Zijl (toponiem)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
De Dokkumer Nieuwe Zijlen

Zijl is een ander woord voor spuisluis, dat vanouds vooral in Friesland, Groningen, Oost-Friesland, Oldenburg en Sleeswijk-Holstein gebruikt wordt. In het Fries spreekt men van syl, in het Gronings van ziel en in het Nederduits van Siel. Het woord komt ook voor in de vorm zijlvest of Sielacht, dat 'waterschap' of 'uitwateringsorganisatie' betekent. Een kanaal dat naar een zijl leidt, wordt doorgaans zijldiep of Sieltief (soms ook zijlroede, zijltocht, zijlmaar, zijlsloot, Sielgraben, Sielwetterung of Sielzug) genoemd. De waterschapsbelasting voor onderhoud van een zijl werd zijlschot genoemd; de sluiswachter heette zijlwaarder of waarman.

Etymologie[bewerken]

Het woord zijl, syl of Siel is afgeleid van het Oudfriese woord sīl, dat 'afwateringssluis' of 'waterloop, waterlozing' (Latijn: aquaeductus) betekent. Het woord behoort tot dezelfde stam als 'zijgen' en is verwant aan Oudnoors sīl 'langzaam stromend water' en Middelnederduits sîl 'waterloop, riool'.[1] De oudste vermelding van zijl of zile dateert uit de jaren 1280-1287. De plaatsnaam Delfzijl (Delfzilen, Delsilum) wordt genoemd in 1303. Een capmasile (koopmanszijl) in de buurt van Marienhafe wordt vermeld in 1362.[2] Onzeker is of de dorpsnaam Westertili in de omgeving van Westerreide (omstreeks 1300) een verschrijving is van *Westercili oftewel 'Westersiel'.

De afleiding zijlvest, Oud-Fries sīlfestene komt voor sinds 1309; Sielacht sinds 1437.

Achtergrond[bewerken]

Van oorsprong is een zijl niets anders dan een klepduiker in de dijk, die bij laagwater wordt opengedrukt door het binnenwater. Tijdens de vloed drukt het zeewater de sluisdeur vervolgens weer dicht. Langs de Duitse Waddenkust werken de meeste zijlen nog steeds op deze manier. In Nederland liggen de polders veel lager en zijn vrijwel alle zijlen vervangen door gemalen. De meeste zijlen hadden sinds de dertiende eeuw de vorm van een houten koker die in de dijk was ingegraven; deze had doorgaans drie stel sluisdeuren: behalve de gewone vloeddeuren een extra stel vloeddeuren voor het geval van extreem hoog water, en een stel ebdeuren, dat moest voorkomen dat het water in het toevoerkanaal of zijldiep te snel wegstroomde, waardoor scheepvaart onmogelijk zou worden. De grotere zijlen werden geschikt gemaakt voor de scheepvaart, zodat men de kleinere schepen bij hoogwater door de koker kon trekken. Van de drie zijlen te Delfzijl was er één geschikt voor de scheepvaart.

Het probleem met dergelijke klepduikers was het dichtslibben van de buitendijkse afvoergeul. Dit kon voorkomen worden door de aanleg van een spuikom, waaruit men het opgehoopte water met kracht door de zijl naar buiten liet stromen. Ook het gebruik van een krabbelaar, mol of modderploeg kon hierbij behulpzaam zijn.

Vanaf de veertiende of vijftiende eeuw ontstond een nieuw type (sluis)havennederzetting dat men in het Duits een Sielhafensiedlung noemt. Op de dijken aan weerszijden van de buitendijkse stroomgeul verrezen huizen. Dit nederzettingstype is vooral verbreid in Groningen, Oost-Friesland en Oldenburg. Bekende Nederlandse voorbeelden zijn Kommerzijl, Munnekezijl, Pieterzijl en Termunterzijl. Niet alle nederzettingen van dit type kregen overigens een naam met de uitgang -zijl. Oudere voorbeelden zijn Delfshaven, Maassluis, Oudesluis, Kolhorn, Broekerhaven, Edam, Spaarndam, Zwartsluis, Lemmer, Makkum (Oosterkloosterzijl), Visvliet, Onderdendam en 't Waar. De laatste twee betreffen nederzettingen rond een binnensluis of verlaat. Andere voorbeelden zijn of waren Papenburg (Drostensiel), De Knock, Norden (Alte en Große Siel), Neustadtgödens, Bremen-Vegesack, Cuxhaven, Neuhaus (Oste), Glückstadt, Friedrichstadt en Tönning. De meeste daarvan zijn rond 1600 door Nederlandse dijkbouwmeesters aangelegd.

In de stad Hamburg in Duitsland werd het woord Siel gebruikt voor de riolering. Het Abwasser- und Sielmuseum sloot zijn poorten in 2009.

Plaatsnaam[bewerken]

Niet alle zijlen gaven hun naam aan een nederzetting; niet alle nederzettingen bij een zijl behoren tot het type van de sluishavennederzetting. De volgende dorpen en gehuchten zijn naar een zijl genoemd:

Nederland[bewerken]


Er ontstonden geen afzonderlijke nederzettingen bij de Finsterwolder(polder)zijl, Oostwolderpolderzijl, Stadspolderzijl, hoewel hier wel een zijlwaardershuis voor de sluisbeheerder te vinden was.

Duitsland[bewerken]


Er ontstonden geen afzonderlijke nederzettingen bij de Großensiel (Brake), Lunesiel, Blexer, Braker, Bütteler, Coldeborger, Dangaster, Drepte, Eckwarder, Friedeburger, Hamburg-Neuenfelde (Vier Sielen Schleuse of der Siel), Hohenstiefer of Sankt Jooster, Ohmsteder, Petkumer, Spieka-Neufelder, Steinhauser, Stollhammer, Neues Strohauser, Ueterlander, Vareler, Waddenser en Wremer Siel en een groot aantal kleinere zijlen.

Waternaam[bewerken]

In oude (Hollandse) steden zijn zijlen meestal smalle, vaak ook overkluisde, dwarsverbindingen tussen parallel lopende grachten. Deze dienden om door schuren of spuien het water in deze grachten te laten doorstromen of te verversen.

Achternaam[bewerken]

Veel mensen en plaatsen in Groningen en Friesland ontlenen hun naam aan een zijl, zoals bij Zijlstra.

Ook in Utrecht is een familie met de naam Zijl te vinden. Hun achternaam is gebaseerd op een spuisluis die zich in vroeger jaren in Spakenburg bevond. Deze familie heeft zich inmiddels over de hele wereld gevestigd. Onder andere in Chili waar de oorspronkelijk uitspraak van de naam nog steeds terug is te vinden in de huidige schrijfwijze (Zil).
Ook Lambertus Zijl, de kunstenaar die o.a. meewerkte aan de Beurs van Berlage, stamde uit de familie uit Spakenburg.

Zie ook[bewerken]