Zuid-Nederfrankisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Verspreiding en onderverdeling van de Zuid-Nederfrankische dialecten in Duitsland, Nederland en België. 1 Oost-Limburgs-Ripuarisch 2 Oost-Limburgs 3 Centraal Limburgs 4 West-Limburgs 5 Truierlands 6 Getelands
- HET LIMBURGS TAALLANDSCHAP -
Het Maas-Rijnlandse (Kleverlands-Limburgs-Nederrijnse) dialectcontinuüm.
De Zuid-Nederfrankische dialecten zijn in groentinten weergegeven.
Verbreiding van het "Limburgs" volgens verschillende definities.1 Staatkundig 2 Jo Daan 3 Jan Goossens 4 Gebr. Hoppenbrouwers 5 Jean Frins

Zuid-Nederfrankisch zijn de Limburgs-Nederrijnse vormen van het Nederfrankisch, zoals ze gesproken worden in een breed gebied strekkende van Belgisch Limburg over Nederlands Limburg tot aan de Rijn in Duitsland. Meer precies loopt dit gebied van het oosten van het Belgische Vlaams-Brabant tot in het Duitse Bergische Land aan de rechter Rijnoever, ruwweg in een brede boogvormige strook tussen Tienen (in het zuidwesten), Weert (noordwest), Solingen (noordoost) en Eupen (zuidoost).

Het Zuid-Nederfrankisch wordt in Nederland en België Limburgs genoemd, maar in Duitsland meestal Nederrijns. In Duitsland wordt dit Nederrijns vaak niet duidelijk onderscheiden van het Zuid-Gelders of Kleverlands, de noordelijker aangrenzende dialecten die eveneens Nederfrankisch zijn, maar tot het Brabants in ruimere zin gerekend kunnen worden. Het Limburgs daarentegen loopt wat zuidelijker over een waaiervormig gebied door tot de Rijn en vormt de overgang tussen het Nederfrankisch, de basis van het huidige Nederlands, en het Middelfrankisch of Ripuarisch rond Keulen en Aken, dat tot de Duitse dialecten wordt gerekend. Binnen het Duitse taalgebied maakt het Zuid-Nederfrankisch tezamen met het Kleverlands en Oostbergisch deel uit van het Nederrijnse (Nederfrankische) gebied dat in de middeleeuwen tot de grotere Maas-Rijnlandse cultuurzone behoorde. Maas-Rijnlands is de gemeenschappelijke noemer voor al de dialecten in deze grensoverschrijdende regio die nog tot het Nederfrankisch/Nederrijns gerekend kunnen worden. Het Zuid-Nederfrankisch of Limburgs maakt daar het grootste deel van uit.

Afbakening[bewerken]

Het taalgebied van het Zuid-Nederfrankisch is door Georg Wenker in 1877 gedefinieerd als het gebied binnen de Rijnlandse waaier dat wordt afgebakend door twee isoglossen: in het noorden door de Uerdinger linie (ik/ich), en in het zuidoosten door de Benrather Linie (maken/machen). In het zuiden grenst het Zuid-Nederfrankisch aan het Waalse taalgebied.

Onderverdeling[bewerken]

Jan Goossens maakte in 1965 een onderverdeling van het Zuid-Nederfrankisch, die in hoofdlijnen wordt gevolgd door de samenstellers van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, dat zich echter geografisch beperkt tot Nederland en België.

  1. Oost-Limburgs-Ripuarisch
  2. Oost-Limburgs
  3. Centraal Limburgs
  4. West-Limburgs
  5. Truierlands
  6. Getelands

Limburgs[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Limburgs voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Omdat het Zuid-Nederfrankisch zich uitstrekt buiten de grenzen van de beide Limburgen, is "Limburgs" geen dekkend synoniem van deze dialectgroep. Limburgs heeft dan ook verschillende definities:

  1. Staatkundige definitie volgens de hedendaagse provinciegrenzen van de beide Limburgen
  2. Sociolinguïstische definitie volgens Jo Daan, die gebruikmaakt van de verwantschap die sprekers ervaren tussen naburige dialecten.
  3. Klassieke definitie uit de 19e-eeuwse germanistiek die gebruikmaakt van slechts twee isoglossen door Georg Wenker(D) en Jos. Schrijnen(NL-B), uitgewerkt door Jan Goossens.
  4. Cladistische definitie volgens de gebr. Hoppenbrouwers die van een woordverzameling de afstand meten tot het Standaardnederlands
  5. Cultuurhistorisch-germanistische definitie van het Karolingisch Frankisch volgens Jean Frins, die zo het Limburgs tot voorbij Aken definieert.

In Duitsland vormt het Nederrijnse "Limburgs" samen met het Bergisch de Zuid-Nederfrankische component van het Nederfrankische continuüm.

Literatuur[bewerken]

  • R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen (1998) Gebiedsindeling van de zuidelijk-Nederlandse dialecten, Taal en Tongval jg 50, 1 online
  • Jan Goossens, 1965, Die Gliederung des Südniederfränkischen, in Rheinische Vierteljahrsblätter, 30: 79-94.
  • Georg Wenker, 1877, Das rheinische Platt (Herdruk in: Sammlung deutsche Dialektgeographie Heft 8, Marburg, 1915.)

Externe link[bewerken]