag op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval in Nederland.

Actuele wet[bewerken]

De officiële naam van de wet is Wet van 29 augustus 1991 tot herziening van de Woningwet, ook na een nieuwe grote herziening per 1 juli 2015, waarbij gelijktijdig de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting en de novelle Wet van 20 maart 2015 tot wijziging van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting in werking traden.[2][3]

Artikel 19 bepaalt dat de minister verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en beogen hun financiële middelen uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting in te zetten, toe te laten als instellingen, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam. Zo'n entiteit wordt een toegelaten instelling genoemd (zie ook woningcorporatie).

Artikel 47 van de Woningwet bepaalt dat diensten van algemeen economisch belang (daeb) aan de toegelaten instellingen onder meer zijn opgedragen het huisvesten van personen die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting, en het daartoe bouwen en verwerven van huurwoningen met een huurprijs van ten hoogste de liberalisatiegrens‎ (2017: € 710,68 per maand).

Artikel 60 regelt het bestaan van de Autoriteit woningcorporaties (Aw). Deze voert het integraal risicogericht toezicht op woningcorporaties uit. Zij valt onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister voor Wonen en Rijksdienst en is onder gebracht bij de Inspectie Leefomgeving en Transport. De Aw bewaakt en beschermt de maatschappelijke middelen van woningcorporaties, zodat deze rechtmatig, effectief en efficiënt worden ingezet in het belang van de volkshuisvesting. [4] Zie ook de voorloper Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]