Alençon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Alençon
Stad in Frankrijk Vlag van Frankrijk
Wapen van Alençon
Alençon
Alençon
Situering
Regio Laag-Normandië
Departement Orne (61)
Arrondissement Alençon
Kanton hoofd van 3 kantons: Alençon-1, Alençon-2 en Alençon-3
Coördinaten 48° 26′ NB, 0° 5′ OL
Algemeen
Oppervlakte 10,7 km²
Inwoners (1 jan. 2011) 26.300 (2.457,9 inw/km²)
Burgemeester Joaquim Pueyo
Overig
Postcode 61000
INSEE-code 61001
Portaal  Portaalicoon   Frankrijk

Alençon is een stad in het uiterste zuiden van het Franse departement Orne (regio Basse-Normandie) en telt 28.935 inwoners (2011), de agglomeratie errond telt zo'n 52.200 inwoners. De plaats maakt deel uit van het arrondissement Alençon. Het is de hoofdzetel van de gelijknamige prefectuur. Het is de grootste stad van het departement en de op twee na grootste van de regio Basse-Normandie na Caen en Cherbourg. De inwoners worden Alençonnais genoemd. De bijnaam van de stad is la Belle Endormie of "De schone slaapster". De stad is vooral bekend door haar naaldkant, die hier vanaf de 16e eeuw door duizenden kantwerksters wereldberoemd werd gemaakt. Het is ook de geboorteplaats van de heilige Theresia van Lisieux. Het is een van de weinige Normandische steden die grotendeels intact is gebleven na de Tweede Wereldoorlog, en een van de eerste die door de 2de Pantserdivisie van generaal Leclerc werd bevrijd. Er werd een klein museum aan gewijd in la Maison d'Ozé, waar ook de Dienst voor Toerisme huist.

Naamgeving en toponymie[bewerken]

Taalwetenschappers zijn in het geval van Alençon niet tot een eensluidende conclusie gekomen wat betreft de oorsprong van de naam. Een van de mogelijke verklaringen is een verwijzing naar de Gallische stam de Aulerici die van Alençon een soort pleisterplaats hadden gemaakt, recent onderzoek toont echter aan dat deze Gallische stam meer in het noorden van Normandië richting de Eure verbleef. De plaats zou ook kunnen verwijzen naar een van oorsprong Indo-Germaanse stam de Alani of de Alanen die tijdens de volksverhuizingen in de 5e eeuw naar Normandië kwam. Alençon zou dan het fort van de Alanen kunnen betekenen. In de periode van de Merovingers (460-751) zou het kunnen verwijzen naar een man met de Gallische naam Alantius. Sommige heemkundigen beweren dat al (dicht bij), en (eiland) en ç-c-on (samenvloeien) dus «een eiland dicht bij de samenvloeiing van twee rivieren» betekent. Andere wetenschappers menen er dan ook weer een Keltische aanwezigheid in te herkennen waarbij in het sterk beboste Normandië van de eerste eeuwen na Christus al (van-bij), onn (es) en ci (woud) verwijzen naar «het woud/bos van essen». Nog een andere hypothese is dat Alençon geënt is op de Gallo-Romeinse naam Aluncus; al(voor) en uncus(gehaakt kant) en dus « gehaakt kant» waarvoor de stad bekendstaat, zou willen zeggen. Dit is erg onwaarschijnlijk. In de naam Alençon staat het prefix al bijna zeker voor een hydroniem. Dit is de meest recente veronderstelling, dan zou de naam verwijzen naar «toegang tot een waterrijk gebied». De naam bevat tegelijk de elementen “al-“ en “–anti/-onti”, die respectievelijk “voeding” en “plaats” betekenden, samen “voedselrijke plaats” wat in het geval van het Normandische Alençon ook meer dan mogelijk is.

Geschiedenis[bewerken]

Oudheid[bewerken]

Uit de namen van bepaalde gehuchten alleen al, is er sprake van zeer vroege bewoning, lang voor de romanisatie, zij het niet zozeer op de plaats van Alençon zélf, maar daarrond. Wellicht was Alençon het dichtbevolkte centrum van de diverse opeenvolgende plattelandsculturen? Zelfs van de Gallo-Romeinse periode is in de stad zelf geen spoor te vinden. Alençon ontwikkelde zich aanvankelijk in de meander van de rivier Sarthe, ter hoogte van het huidige kwartier Montsort, maar breidde vanaf de 10e eeuw uit over de voormalige moerasgronden. De regio wordt gekerstend vanaf het midden van de 4e eeuw, in de eerste plaats door de Gallo-Romeinse grootgrondbezitters.

Middeleeuwen[bewerken]

Het duurt relatief lang voor de Vikingen hier aankomen en uiteindelijk, na de verovering van Sées in 924, een vestiging bouwen aan de noordelijke zijde van de Sarthe, rechtover Montsort-Alençon. In de 11e en 12e eeuw blijft Alençon gespaard van oorlogen en raakt niet betrokken in het conflict tussen de Bretoenen en de Normandiërs van Rouen en Caen. Ook tijdens de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) blijft Alençon gevrijwaard van felle strijd of verwoestingen. Het duurt daarna enige tijd voor de nodige overeenkomsten met het bisdom Le Mans kunnen worden getroffen, waarbij de familie de Bellême een soort bufferstaat beheert tussen Normandië, Bretagne, de Perche en Anjou. En waardoor Alençon een geprivilegieerde positie krijgt.

Renaissance[bewerken]

Vanaf 1414 is het een hertogdom dat voorbehouden werd voor de zoon of de broer van de Franse koning. Hier regeert Margaretha van Angoulême (1492-1549) vanaf 1509, na haar huwelijk met de hertog van Alençon. Zij was de zuster van Frans I en grootmoeder van de latere Hendrik IV. Zij wordt algauw Marguerite d’Alençon genoemd en maakte ook literaire naam. Aan haar hof verbleven veel schrijvers en kunstenaars. Bovendien was zij de Reformatie niet ongenegen. Veel predikers, aanhangers van Luther en Calvijn, ontvluchtten de hoofdstad Parijs dat de protestanten allesbehalve goedgezind was. Deze laatsten zochten hun toevlucht in deze intellectuele vrijhaven. Alençon werd zo dus het asiel voor de vervolgde “geleerden”, schrijvers, uitgevers en vertalers. In 1530 noemde iemand de stad “klein Duitsland”! Marguerite was ondertussen hertrouwd met de koning van Navarra. Na haar dood wordt het hertogdom opgeslorpt door de Franse kroon en de opeenvolgende koningen gebruiken het opnieuw als “cadeau” voor weduwes, douairières en 'verstoten' (stief)broers of (half)zusters. In 1533 bezetten de aanhangers van de reformatie de stad, ze plunderen de kerken en verbieden de rooms-katholieke cultus. Na de dood van Frans II schenkt zijn zoon Karel IX het hertogdom aan zijn moeder, Catharina de Medici, die met plezier in Alençon verbleef tot 1566 maar het daarna terugschenkt aan de Franse kroon. In het midden van de 16e eeuw werd in Alençon een van de eerste drukpersen van Frankrijk geïnstalleerd door Simon Du Bois. Door het gunstig intellectueel klimaat en de verdraagzaamheid werd de stad al gauw de thuisplaats van een paar drukkerijen. Vooral de drukkersfamilie Malasis zorgde voor een lange continuïteit in Alençon.

Godsdienstoorlogen[bewerken]

Van 1562 tot 1589 woedden er in gans Frankrijk godsdienstoorlogen. Het is een felle strijd tussen enerzijds de katholieken en anderzijds de hugenoten (Franse benaming voor protestanten) die pas eindigt met het Edict van Nantes (1589) waarbij de hugenoten enige mate van godsdienstvrijheid krijgen. Onder Karel IX (1550-1574) worden de kerken geplunderd door de protestanten, en volgt er een kleine burgeroorlog die echter eindigt met gelijke verdeling van de macht. De protestanten van Alençon ontsnappen zelfs aan de slachting van protestanten over heel Frankrijk na de Bartholomeusnacht of de bloedbruiloft (de nacht van 23 augustus op 24 augustus 1572) in Parijs waarbij ongeveer 20.000 hugenoten afgeslacht worden.

Nieuwe Tijd[bewerken]

Onder Richelieu wordt het hertogdom opgeheven, en wordt Alençon, samen met Rouen en Caen, tot “généralité” van Normandië omgevormd.

Rond 1660 vindt Marthe la Perière de Franse naaldkant uit, of naaldkant van Alençon, en richt in 1665 het bedrijf op dat van Colbert het privilege krijgt van koninklijk leverancier. Het bedrijf stelt daarna tot wel 8.000 kantwerksters tewerk.

Ondertussen fabriceerde Alençon ook diverse soorten laken onder de naam “fleuret” of “blancard”, wat een kleine industriële revolutie teweegbracht, en grote welvaart.

Bij de herroeping van het Edict van Nantes (Edict van Fontainebleau, 18 oktober 1685) verkiezen de protestanten van Alençon de vlucht, en laten een lege stad achter. Elisabeth de Guise kan niet veel meer doen dan de stoffelijke resten van protestanten uit het kerkhof opgraven en op straat gooien. Het ooit zo bloeiende kantwerk, de lakenindustrie en de drukkers hebben zich verspreid over Engeland, Nederland en de Kanaaleilanden, en de economie van Alençon kantelt.

Ook tijdens de Franse Revolutie blijft de stad relatief ongehavend, wat men niet kan zeggen van de onmiddellijke omgeving ervan, die door de Chouans bloedig werd geplunderd. Zo wordt ook de nochtans succesvolle cultuur van Chinese kool, ingevoerd onder (en door) Elisabeth van Orléans, en specialiteit geworden van het hertogdom van Alençon, verworpen als “te adellijk”.

In de 19e eeuw worden weliswaar enkele fabrieken geopend, maar doordat Alençon de spoorlijn Parijs-Brest aan zijn neus ziet voorbijgaan ten voordele van Le Mans, komt er geen echt grote industriële ontwikkeling.

In de 20e eeuw opent Moulinex hier echter een van zijn bastions, wat voor Alençon een hele opluchting betekent. Onder andere de beroemde groentemolen wordt hier vanaf 1937 gemaakt. De hele stad deelt mee in het nieuwe dynamisme en verliest haar reputatie van “Oud-Frans”, zeg maar ouderwets.

Verkeer en vervoer[bewerken]

De stad miste een aantal gelegenheden ter ontsluiting. Zo werd in 1848 besloten om de spoorlijn Parijs-Brest niet via Alençon, maar langs Le Mans en Laval te laten lopen, altijd al de grote “rivalen” van Alençon geweest. Alençon krijgt een inferieure plaats op de lijn Caen-Le Mans en verliest nogal wat economie aan de “rivalen”, die hun bevolking zien verdubbelen en zelfs verviervoudigen dankzij de bijkomende werkgelegenheid.

In de jaren 1950-1970 profiteert Alençon daarentegen van zijn positie op de RN12 Parijs-Brest, als het wegtransport gaat boomen. Het dynamisme van Alençon wordt best geïllustreerd door de vestiging van Moulinex.

Maar opnieuw wordt Alençon overgeslagen bij de aanleg van de snelweg A11 Parijs-Bretagne, over Le Mans. Dat bovendien vanaf eind 1980 bediend wordt door de TGV Atlantique (hst) vanuit Parijs. Alençon moet wachten op de snelweg A28 Rouen-Le Mans in 2005.

Vandaag wordt de stad bediend door de A28 Calais-Bayonne (noord-zuid), naast de oude RN138 Rouen-Le Mans, en door de RN12 vanuit Parijs (oost-west).

Alençon ligt op de spoorlijn Caen-Le Mans-Tours, en kan vanuit Parijs-Montparnasse gemakkelijk bereikt worden met de TGV Atlantique via Le Mans, of vanuit Paris-Vaugirard met de lijn Parijs-Granville.

De onderstaande kaart toont de ligging van Alençon met de belangrijkste infrastructuur en aangrenzende gemeenten.

Detailkaart van de gemeente

Demografie[bewerken]

De oppervlakte van Alençon bedraagt 10,7 km², de bevolkingsdichtheid is 2704,2 inwoners per km².

Onderstaande figuur toont het verloop van het inwonertal (bron: INSEE-tellingen).

Grafiek inwonertal gemeente

Toerisme en bezienswaardigheden[bewerken]

Erfgoed[bewerken]

Civiel[bewerken]

  • Château des Ducs.

In de 11e en 12e eeuw was er al een donjon met omwallingen en grachten. De versterking weerstond in die periode verschillende belegeringen. Het kasteel van de hertogen werd gebouwd onder Pierre II, hertog van Alençon tussen 1367 en 1391. Tijdens de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) werd het kasteel tussen 1417 en 1449 ingenomen door Engelse troepen. Onder Hendrik IV (1553-1610) werd het kasteel in 1592 gedeeltelijk ontmanteld. Het overgrote deel van de machtige versterking werd met de grond gelijkgemaakt om Alençon te straffen voor zijn steun aan de hugenoten. In 1782, vlak voor de Franse Revolutie, werd ook de donjon gesloopt. Tussen 1768 en 1824 werd het gebruikt als tehuis voor daklozen. Na 1824 diende het ook een periode als een huis van bewaring. Er is nog slechts 10% van het oorspronkelijke geheel overgebleven, waaronder het kasteeltje, een weermuur, de toegangstoren en een gewelf. Het kasteel werd tijdens de nazi-bezetting gebruikt als gevangenis, waar velen gefolterd werden door de Gestapo. In 1962 werd het kasteel als Historisch Monument geklasseerd, maar het bleef een gevangenis tot de gevangenen in 2010, samen met die van Le Mans, naar Coulaines werden overgeplaatst. Het kasteel, eigendom van het ministerie van Justitie, werd daarna aan de stad “verkocht” voor 1 euro. Men hoopt er een bezoekersoord van te maken, waar men dan toch een deel van het leven van de hertogen van Alençon zal proberen te tonen.

  • Hotel de Ville (Place Foch)

Het huidige stadhuis is al het 5e gebouw sinds de 14e eeuw waar de stadsadministratie gehuisvest is. In 1783 vond de eerstesteenlegging plaats, het stadhuis staat voor een deel op de grondvesten van het vroegere kasteel. De architect was Jean Delarue. Het werd in een opmerkelijke boogvorm gebouwd van 1783 en werd voltooid in 1797 met de laatste steenlegging van de campanile. Het geheel is opgetrokken in de klassieke bouwstijl van die tijd, de Lodewijk XVI-stijl. De stadsdiensten bezetten oorspronkelijk alleen het middelste deel. De twee zijvleugels werden pas in in 1849 en 1853 door Alençon gekocht. In 1997 volgde een gehele restauratie die beëindigd werd in 1999.

  • Maison d'Ozé (l'hôtel du Mesnil)

Dit huis dateert uit de 14e eeuw, maar werd door schepen Jean de Mesnil dermate aangepast in 1450 dat het als woonst kon worden gebruikt door Charles de Valois, hertog van Alençon, en zijn echtgenote Marguerite van Navarra. Het 'huis' houdt het midden tussen een landhuis en een versterkt kasteeltje. In 1576 zouden de toenmalige inwoners er de toekomstige Hendrik IV (van Navarra) ontvangen hebben. Hij zou er ree voorgeschoteld krijgen, de gastvrouw herkende hem echter niet en de koning genoot van zijn incognito positie. In 1854 werd het gebouw gekocht door de stad. In 1871 huisde er zelfs een lagere school. Het huis werd bijna vernietigd in 1899, maar na heel wat tegenstand van de inwoners werd het gelukkig geklasseerd in 1903 en volledig gerestaureerd. Tot 1973 was het een museum en huisde de muziekschool er. Nu is het de geknipte locatie van de dienst voor toerisme.

  • Graanhalllen (Halle aux Blés)

Dit ronde gebouw dateert uit de 19e eeuw (1806-1819) en heeft een ijzeren-en-glazen koepel. De plannen werden opgemaakt door Jacques Mercier. Er werd met de bouw gestart in 1806 en in 1812 werd het in gebruik genomen door de graanhandelaren voor commerciële doeleinden. Er waren 32 stallen en ruimtes. In de 19e eeuw werd het gebouw getroffen door een zware storm en een brand. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het gebouw dienst als een lazaret. In 1992 begon men met de restauratie van de hallen. Het gebouw dient vandaag voor tentoonstellingen allerhande.

  • Bibliotheek van de Jezuïeten

Oorspronkelijk was het gebouw de Sint-Jozefskerk annex kapel die in 1696 voltooid werd. De orde van de Jezuïeten had er zijn onderkomen. Tijdens de Franse Revolutie moesten de Jezuïeten vluchten en werd het gebouw in beslag genomen door het nieuwe bewind. In de 18e eeuw werd er een uitkijktoren bijgebouwd voor de lessen astronomie. In de eikenhouten gebeeldhouwde kasten (18e eeuw) uit de voormalige abdij van Val Dieu bevinden zich onder andere zeldzame uitgaven uit de 16e eeuw en middeleeuwse manuscripten. Er is een mooie trappenhal met mooie zuilen van marmer. Vanaf 1805 diende de voormalige kerk als onderwijsinstelling en bibliotheek. Tussen 2000 en 2005 werd het gebouw grondig gerestaureerd. Nu is het een van de grootste en belangrijkste bibliotheken van Basse-Normandie met meer dan 100.000 boekwerken en manuscripten.

Religieus[bewerken]

  • Saint-Léonardkerk

De Saint-Léonardkerk is vernoemd naar de heremiet Léonard die in de 5e eeuw in de bossen vlak bij Vandoeuvre verbleef. De eerste kerk werd tussen 1160 en 1182 gebouwd, ze verdween tijdens de 13e eeuw. De eigenlijke kerk werd door René van Alençon en Marguerite de Lorraine tussen 1490 en 1505 opgetrokken in flamboyante gotiek, met een 12e-eeuwse klokkentoren die in de 17e eeuw helaas herbouwd werd na de instorting van de steunberen, en daarna overdadig gerestaureerd werd eind 19e eeuw. Ze staat ook op de lijst van de Franse historische monumenten.

  • Basiliek Notre-Dame d'Alençon

In 1356 nam de eigenlijke bouw van de kerk Notre-Dame d’Alençon een aanvang onder Karel III van Alençon, de toenmalige graaf van Alençon. De werken kenden een bouwstop van 1417 tot 1449 toen de stad bezet was door Engelse troepen tijdens de Honderdjarige Oorlog. De werken werden hervat in 1470 en duurden tot 1518. De kerk werd opgetrokken in de gotische flamboyante stijl. Het hoofdportaal met verschillende gebeeldhouwde figuren dateert uit 1510 en in 1536 werden de glas-in-loodramen en de preekstoel afgewerkt. In 1744 sloeg de bliksem in en een groot deel van de kerk, waaronder de klokkentoren en het koor, werden door brand in de as gelegd. Tijdens de Franse Revolutie vernielden revolutionairen bijna het gehele interieur waaronder het mausoleum van hertog René van Alençon. In 1808 werd de kerk opnieuw getroffen door de bliksem en de daaropvolgende brand. Ook obussen brachten de kerk schade toe tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 2010 werd een grondige restauratie van zo'n dertig jaar beëindigd. De kerk werd tot rang van basiliek verheven in 2009. Alençon is nooit de zetel van het bisdom geweest, die immers in Sées ligt. De basiliek staat ook op de lijst van Franse historische monumenten.

  • Kapel Notre Dame de Lorette

Deze kapel werd in 1699 gebouwd onder instigatie van de toenmalige pastoor Sévin van Ancinnes ter ere van de maagd Maria. Het is een van de enige intact overgebleven kapellen in Frankrijk gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Lorette. Lorette is vernoemd naar Loreto, een stadje in Italië, vlak bij Ancona waar volgens de katholieke overlevering het geboortehuis van Maria in Nazareth steen voor steen werd overgebracht en in zijn oorspronkelijke staat werd heropgebouwd.

Musea[bewerken]

Religieuze gebouwen met museale nevenfuncties[bewerken]

Privémusea[bewerken]

  • Geboortehuis van Theresia van Lisieux (rue Blaise 50)

Dit geboortehuis van de heilige Theresia van Lisieux (1873-1897) werd in 2009 heropend, na belangrijke werken voor grotere toegankelijkheid en scenografie. Er wordt ook een film afgespeeld over de populairste 20e-eeuwse heilige, karmelietes uit Lisieux die in twee jaar tijd heilig verklaard werd door Pius XI in 1925. Hier bezoekt men het huis van de familie Martin, die 4 kinderen verloren en de andere vijf allemaal non zagen worden. De vader was eerst horlogemaker, maar zette zich algauw in ter verkoop van het bijzonder gegeerde kantwerk van de moeder, die echter in 1877 al stierf aan borstkanker. De familie verhuisde toen naar Lisieux, dat na Lourdes het populairste bedevaartsoord van Frankrijk zou worden.

  • Museum voor Schone Kunsten en Kantwerk

In 1852 werd het museum officieel geopend op de eerste verdieping van het stadhuis. Toen de behuizing voor de steeds uitdijende collectie te klein werd, verhuisde het museum in 1907 naar het Maison d'Ozé. Op 20 juni 1981 opende het museum op een nieuwe locatie in de voormalige verblijven van het oude jezuïetencollege (1620). Er zijn tekeningen, schilderijen en gravures te zien die dateren van de 15e tot begin 20e eeuw (Franse, Italiaanse en noordelijke scholen). Zeker de moeite is een zaal met Cambodjaanse kunst waar je naast juwelen en beelden ook wapens uit de Khmer-cultuur kunt zien. De kant met de befaamde Point d'Alençon-techniek ontbreekt natuurlijk ook niet. Er valt een magnifieke collectie kantwerk te bewonderen met unieke stukken variërend in grootte van zakdoekjes tot trouwjurken, geheel gemaakt uit kant. Er worden ook regelmatige tentoonstellingen over de beroemdste couturiers en hun ontwerpen gehouden.

Cultuur en ontspanning[bewerken]

Winkelen[bewerken]

Kwartier Saint-Léonard, een van de oudste kwartieren van Alençon, op het kruispunt des étaux, met de place Magdeleine en de kruising van de Grande rue, de rue aux Sieurs (verkeersvrije winkel-wandelstraat) en de rue de la Poterne. Hier bevindt zich het café “Sept Colonnes” in een van de oudste huizen van de stad. Kwartier van Montsort (“droge berg”) werd in 1957 “vrije gemeente”, en zodoende zuster van het Parijse kwartier van Montmartre. Want sedert 1668 werd hier inderdaad gratis soep, vlees en brood uitgedeeld aan de armen en daklozen en wie zich het hospitaal niet kon veroorloven. Aan de ingang van de wijk bevond zich een benedictijnenklooster, later omgebouwd voor een stoffen- en kantwerkfabriek, en vanaf het einde van de 19e eeuw tot 1968 in een meisjescollege. Vandaag zitten hier sociale woningen.

Markten[bewerken]

Gastronomie[bewerken]

Parken[bewerken]

Economie[bewerken]

Bekende Alençoners[bewerken]

Externe links[bewerken]