Zutphense waterleiding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zutphense Waterleiding
Datum 10 juni 1910
Partijen Mej. M de Vries t. N.V. Frankfurter Transport-Unfall und Glasversicherungs Actien Gesellschaft
Instantie Hoge Raad der Nederlanden
Rechters A.P.Th. Eysell, E.W. Guljé, jhr. S. Laman Trip, jhr. W.H. de Savornin Lohman, W.J. Karsten, S. Gratama, B.C.J. Loder
Proc.-gen. T.J. Noyon
Procedure Cassatie
Wetgeving art. 1401 / 1402 BW
Nieuw BW 6:162 BW
Onderwerp   Onrechtmatige daad
Vindplaats   W 9038

Het arrest Zutphense waterleiding, ook wel bekend als de Zutphense juffer of Zutphense waterjuffer (HR 10 juni 1910, W 9038), is een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden m.b.t. het leerstuk van de onrechtmatige daad.

Het arrest bepaalde dat de toenmalige artikelen 1401 en 1402 BW over respectievelijk onrechtmatig doen en nalaten strikt gelezen moesten worden. Alleen handelingen die een wettelijke bepaling schonden of inbreuk maakten op iemands rechten waren onrechtmatig. Het artikel vermeldde niets over "onzorgvuldig" of "onbetamelijk" handelen en zulk handelen kon dan ook niet onrechtmatig zijn. Dit was van belang voor de vaststelling van eventuele verplichtingen tussen partijen buiten een contract.

Casus[bewerken | brontekst bewerken]

In een opslagplaats voor lederen kleding in Zutphen sprong in de nacht van 4 op 5 januari 1909 een waterleiding. De hoofdkraan van deze waterleiding bevond zich in de bovenwoning, maar de bewoonster, mevrouw De Vries, weigerde deze dicht te draaien ondanks de dreigende waterschade voor de eigenaar van de kleding. De Vries voelde zich in haar nachtrust gestoord en nam de vrees van de ondernemer niet serieus. Pas na veel aandringen draaide ze toch de kraan dicht, maar de schade was reeds geleden. Deze beliep ƒ9,45.

De eigenaar, Nijhof, stapte naar de rechter en eiste schadevergoeding omdat dit weigeren onrechtmatig zou zijn jegens hem. Nadat de kantonrechter zijn vordering had afgewezen, gaf de rechtbank hem in hoger beroep gelijk: het begrip 'onrechtmatige daad' uit de wet (art. 1401 en 1402 BW oud/art. 6:162 BW nieuw) moest niet zó beperkt worden uitgelegd dat alleen schending van een wettelijke of contractuele bepaling eronder viel. Ook handelingen "waarbij de noodige eerbied voor eens anders persoon, goederen of arbeid uit het oog wordt verloren" waren onrechtmatig.

De Hoge Raad bepaalde echter anders. Het wetsartikel sprak duidelijk van schendingen van wettelijke plichten of het inbreuk maken op rechten van een ander. Onbetamelijkheid stond er niet bij en was dus niet onrechtmatig.

Gevolgen[bewerken | brontekst bewerken]

Deze beslissing leidde tot grote verontwaardiging en kritiek op de Hoge Raad der Nederlanden en het betreffende wetsartikel. In het arrest Lindenbaum/Cohen (1919) ging de Hoge Raad dan ook "om". Hier ging het om bedrijfsspionage: destijds niet specifiek verboden maar wel gezien als onbetamelijk. Het Zutphense Waterleidingarrest en de letterlijke interpretatie van het wetsartikel werden losgelaten en er werd bepaald dat men ook op grond van een ongeschreven rechtsplicht aansprakelijk kan worden gehouden voor schade. Met de inwerkingtreding van artikel 6:162 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is Lindenbaum/Cohen dan ook gecodificeerd door ongeschreven normen als aansprakelijkheidsgrond op te nemen.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]