Wouter Buikhuisen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wouter Buikhuisen
Wouter Buikhuisen (1968)
Wouter Buikhuisen (1968)
Persoonlijke gegevens
Volledige naam Wouter Buikhuisen
Geboortedatum 5 december 1933
Geboorteplaats Paree (Nederlands-Indië)
Nationaliteit Nederlandse
Werkzaamheden
Vakgebied Criminologie
Universiteit Universiteit Leiden
Soort hoogleraar gewoon hoogleraar
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

Wouter Buikhuisen (Paree (Nederlands-Indië), 5 december 1933) is een Nederlands criminoloog. Hij was onder andere hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en aan de Universiteit Leiden. Hij was verder de bedenker van het woord Provo. Aan het einde van de jaren zeventig kreeg hij landelijke bekendheid door zijn controversiële stellingen over de biologische achtergronden van criminaliteit. Als gevolg van negatieve publiciteit die hiermee gepaard ging, stapte hij op als wetenschapper.

Start[bewerken]

Buikhuisen promoveerde in 1965 aan de Universiteit Utrecht op de studie Achtergronden van nozemgedrag, waarin hij hij het gedrag van nozems die bij ongeregeldheden betrokken waren, vergeleek met criminele en ‘gewone’ jongeren. Uit verbazing dat er opeens zo’n grote stroming was ontstaan van jongeren die zich tegen het gezag keerden, wilde hij onderzoeken waar dat vandaan kwam en hoe deze jongeren dachten en handelden. Hij concludeerde dat hun gedrag te maken had met een gebrek aan goede vrijetijdsbesteding en stelde dat de jongeren daarom gingen 'provoceren' (in dit verband introduceerde hij het woord ‘provo’), waar de politie volgens hem maar beter niet op kon ingaan. Ook merkte hij ook op dat men de “provo’s” (niet per se dezelfde groep als de aanhangers van Provo) niet over één kam moest scheren met andere delinquente jongeren.[1]

Na zijn promotie werd Buikhuisen hoogleraar criminologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en later onderzoeker bij het ministerie van Justitie.

Biologische factoren en criminaliteit[bewerken]

In 1978 werd hij benoemd tot hoogleraar criminologie en penologie aan de Universiteit Leiden. Buikhuisen wilde onderzoek doen naar de oorzaken van crimineel gedrag. Anders dan in die tijd gebruikelijk was, wilde Buikhuisen zich niet richten op omgevingsfactoren (nurture) maar op biologische factoren (nature). In 1979 verscheen Kriminologie in biosociaal perspectief waarin Buikhuisen zijn gedachten, plannen en onderzoeksvoorstellen uiteenzette.

Buikhuisen meende dat mensen een criminele aanleg kunnen hebben. Zo reageert de één anders op bijvoorbeeld stress dan de ander. Iemand die weinig adrenaline aanmaakt (een stresshormoon), zou minder reageren op stress. Buikhuisen veronderstelde dat zo iemand minder bang zou zijn, minder zou schrikken en daarom misschien eerder geneigd zou zijn tot crimineel gedrag. Ook veronderstelde Buikhuisen dat mensen met meer testosteron sneller agressief en crimineel gedrag zouden vertonen.

Ook het sociale aspect speelde in zijn optiek een rol. Stel dat iemand wordt geboren met een afwijkend uiterlijk. Dat afwijkende uiterlijk op zich maakte iemand nog niet crimineel, maar misschien leidde de reactie van de omgeving op het uiterlijk wel tot crimineel gedrag. Als de afwijkende persoon altijd gepest werd of buiten de groep viel, zou hij of zij afwijkend (crimineel) gedrag kunnen gaan vertonen, dacht Buikhuisen.

Weerstand[bewerken]

In Leiden kreeg Buikhuisen een ruim budget om te onderzoeken of biologische factoren een rol spelen bij het ontstaan van criminaliteit. Zijn voorstellen vielen in het Nederland van de jaren zeventig echter niet in goede aarde en riepen ook bij collega's grote weerstand op. Aanleg voor criminaliteit bestaat niet of is niet zo belangrijk, vonden sommigen van zijn tegenstanders. In hun ogen gold dat criminelen niet worden geboren maar gemaakt – de onrechtvaardige maatschappij is bron van alle kwaad. Volgens deze critici zou er zonder economische ongelijkheid, zonder armoede en ongelijke kansen geen criminaliteit zijn. Hoewel er zeker ook andere opinies bestonden, hadden deze critici veel invloed.

Buikhuisen werd door sommige van zijn tegenstanders vergeleken met de Italiaanse gevangenisarts Lombroso, die in de 19e eeuw meende dat misdadigers te herkennen waren aan hun lage voorhoofd of doorlopende wenkbrauwen. Omdat hij hersenonderzoek op delinquenten wil verrichten en kinderen als proefpersonen wil gebruiken, werd Buikhuisen ook wel vergeleken met de naziarts Josef Mengele en de nazicriminoloog Franz Exner.

De affaire-Buikhuisen[bewerken]

In een deel van de media ontstond een discussie over wat bekend is geworden als de affaire-Buikhuisen.

Het weekblad Vrij Nederland en de Vrij Nederland-columnist Hugo Brandt Corstius (onder het pseudoniem Piet Grijs) liepen voorop in een felle aanval op Wouter Buikhuisen. Volgens dit weekblad werden criminaliteit en andere afwijkingen primair veroorzaakt door de moderne kapitalistische maatschappij en/of een autoritaire opvoeding.

Deze opvatting leefde niet alleen bij Vrij Nederland, maar ook bij velen binnen het vakgebied criminologie en bij justitiële instanties. Onderzoek doen naar individuele, aangeboren ‘afwijkingen’ was in die tijd zo goed als taboe. Door alle commotie is het onderzoek van Buikhuisen nooit echt van de grond gekomen.

Buikhuisen had het tij op alle fronten tegen. Bovendien wekte ook de persoon Buikhuisen zelf weerstand op. Hij reageerde nauwelijks op alle aantijgingen, werkte op een faculteit zonder onderzoekstraditie en dan kwam hij ook nog eens van Justitie. Collega-criminologen beschouwden alleen al het feit dat hij voor de overheid had gewerkt als verraad. Wetenschappelijk-criminologisch Nederland liet de criminoloog vallen. Ook binnen de biologie bestond weerstand tegen sommige opvattingen van Buikhuisen. Het nature-nurture-debat was daar net in een wat rustiger vaarwater gekomen: alle biologen accepteerden dat voor de ontwikkeling van gedrag erfelijke en niet-erfelijke factoren onmisbaar zijn. Binnen de beschouwende wetenschappen leefde er eveneens kritiek. Het begrip 'crimineel' is niet eenvoudig te definiëren.

In de media (Vrij Nederland en VPRO voorop) heerste niet altijd de nuance: je was ‘goed’ als je biosociale criminologie afwees en ‘fout’ als je bereid was serieus naar de ideeën van Buikhuisen te luisteren. De mediahetze verschoof al snel van de ideeën van Buikhuisen naar ad hominem-aanvallen op de persoon Buikhuisen. Zo schreef Hugo Brandt Corstius (Piet Grijs) over Buikhuisen: ‘hij is een kale, impotente carrièrewetenschapper’, een ‘verblinde vakidioot’, een ‘bedrieger’, een ‘aartsopportunist’ en een ‘domme charlatan’.[2] De columns zijn verzameld in Piet Grijs (1978), Buikhuisen, dom én slecht.

Bedreigingen en einde[bewerken]

Buikhuisen zelf vertelt over die tijd dat hij meermalen werd bedreigd: “Met alle denkbare middelen werd geprobeerd te voorkomen dat ik mijn ideeën over biosociale criminologie kon uitdragen en ontwikkelen. Op mijn oratie stormden met kettingen bewapende personen binnen en werden rookbommen gegooid. Er waren bommeldingen op het instituut waar ik werkte, ik werd bekogeld en bedreigd tijdens lezingen”.[3] Ook Grijs verstoorde zijn lezingen. Zijn onderzoek heeft te lijden onder alle negatieve aandacht, het is voor Buikhuisen onmogelijk aan proefpersonen te komen. Impopulariteit maakt ook dat het budget van Buikhuisen wordt teruggeschroefd.

In 1981 maakte zijn vakgroep bekend dat Buikhuisen niets uitvoerde, geen onderzoeksvoorstel had afgerond, zich onttrok aan vergaderingen en zonder toestemming van de vakgroep buitenlandse reizen maakte. Hij werd overgeplaatst naar de psychologiefaculteit, maar meldde zich kort daarop ziek. In december 1988 hield Buikhuisen op doktersadvies de wetenschap helemaal voor gezien. Hij ging zijn vrouw helpen in haar antiekhandel in Wassenaar.

Sinds het begin van de 21e eeuw woont Buikhuisen in Spanje. Terugkijkend ziet hij Vrij Nederland en vooral Hugo Brandt Corstius nog steeds als de katalysator van de hetze tegen hem. In 2005 zond het KRO-programma ‘Reporter’ een programma uit over Buikhuisen. In dat programma werd de affaire-Buikhuisen een 'karaktermoord van links' genoemd.

Achteraf[bewerken]

Achteraf vragen sommigen zich af of het wellicht de moeite waard geweest was om de stellingen van Buikhuisen te onderzoeken en daarna pas te oordelen. Volgens anderen was Buikhuisen echter geen visionair. In het Nederlands Juristenblad schreef rechtssocioloog Kees Schuyt in 1978 een negatief artikel over de opvattingen van Buikhuisen. Een verband tussen een laag activatieniveau en misdadig gedrag zei volgens Schuyt niets als een verklarende theorie ontbrak, en het verband tussen adrenaline en gedrag lag volgens Schuyt veel ingewikkelder dan door Buikhuisen werd gesuggereerd. In februari 2009 blikte Schuyt in het Leids universitair weekblad Mare op de affaire terug.[4]

Wellicht heeft het in Nederland heersende taboe op onderzoek naar biologische oorzaken van afwijkend ‒ crimineel ‒ gedrag wetenschappelijke ontwikkelingen in de weg gestaan. Pas in de jaren negentig werd het onderzoek in de biologische richting voortgezet en maakte daarna grote opgang door de snelle toename van de kennis van de hersenfuncties in relatie tot het gedrag.[bron?]

In november 2009 verzoende de Universiteit Leiden zich met Buikhuisen. Na een bezoek van rechtendecaan Carel Stolker in juni 2009 is de kou uit de lucht, schrijft het Leids universitair weekblad Mare in november 2009.[5] Op 16 april 2010 gaf Buikhuisen voor een volle zaal in Leiden een college. Het betoog ging over de amygdala, een kern van neuronen in de temporale kwab van de hersenen, en over wat voor gedragsgevolgen het niet-functioneren ervan kan hebben. Hij lardeerde zijn verhandeling met kwinkslagen en werd door de studenten en wetenschappers twee keer met luid applaus bedankt voor zijn bijdrage.

Na afloop zei hij aan NRC Handelsblad dat hij zich voelde als "een verloren zoon die eindelijk terugkeert op zijn alma mater".

Literatuur[bewerken]

  • Jurjen Wiersma (1981), Revolutie in de criminologie?: theologisch-ethisch onderzoek naar het biosociale perspectief van W. Buikhuisen. Proefschrift GU Amsterdam. 207 pp. Amsterdam: Panholzer.
  • Wouter Dekker (2009), De affaire Buikhuisen: het ontstaan en de achtergronden van de rel rondom zijn biosociale onderzoek. Doctoraalscriptie. 90 pp. Rotterdam: Erasmus Universiteit.

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Nozems provoceren om tijd te vullen, Algemeen Handelsblad, 22 januari 1965, blz. 3
  2. Mischa Cohen. Vrij Nederland, Piet Grijs en Buikhuisen. Vrij Nederland (15 oktober 2005)
  3. Vincent Bongers, Buikhuisen: ‘Ik ben verschrikkelijk behandeld, in: Mare, 5 februari 2009]
  4. Kees Schuyt, Hoe ik terug kijk op de affaire Buikhuisen?, in: Mare, 12 februari 2009
  5. ‘Er zijn beslist kansen gemist’. Decaan Carel Stolker over de verzoening met Wouter Buikhuisen, in: Mare, 19 november 2009