Bedrog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Bij bedrog is er sprake van een wilsgebrek bij de totstandkoming van een rechtshandeling.

Een rechtshandeling vereist immers op grond van art. 3:33 B.W. (artikel 33 van boek 3 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek) een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

In art. 44 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (art. 3:44 B.W.) staan de wilsgebreken: bedreiging (lid 2), bedrog (lid 3) en misbruik van omstandigheden (lid 4). Deze wilsgebreken leiden tot vernietigbaarheid van de betreffende rechtshandeling (lid 1).

Een ander wilsgebrek is de dwaling, die vermeld staat in art. 228 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (art. 6:228 B.W.).

Verschillen tussen bedrog en dwaling[bewerken]

Bij bedrog is er, in tegenstelling tot dwaling, sprake van opzet waarbij iemand willens en wetens (expres) in dwaling wordt gebracht.

Bij dwaling geldt er een onderzoeksplicht van de dwalende partij op grond van de zogenaamde verkeersopvattingen genoemd in art. 6:228 lid 2 B.W., en pas wanneer daaraan voldaan is, is er sprake van een geslaagd beroep op dwaling. Bij bedrog is het niet nodig, dat er is voldaan aan een onderzoeksplicht.

Definitie[bewerken]

Bij bedrog wordt iemand tot een bepaalde rechtshandeling bewogen door een opzettelijk onjuiste mededeling (het vertellen van onwaarheden/leugens), opzettelijke verzwijging (iets belangrijks niet mededelen, wat men juist verplicht was mede te delen) of een andere kunstgreep (bijvoorbeeld het opgeven van een valse naam, een vals adres, het vervalsen van stukken en zich in een valse hoedanigheid presenteren).

Een "aanprijzing in algemene bewoordingen": overdrijving in advertenties is echter toegestaan, ook al is ze onwaar, en levert noch een gerechtvaardigd beroep op bedrog, noch op dwaling op. Voorbeelden hiervan zijn: "de mooiste", "de beste" en "de goedkoopste".

Zie ook[bewerken]