Woonwagenbewoner

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Amsterdamse ambtenaar bezoekt een woonwagenfamilie voor de volkstelling van 1925

Een woonwagenbewoner is iemand die behoort tot de groep van ongeveer 30.000 mensen in Nederland die in woonwagens of stacaravans wonen in speciale centra of woonwagenkampen. Van het laatste woord is de pejoratieve term "kampers" afgeleid.

Reizigers[bewerken]

Zelf noemen ze zich liever reizigers, waarbij ze op hun beurt de term burgers gebruiken voor Nederlanders die in gewone huizen wonen. Soms wordt gedacht dat woonwagenbewoners (afstammelingen van) zigeuners (Roma en Sinti) zijn. Dit is onjuist. Woonwagenbewoners zijn meestal van Nederlandse oorsprong en stammen voor een gedeelte af van keuterboeren, landarbeiders en turfstekers, die rond 1850 door verscheidene oorzaken (onder andere de mechanisering) niet meer aan de kost kwamen en daarom van plaats naar plaats begonnen te trekken, in de hoop hier en daar wat te kunnen verdienen en eventueel een baan te kunnen krijgen. Dit plaatste hen grotendeels in hetzelfde 'hokje' als de zigeuners en grotendeels buiten de samenleving. Typische beroepen van woonwagenbewoners waren of zijn: ketellapper, stoelenmatter, bezembinder, kramer, muzikant, en scharenslijper, en heden ten dage kermisexploitant, oudijzerhandelaar of autohandelaar.

Woonwagenwet[bewerken]

In de 19e eeuw was er geen landelijke regeling voor woonwagenbewoners. Iedere gemeente kon haar eigen beleid bepalen, dat in het meest gunstige geval de woonwagenbewoners met rust liet, maar vaak erop gericht was ze zo snel mogelijk weer de gemeente uit te werken. In de Woonwagenwet 1918 werden eisen gesteld aan de woonwagen en diens bewoners. Ten bewijze hiervan moest er een zichtbare woonvergunning van de Commissaris van de Koningin zijn. De vrijheid om de wagen overal neer te zetten verviel, maar ook het (formele) wegjagen.[1]

In 1968 verbood in Nederland de Rijksoverheid het rondtrekken en dwong de woonwagenbewoners in grote centra te gaan wonen (Woonwagenwet 1968). Deze centra lagen op afgelegen plaatsen, weg van de bewoonde wereld. Hier wonen zij in sommige gevallen nog steeds. Vaak is de verhouding met de lokale bewoners matig tot slecht. In de afgelopen decennia zijn er in veel gemeenten kleine kampen aangelegd en daar is de verstandhouding tussen burgers en woonwagenbewoners vaak sterk verbeterd. De meeste grote centra zijn inmiddels gesloten.

Misstanden[bewerken]

Begin 2004 kwamen woonwagenbewoners negatief in het nieuws toen bekend werd dat zich in woonwagencentrum De Vinkenslag bij Maastricht hennepplantages bevonden, waarvan de groeilampen op illegaal afgetapte stroom brandden. Bovendien zou er geen belasting worden betaald. De overheid greep niet in omdat de politie er niet meer zou durven te komen. Om haar gezag te herwinnen deed de overheid een grote inval in het centrum. Als reactie hierop blokkeerde een groep woonwagenbewoners de snelweg A2, wat hen niet populairder maakte.[2]

Woonwagencultuur als immaterieel erfgoed[bewerken]

Sinds 15 juli 2014 is de woonwagencultuur als immaterieel erfgoed opgenomen binnen Nederland. De woonwagencultuur wordt hierdoor als officiële afhankelijke cultuur erkend.

Zie ook[bewerken]