Zwijgrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het zwijgrecht is het recht van een verdachte om te zwijgen op vragen van de gerechtelijke autoriteiten.

Een verdachte wordt nooit onder ede gehoord en er is dus geen rechtsplicht om de waarheid te zeggen.

Het zwijgrecht vloeit voort uit het beginsel van nemo tenetur prodere se ipsum, wat letterlijk "niemand is gehouden tegen zichzelf (bewijs) te leveren" betekent en het beginsel van 'nemo cogitur' wat "niemand wordt gedwongen (tegen zichzelf bewijs te leveren)" betekent.

Situatie in Nederland[bewerken]

In Nederland heeft elke verdachte het recht te zwijgen op vragen van de politie, het OM of een rechter, tijdens verhoor of het onderzoek ter terechtzitting. Op 21 december 2012 oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat het zwijgrecht blijft gelden voor oud-werknemers. Het CBb vernietigde de boetes die de NMA had opgelegd. [1]

Op het zwijgrecht is een uitzondering van toepassing:

  • Een verdachte moet meewerken wanneer er sprake is van "een aan de wil van de verdachte onafhankelijk goed" en er een wettelijke verplichting tot medewerking bestaat. Zo moet een verdachte bijvoorbeeld meewerken aan een bloedproef (bij een verdenking van alcoholgebruik in het verkeer). Of de verdachte moet meewerken aan het afstaan van bijvoorbeeld wangslijm, huidschilfers of haar ten behoeve van een DNA-test. Een dergelijke DNA-test kan alleen gedaan worden op verzoek van de officier van Justitie en op bevel van de rechter-commissaris. Tevens moeten er ernstige bezwaren bestaan jegens deze verdachte en moet voorlopige hechtenis voor het vermeende delict toegelaten zijn.

Zie ook[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. http://www.rechtspraak.nl/Organisatie/CBb/Nieuws/Pages/Ook-oud-werknemers-hebben-zwijgrecht-in-NMa-onderzoek.aspx