Behemoth

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Behemoth (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Behemoth.
Behemoth en Leviathan, gravure van William Blake

Behemoth (Hebreeuws: בהמות, behemoth (modern: behemot), Arabisch: بهيموث , Bahīmūth of بهموت , Bahamūt) is de Oud-Hebreeuwse naam van een reusachtig dier dat beschreven wordt in het boek Job van de (Hebreeuwse) Bijbel (zie onderstaande paragraaf). Volgens de beschrijving is het de koning der zoogdieren (zie ook Ziz, koning der vogels, en Leviathan, koning der vissen).

Sinds de 17e eeuw is getracht de Behemoth te identificeren. Hij wordt wel geassocieerd met het nijlpaard, de olifant of de waterbuffel. Het probleem voor de meeste van deze theorieën is dat volgens de beschrijving de staart van de Behemoth "is als een ceder" terwijl de genoemde dieren niet bepaald een indrukwekkende staart hebben. Sommige vertalingen, zoals de Willibrordvertaling (WV95), hebben dit echter omzeild door deze staart te vertalen met "lid, penis". Een andere theorie stelt dat het om een brontosaurus gaat, die inderdaad een stevige staart had, maar volgens de geldende opvattingen nooit tegelijk met de mens leefde. Een andere veronderstelling is dat de Behemoth het product is van de fantasie van de auteur van het boek Job, een symbool voor de macht van God (in vers 24 wordt beschreven dat de Behemoth een ring door zijn neus heeft, een teken dat hij door God getemd zou zijn).[1]

In literaire taal gebruikt men soms het woord behemoth om iets aan te duiden dat extreem groot, log of inefficiënt is.

Passage in de (Hebreeuwse) Bijbel[bewerken]

Job 40:10-19 (Statenvertaling):[2]

10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.
11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.
12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.
13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.
14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.
15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.
16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.
17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.
18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

Herkomst[bewerken]

Het woord Behemoth is in de eerste plaats het meervoud van het woord Behema (beest) en wordt elders in de Tenach / het Oude Testament, waaronder in het boek Job, vertaald als beesten of vee, zoals in Psalm 73:22.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties