Zoelen (plantage)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zoelen
Overzicht huisjes met omgeving - Zoelen - 20417874 - RCE.jpg
Land Vlag Suriname
Waterlichamen Commewijne,
Saramacca
Produceert Rietsuiker
Beschreven op www.surinameplantages.com
www.surinameplantages.com
Plantage Zoelen

Zoelen was een Surinaamse koffieplantage in het district Commewijne aan de Commewijnerivier. Zij lag tussen de plantages Voorburg en A la bonne heure.

Constantinus Gerardus Nobel en Willem Hendrik Pieck legden de plantage aan in 1749. Nobel was een Amsterdamse koopman. Hij was familie van twee andere Nobels in de buurt: Geertuida die de plantage Geertruidenberg in bezit had en Pieter Contantijn Rust en Werk ertegenover kocht in 1774. Pieck was was adellijke komaf. Hij was baron van Brakel en Zoelen, Heer van Aldenhaag, Enspijk en Munnikenland en ambtman van Beesd en Rhenoy. In 1732 trouwde hij met Johanna, een dochter van François van Aerssen van Sommelsdijck, en kleindochter van de Surinaamse gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck.

Bij de aanleg was deze plantage tweemaal zo groot als de meeste andere plantages die in dit gebied lagen. In 1768 werd Sigmund Vincent Lodewijk Gustaaf Koenen de eigenaar van deze plantage. Twee jaar eerder was hij in Suriname aangekomen en het daaropvolgende jaar trouwde hij met Johanna Dieulefit. Koenen was raadsheer van het Hof van Civiele Justitie. Nadat hij stierf in 1772 verkocht zijn vrouw de plantage in 1778 aan Jean Nepveu . Die droeg op zijn beurt de plantage over aan zijn dochter Martha Johanna, die getrouwd was met Jean Daniel de Meinertzhagen. Nadat haar man gestorven was, keerde Martha Johanna in 1782 terug naar haar vaderland, waar ze in 1794 in het huwelijk trad met Cornelis Karsseboom, voormalige raadfiscaal van Suriname.

De plantage werd in 1790 uitgebreid met 10 kettingen breed. Sinds circa 1817 werd omgeschakeld van suikerriet naar koffie omdat de grond uitgeput was geraakt.

In 1838 werd de plantage door de familie De Meinertzhagen verkocht aan Gustav Nicolaus Linck, die afkomstig was uit Hamburg en beschouwd werd als een van de grootste plantage-administrateurs van Suriname. In 1821 beheerde Linck dertien plantages waarvan zes zijn eigendom waren. Linck was administrateur van de het bedrijf Insinger en Co, die eigenaar was van daarvoor opgerichte negotiaties, die onder andere katoen-, suiker en cacaoplantages omvatten. De plantages werden beheerd door administrateurs zoals Linck, Q.G. Pichot en J.W.H. Kleine. Directeur Jacques Louis Guicherit kreeg in 1842 ontslag. Eerder was hij ook al eens ontslagen na een conflict met de slavenmachten. Vervolgens gebeurde hem dat in 1854 nogmaals toen hij de directie had over de plantage Nieuw Grond. Na Lincks dood ging het eigendom over naar dezelfde eigenaar als van Anna Catharina, Charlottenburg, Nieuw Grond en Wederzorg .

De Amsterdamse koopman Gijsbert Christiaan Bosch Reitz kocht de plantage in 1850. Hij had eerder ook al de naastliggende plantage Geertruidenberg in eigendom verkregen. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 en de tien jaar staatstoezicht die daarop volgde, arriveerden in 1873 de eerste werknemers uit Brits-Indië. Van deze Javaanse contractarbeiders gingen verreweg de meesten aan het werk op de plantages Mariënburg en Zoelen.

De Javanen waren zeer gesteld op de naam van de plantage Zoelen die voor hen een betekenis had uit Nederlands-Indië, namelijk de plaats Solo uit Midden-Java. Vanaf 1882 werd De plantage werd in 1882 opgenomen in de Landbouw Maatschappij Commewijne. Dat bedrijf was opgericht door Jean Philippe Bosch Reitz; hij was een zoon van Gijsbert Christiaan. Het bedrijf verkocht suikerriet aan de pas opgestarte centraalfabriek van de Nederlandse Handel-Maatschappij te Mariënburg. De aandelen zijn in 1889 in handen gekomen van de Nederlandse Handel-Maatschappij en de plantage werd onderdeel van Mariënburg.