Beleg van 's-Hertogenbosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van 's-Hertogenbosch
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
Prins Frederik Hendrik en graaf Ernst Casimir bij het beleg van 's-Hertogenbosch, 1629 (Pauwels van Hillegaert, 1635).jpg
Datum 30 april-14 september, 1629
Locatie 's-Hertogenbosch, Hertogdom Brabant
Resultaat Inname van de stad
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svgStaatse leger Flag of Cross of Burgundy.svgGarnizoen van 's-Hertogenbosch
Commandanten
Frederik Hendrik van Oranje Anthonie Schets, baron van Grobbendonck
Troepensterkte
24000 infanterie
4000 cavalerie
116 kanonnen
3000 infanterie
4000 bewapende burgers
80 kanonnen
Verliezen
onbekend 1.200 doden 1.200 zieken en gewonden

Het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 was een groots opgezette tegenaanval op de Spanjaarden onder leiding van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje, tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het beleg duurde van april tot half september. Uiteindelijk werd de stad 's-Hertogenbosch door de stadhouder ingenomen. De stad was belangrijk vanwege de strategische ligging. Het had daarnaast een bisschopszetel en was een van de hoofdsteden van Brabant. Een verovering ervan zou goed zijn voor het prestige van de Republiek en de stadhouder.

De belegering was moeilijk vanwege het drassige gebied rond de stad. Met behulp van dijken en molens werd het probleem verholpen en werd het water ingezet als extra verdediging voor het Staatse leger. Rondom de stad lagen kwartieren waartussen de circumvallatielinie lag dat diende als verdediging tegen een mogelijk ontzettingsleger. De contravallatielinie moest de belegeraars beschermen tegen het Bossche garnizoen. Vanuit de kwartieren werden approches gegraven om dicht bij de stad te kunnen komen zodat een bres in de vestingwerken geslagen kon worden.

De commandant Hendrik van den Bergh van het Spaanse leger heeft nog getracht de stad te ontzetten, maar slaagde hier niet in. Ook werd geprobeerd het Staatse leger weg te lokken door de Veluwe binnen te vallen. Amersfoort kon worden veroverd, maar het leger moest zich uiteindelijk terugtrekken na de Staatse inname van Wesel. Omdat er geen kans op ontzet was en het Staatse leger al een gat in de vestingwerken had geslagen werd besloten te capituleren. Na de inname werd het katholicisme verboden en verlieten met het Spaanse garnizoen veel katholieke inwoners en de geestelijkheid de stad.

Situering[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Situatie in de Nederlanden tussen 1621 en 1628.

Na het overlijden van Filips III in maart 1621, kwam Filips IV aan de macht en met hem kwam er een nieuwe strategie voor de Nederlanden. Het Twaalfjarig Bestand liep af en het Spaanse hof wilde dat aangrijpen om voor de Staatse katholieken godsdienstvrijheid af te dwingen. Daarnaast wilde Spanje voor elkaar krijgen dat de Republiek zich terug zou trekken uit de Spaanse en Portugese koloniën en moest de Schelde opengesteld worden. Om dit te bereiken wilde het Spaanse hof een snelle offensieve oorlog voeren.[1] Dit met tegenzin van de aartshertogen Albert en Isabella die met een zekere zelfstandigheid de Zuidelijke Nederlanden bestuurden. Zij wilden juist dat het Bestand werd verlengd, om het land op te kunnen bouwen. Daarnaast waren zij er niet zeker van dat het benodigde geld voor de oorlog, zo'n 300.000 dukaten per maand, ook werkelijk trouw zou worden uitbetaald.[1] Na het overlijden van Albert, ging het bestuur weer over naar de Spaanse koning, waarmee de offensieve oorlog kon beginnen. De befaamde Ambrosio Spinola kwam naar de Nederlanden om het leger te leiden. Het beleg van Bergen op Zoom mislukte, maar het beleg van Gulik en van Breda waren succesvol. Vooral het sterke Breda was een belangrijke overwinning. Echter was het beleg, dat meer dan een jaar duurde, erg kostbaar en leverde relatief weinig op omdat de Republiek niet aan de onderhandelingstafel werd gedwongen. Daarop werd besloten over te gaan op een defensieve strategie dat minder geld kostte.[2] Zo werd het leger verkleind, werden de geldzendingen verlaagd en werden de grensgarnizoenen uitgebreid.[2] Daarnaast probeerde Spanje de Republiek op economisch vlak schade toe te brengen door onder andere het aantal kapers, die het voorzien hadden op Staatse schepen, in Vlaamse steden te laten toenemen. De situatie voor de Republiek leek ernstig, maar door verschillende gebeurtenissen keerden de kansen ten gunste van de Republiek.

Motieven voor het beleg[bewerken]

Het belangrijkste motief voor het ambitieuze project, dat de belegering van 's-Hertogenbosch was, was dat de tijd er rijp voor was. Een jaar ervoor had de kapitein van de WIC, Piet Hein, de Spaanse zilvervloot veroverd dat voor veel enthousiasme in de Republiek zorgde. Daarnaast had het Spaanse leger veel kracht verloren in de Nederlanden. Het leger was vanwege de nieuwe defensieve strategie ingekrompen en de focus ervan werd tijdelijk verlegd door een gebeurtenis in Mantua, Italië. De Spanjaarden waren in Italië verwikkeld in een strijd tegen Frankrijk in de Mantuaanse Successieoorlog, dat van groter belang was voor de Spanjaarden dan de strijd in de Nederlanden. De Spaanse generaal Ambrogio Spinola, opperbevelhebber van de Spaanse troepen in de Nederlanden en een briljant strateeg, werd naar Italië gezonden, om daar te strijden tegen de Fransen. Zijn vervanger in de Nederlanden was Hendrik van den Bergh, een volle neef van Frederik Hendrik. Ook de bondgenoot van de Spaanse koning, de Duitse keizer had zijn handen vol aan zijn strijd met Christiaan IV van Denemarken in de Dertigjarige Oorlog.

Frederik Hendrik had dat jaar drie verschillende opties om te veroveren in gedachte: Lingen, Wezel of 's-Hertogenbosch. Alle drie waren ze belangrijk voor de Spaanse omsingeling van de Republiek. Om de positie van de Republiek te ondermijnen hadden de Habsburgers haar sinds het einde van het Twaalfjarig Bestand zo veel mogelijk afgesloten van haar achterland door een ring van sterke vestingsteden. Zou Den Bosch vallen, dan zou er een groot gat in het zuiden de verdedigingslinie ontstaan.

Voor Den Bosch werd gekozen vanwege de strategische ligging van de stad dicht bij de Maas. Daarnaast controleerde het Brabant en de toegangswegen naar Holland, de Veluwe en Utrecht.[3] Er waren nog meer strategische redenen: door inname van de stad zouden het Staatse leger niet meer rekening te hoeven houden met een constante dreiging vanuit Den Bosch en tevens zou het de Republiek in het zuiden een uitvalsbasis bieden. Moeilijk verdedigbare steden als Herentals, Lier en Tienen, maar ook belangrijkere steden als Antwerpen of Maastricht zouden in het bereik komen.

Daarnaast was 's-Hertogenbosch van belang vanwege haar prestige: het was de vierde hoofdstad van het hertogdom Brabant en had een bisschopszetel. Daarnaast behoorde de Meierij bij de stad, een groot plattelandsgebied met ruim 40 kloosters, 140 dorpen en 200.000 inwoners.[4] Door de sterkte en het belang van de stad, zou een verovering een grote deuk in het prestige van Spanje opleveren.

Vesting 's-Hertogenbosch[bewerken]

Kaart van 's-Hertogenbosch in 1649, twintig jaar na het beleg. Na het beleg werd er een citadel toegevoegd aan de stad om de bevolking te controleren.

In belegeringstechnisch opzicht was 's-Hertogenbosch een onwaarschijnlijk doel voor een campagne. 's-Hertogenbosch was een stad gelegen middenin een drassig gebied waar de twee riviertjes, de Dommel en de Aa doorheen stroomden. Het land rond de stad stond voor het grootste gedeelte onder water. Het was het hele jaar slechts bereikbaar door twee wegen, uit Vught en uit Hintham. Vanuit Den Dungen, Orthen en Vlijmen was de stad vanwege het water alleen in de zomer bereikbaar.

Tot aan het Twaalfjarig Bestand had de stad nog een verouderde middeleeuwse ommuring. Gedurende de wapenstilstand werd de verdediging gemoderniseerd door nieuwe wallen, zes nieuwe bolwerken en twee bastions aan te leggen. Voor de Hinthamerpoort werd een uitgebreid hoornwerk aangelegd en op sommige plaatsen kwamen aarden ravelijnen. Ondanks deze verbeteringen waren ten tijde van het beleg niet alle moderniseringen voltooid. De verdediging aan de kant van Den Dungen bestond nog uit de middeleeuwse stadsmuur dat niet gedekt werd door bastions, maar door rondelen en halfronde muurtorens. Om dit zwakke deel van de stad toch te kunnen beschermen werd er 750 meter vandaan het vijfhoekige fort De Pettelaar, ook bekend als Sint-Michiel, gebouwd. Aan de kant van de Vught lagen twee forten. Deze forten, de Kleine Schans of Sint-Anthonie en de Grote Schans of fort Isabella lagen een kilometer van de stad en moesten de toegang ertoe beschermen.

De vesting gold als onneembaar en kreeg daarom de bijnaam Moerasdraak.[5][6] Daarbij moet vermeld worden dat alleen aan de Staatse kant, in propagandistische pamfletten en historiewerken vermeldingen als "onneembaar" werden gebruikt om de grootsheid van de eigen prestatie te benadrukken.[7]

Het garnizoen dat gelegerd was in de stad behoorde tot de grootste in de Zuidelijke Nederlanden. Het bestond uit 3.392 soldaten, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, Duitsland en Bourgondië. Een deel daarvan was in andere steden gelegerd, maar werd snel naar Den Bosch gestuurd toen bekend werd dat dat het doel zou worden. Zo glipten er in het vroege stadium van het beleg 800 soldaten uit Breda en 45 uit Eindhoven door de omsingeling. Ook waren er ruiters gelegerd in de stad die niet op tijd konden wegkomen uit de stad. Zij gingen dienstdoen als voetvolk. De gouverneur van de stad was de ervaren Anthonie Schetz, baron van Grobbendonk. Ook met de weerbare burgerbevolking moest rekening mee gehouden worden. Zij ondersteunden het garnizoen door wacht te lopen op belangrijke punten.

In de stad waren voldoende levensmiddelen opgeslagen om een lang beleg uit te zitten. Wat wel een probleem was voor de verdedigers, was de voorraad buskruit en munitie. Daar was weinig van voorhanden en een deel van het kruit was te nat om meteen te kunnen gebruiken. Ondanks aandringen van de gouverneur, maakte de regering in Brussel geen geld vrij voor de aankoop van extra voorraden.

Aanloop naar het beleg[bewerken]

Werving van het Staatse leger[bewerken]

Prins Frederik Hendrik. Door onder andere het Beleg van 's-Hertogenbosch kreeg hij zijn bijnaam "stedendwinger".

Voor het beleg was een leger nodig van 24.000 man voetvolk en 4.000 ruiters, waarvan een groot deel nog eerst gerekruteerd moest worden. Vijftig compagnieën werden teruggebracht op hun oude sterkte waarvoor 10.000 nieuwe soldaten aangetrokken moesten worden.[8] De bijkomende quotes van de provincies Holland, Utrecht en Gelderland werden gebruikt om nog eens 12.000 man aan te trekken.[8] Veertig bestaande compagnieën kregen elk 150 man extra, daarnaast werden vijftien nieuwe Duitse compagnieën en een Schotse compagnie aangenomen.[8] Deze Schotse manschappen werden onder begeleiding van twee oorlogsschepen door Nederlandse schepen opgehaald in Leith. Nieuwe officieren werden veelal geworven bij de oude compagnieën en werden in rang gepromoveerd voor de duur van het beleg.

Om de bevolking van de Republiek te ontzien werd de rekruteringsofficieren door de Raad van State opgedragen alleen in het buitenland te werven. Daarnaast mochten ook overlopers aangenomen worden, hoewel dat volgens sommige officieren gevaarlijk was. Fransen en Engelsen mochten niet aangenomen worden, omdat die landen ook manschappen rekruteerden en ze bondgenoten waren van de Republiek. Door de druk om genoeg manschappen te werven en de beperkingen die opgelegd waren, werden ook minder bruikbare individuen geworven zoals arme lieden en jonge jongens.

Het werven verliep niet zoals gepland en het aantal van 12.000 manschappen werd niet gehaald: alleen het Schotse regiment overtrof de verwachtingen.[9] Een belangrijke oorzaak van het wervingsprobleem was dat andere vorsten ook druk aan het ronselen waren. Denemarken was in de buurt van Delfzijl manschappen aan het werven en Zweden in gebieden aan de grens van de Republiek met het Heilige Roomse Rijk.

Het beleg[bewerken]

Opmars naar 's-Hertogenbosch[bewerken]

Op 24 april vertrok Frederik Hendrik met 24.000 man voetvolk en 4.000 ruiters via Utrecht in de richting van Arnhem en Nijmegen om het leger te groeperen op de Mookerheide, waar eerder in 1574 de slag op de Mookerheide had plaatsgevonden. De zomer van 1629 was relatief warm en droog. Dit maakte de verplaatsing van kanonnen en een grote troepenmacht eenvoudiger.[10]

Op 28 april kwam het Staatse leger daar bijeen voor een wapenschouw. Tegelijkertijd werd een schipbrug over de Maas bij Grave aangelegd. Deze brug was in een dag klaar, waarna Frederik Hendrik naar 's-Hertogenbosch oprukte. Voor de Brabantse steden 's-Hertogenbosch en Breda werd toen duidelijk, dat de strijd zich in Brabant en niet in Duitsland, zou afspelen.[11] Vanwege eerdere mislukte aanvallen op 's-Hertogenbosch in 1601 en in 1603 door prins Maurits maakten de Bosschenaren zich in eerste instantie niet druk.[6] Ze waren wel op hun hoede.

De ruiterij van het Staatse leger nam op 30 april en 1 mei verschillende dorpen rond de stad in en sneed de stad af van Breda. De rest van het leger kwam op 1 mei aan op de Vughterheide. Bij fort Crèvecoeur, ten noorden van de stad meerden de schepen aan met de artillerie en andere materialen. De gedeputeerden te velde en later ook soldaten die niet op tijd bij de verzamelplaats op de Mookerheide konden zijn, kwamen aan bij dit fort.

De stad kon door de warme en droge weersomstandigheden makkelijker omsingeld worden.[10] Ook werden mensen die niet konden vechten voor 's-Hertogenbosch door Anthonie Schets op 1 mei de stad uitgestuurd. Dit waren kleine kinderen, waaronder vier van zijn eigen kinderen, bejaarden, vrouwen en zieke soldaten. Deze mensen werden door Frederik Hendrik opgevangen.[12]

Omsingeling[bewerken]

De voorbereiding op het beleg. Op de voorgrond staan legerleiders met een kaart en op de achtergrond worden kanonnen gesleept. (Daniël Cletcher, 1630).

Frederik Hendrik wist dat 's-Hertogenbosch alleen overwonnen kon worden door het te omsingelen en af te sluiten. Door op de iets hoger gelegen toegangswegen kwartieren te plaatsen werd de stad omsingeld. Een circumvallatielinie moest de stad insluiten. De snelheid voor het opwerpen van de benodigde verdedigingswerken bepaalde mede het succes van de belegering. Het Staatse leger was namelijk in de eerste weken erg kwetsbaar door het ontbreken van een goed verdedigbare positie. Nadat Frederik Hendrik in Vught was aangekomen wees hij de drie plaatsen aan waar belegeringskwartieren moesten komen. Daarbij hield hij rekening met de buitenforten en het onder water gelegen gebied. Alle drie de kwartieren lagen ongeveer een uur gaans van de stad vandaan. Deze kwartieren waren bedoeld als verblijf voor de soldaten en daar vanuit werd de circumvallatielinie verdedigd. De eerste dagen werd de meeste tijd besteed aan het gereedmaken van de kwartieren.

In Orthen lag het belegeringskwartier van Willem van Nassau. Verder met de klok mee lag het kwartier van Ernst Casimir in Hintham en Frederik Hendrik had zijn kwartier in Vught. Onder fort Crèvecoeur lag Engelen waar graaf Albrecht van Solms zijn kwartier had. Hij had als taak de aanvoer vanuit het fort te beschermen. Op 5 mei sloeg Johan Wolfert van Brederode zijn kwartier ten zuidoosten van de stad op de weg naar Den Dungen, omdat de afstand tussen het kwartier van Frederik Hendrik en dat van Ernst Casimir te groot was. De laatst voltooide stelling was een groot fort nabij Deuteren, dat onder leiding stond van kolonel Pijnssen. Het werd hier aangelegd omdat op deze plaats Spaanse soldaten uit Breda naar de belegerde stad konden komen.

Insluiting[bewerken]

Kaart van 's-Hertogenbosch en de belegeringswerken.

Nadat de omsingeling van de stad was voltooid en de kwartieren waren opgeworpen, kon er vanaf 3 mei begonnen worden aan de insluiting van de stad door middel van een circumvallatielinie en de contravallatielinie. De circumvallatielinie was de buitenste linie en moest de belegeraars beschermen tegen een mogelijk ontzettingsleger. Aan deze linie werd in het begin de meeste aandacht aan besteed. De contravallatielinie was de binnenste linie en moest de belegeraars beschermen tegen uitvallen vanuit de stad. Daarnaast zorgden de linies er voor dat de stad afgesloten werd zodat er geen personen meer van en naar de stad konden gaan. De linies bestonden uit dijken met ervoor een dubbele gracht, een onderwater gelopen gebied, of hadden een dubbele borstwering. De circumvallatielinie werd op strategische punten versterkt door schansen, redoutes en kwartieren. Het was ongeveer 45 kilometer lang (11 uur gaans), terwijl de contravallatielinie zo'n 25 kilometer lang was. De aanleg van deze linies werd in enkele weken voltooid, door inzet van 24.000 soldaten en opgeroepen landbouwers uit Zuid-Holland en Gelderland. Twee jaar eerder, bij het beleg van Grol, had Frederik Hendrik een circumvallatielinie voor het eerst uitgetest, met succes. Frederik Hendrik had het weer afgekeken van Ambrogio Spinola die deze tactiek had gebruikt bij het beleg van Breda in 1624.[13]

Toen de kwartieren nog niet met elkaar verbonden waren door de linies, was het gebied tussen de kwartieren nog erg gevaarlijk. Ook goede verbindingswegen ontbraken nog. Hierdoor haperde de aanvoer van levensmiddelen naar Vught, dat het verst van fort Crèvecoeur lag, en ontstond een tekort.

Aan het begin van het beleg was het rustig aan de kant van de stad. Er werden door het garnizoen weinig uitvallen gepleegd op de belegeraars, in de cruciale fase van het bouwen van verdedigingswerken, terwijl die mogelijkheid er wel was volgens de Staatse gedeputeerden en Frederik Hendrik. Alleen vanuit fort Isabella werden enkele salvo's gevuurd op Staatse soldaten en aan de kant van Orthen werd gevochten. Ook waren er enkele keren in de beginfase van het beleg schermutselingen tussen beide partijen. Gouverneur Grobbendonk liet de verdedigingswerken op de zwakke punten versterken, buiten de vesten en bij de poorten. Ook waar de oude wallen waren verzwakt werden nieuwe verschansingen opgeworpen. Huizen die te dicht rond de stad lagen en die gebruikt zou kunnen worden door de belegeraars werden afgebroken of platgebrand. Vanaf de derde week werd het aantal uitvallen vanuit de stad groter, hoewel het aantal slachtoffers op 30 mei nog maar 12 bedroeg. Een mogelijke oorzaak van de weinige uitvallen zou kunnen zijn het gebrek aan manschappen en buskruit.

Daags na het begin van het beleg in de nacht van 3 op 4 mei konden 800 soldaten uit Breda via de hoogte bij Deuteren ongezien naar Den Bosch gaan. Een nacht later kwamen er al Staatse troepen de hoogte bezetten en werd er het kwartier van Willem Pijnssen aangelegd. Vanwege het hoge water bleef dit een zwakke plek in de verdediging. Ook Grobbendonk zag dat in.

Op deze afbeelding zijn boven molens te zien, gebouwd tijdens het beleg, die gebruikt werden om het water rond Den Bosch leeg te malen en onder een dijk die de Dommel blokkeerde.

Op 18 mei was de stad, ondanks het overstroomde land rond de stad, volledig omsingeld. Deze snelheid verbaasde velen, onder anderen Grobbendonk en zelfs aan Staatse kant. De Hollandse dijk, onderdeel van de circumvallatielinie aan de kant van Deuteren, was een mooi voorbeeld van de waterbouwkundige prestatie. De dijk lag op het diepste punt in de omgeving in ondergelopen land en werd vernoemd naar de herkomst van de werklieden. De omsingeling was daarmee volledig gesloten, wat Maurits 26 jaar eerder had nagelaten. Een andere prestatie van de belegeraars was het afdammen van de twee riviertjes, de Aa en de Dommel. Het water uit die rivieren werd omgeleid, waardoor het land om de circumvallatielinie onder water gezet werd en zo een extra hindernis vormde voor een mogelijk Spaans ontzettingsleger. Het land rond Den Bosch viel droog, en nu kon begonnen worden met het graven van approches in de richting van de stad. De vallatielinies hadden een enorme polder gecreëerd, die men nu kon droogleggen. Het water werd met rosmolens uit de polders gepompt. Hoewel de later beroemde waterbouwkundige Jan Leeghwater vaak genoemd wordt als betrokkene bij de belegering, zijn er geen eigentijdse Staatse bronnen waarin zijn aanwezigheid of actieve rol genoemd wordt.[14] Met het zakken van het water werd de Hollandse dijk nog eens versterkt met nieuwe redoutes en andere fortificaties, omdat de stadhouder op deze plek een aanval verwachtte. Tegen 30 mei waren alle verhogingen en verzwaringen van de verdedigingslinies zo goed als voltooid.

Rond 1570 had Filips van Hohenlohe een fort op de oostelijke oever van de Dieze gesloopt. Hij liet kort daarna op de westelijke, Staatse kant een nieuw fort bouwen: fort Crèvecoeur. Frederik Hendrik kon dankzij dit fort de scheepvaart op de Dieze en de Maas controleren. Achteraf bleek dat, mede door dit fort, het beleg een succes werd. Het fort werd namelijk gebruikt voor de bevoorrading van de troepen. Via Heusden werd het leger ook bevoorraad. Met deze twee bevoorradingsroutes en het gegeven dat de stad omsingeld was, was het eigenlijk een kwestie van tijd totdat 's-Hertogenbosch zou vallen. Frederik Hendrik kon zijn leger voornamelijk via het water bevoorraden, terwijl de stad logischerwijs niet meer bevoorraad kon worden. Toch was simpele uithongering niet de methode waar Frederik Hendrik voor koos. Door de grote voedselvoorraden die vestingsteden opgeslagen hadden zou het langer dan een jaar kunnen duren voordat men tot overgave gedwongen zou worden, wat enorme kosten met zich mee zou brengen. Dat zou de belegering ook tot in de wintermaanden laten voortduren, wat de belegerende strijdmacht aan grote ontberingen zou blootstellen met vermoedelijk een hoog aantal verliezen door ziekte als gevolg.

Belegering[bewerken]

Het beleg van 's-Hertogenbosch aan de kant van Vught. Voor ligt een Staatse geschutschans tegenover het Spaanse fort Isabella, dat de toegang tot de Vughterpoort beschermde. (Pieter de Neyn)

De tweede fase van het beleg was de aanval op de stad. Tijdens en na het opwerpen van de verdedigingslinies werd al een begin gemaakt met de voorbereidingen voor het graven van approches. Vanuit alle kwartieren werden loopgraven gegraven richting de stad en haar forten. Het idee van Frederik Hendrik was dat deze vijf loopgraven ervoor moesten zorgen dat het garnizoen van 's-Hertogenbosch zich zou moeten richten op vijf punten waardoor het de krachten moest verdelen en zo uitgeput zou raken. Ook kon na het voltooien van de verdedigingslinies de Staatse artillerie het vuur openen op de stad.

Vanuit het kwartier van Willem van Nassau bij Orthen werden de eerste schoten gelost op de stad. Het graven van loopgraven ging vanuit dit kwartier in het begin voorspoedig, maar moesten het later staken vanwege het hoge water. Dit probleem werd ook ondervonden bij het kwartier van Pijnssen. Daar staakten ze met graven en bombardeerden alleen nog de verdedigingswerken rond de Vughterpoort. Brederode moest approches laten graven richting fort De Pettelaar. Snel verliep het niet, maar het verplichtte de verdedigers wel manschappen in te zetten aan die kant. Het hoge water was ook voor Ernst Casimir een probleem bij het graven van approches richting de belangrijkste stadspoort. Toch vorderde het werk gestaag met dekking van zes stuks artillerie die de stad continue beschoten. Sinds eind mei was het erg droog waardoor de weiden tussen Orthen en Hinthamereind droog vielen. Zodoende verloor de middeleeuwse muur haar natuurlijke bescherming. Inmiddels was Ernst Casimir bijna in het contrescarp van het hoornwerk, maar besloot richting de onbeschermde stadsmuur te graven. Haastig versterkte het garnizoen die kant van de stad en plaatste er artillerie.

Een kaart van 's-Hertogenbosch met links van de stad fort Sint-Anthonie en fort Isabella en onder fort De Pettelaar. Ook afgebeeld zijn de Staatse loopgraven richting de forten en de verdedigingswerken.

Het meest effectief was de aanval vanuit Vught. Deze aanval ging over hoger gelegen gebied waardoor de aanvallers geen last hadden van het water. Deze kant van de stad werd beschermd door twee buitenforten. Naar beide forten, liet Frederik Hendrik approches aanleggen. De Fransen werkten naar de grootste, fort Isabella en de Engelsen naar fort Sint-Anthonie. Deze loopgraven waren wel verbonden met elkaar zodat ze elkaar konden helpen bij gevaar. Batterijen moesten de soldaten dekking geven. Fort Isabella werd beschermd door een hoornwerk waar omheen gegraven werd richting de bastions van het fort. Vervolgens werd met mortieren op het fort geschoten om ze tot overgave te dwingen. Diezelfde dag werd het huis van de commandant geraakt, waar buskruit en granaten in lagen opgeslagen, wat een grote ontploffing veroorzaakte. Toen op 18 juli een mijn onder een bastion tot ontploffing werd gebracht, gaven de verdedigers het fort op en trokken zich terug naar de stad. Een dag later werd op dezelfde manier Sint-Anthonie veroverd.

Vanwege het gebrek aan buskruit in de stad werd er weinig met geschut geschoten. Om toch tegenstand te bieden gingen Bossche soldaten geregeld 's nachts de stad uit om Staatse werken te vernielen of in brand te steken, zoals bruggetjes en schanskorven. Soms werden er uitvallen gedaan naar batterijen waarbij soldaten werden gedood en wapens en munitie werden meegenomen. Dergelijke uitvallen waren wel risicovol voor Bossche soldaten. De Staatse soldaten probeerden met behulp van approches dicht bij de verdedigingswerken te komen om die vervolgens met een mijn te kunnen opblazen. Om het opblazen te voorkomen werd er door de verdedigers regelmatig patrouilles er op uit gestuurd om de vorderingen te volgen. Zodoende kon tijdig de mijn onschadelijk gemaakt worden of ingespeeld worden op de verwachte schade. Daar waar het graven van approches moeilijker was, zoals bij fort De Pettelaar en aan de noordoost-kant, werd vooral gevochten met artillerie en vuurwapens.

's-Hertogenbosch begon te ervaren dat bastion Vught een zwak punt was in de vestingwerken, hoewel de soldaten van bastion Deuteren ondersteuning boden. Het bastion werd oorspronkelijk bewaakt door fort Isabella en fort Sint-Anthonie, maar sinds die veroverd waren, was er geen verdediging meer. Daarbij kwam, dat bastion Baselaar te ver weg lag om ondersteunend vuur te geven.

Voor het leger van de stad restte niets meer dan afwachten - wachten op het ondersteunende leger van Hendrik van den Bergh. Daarnaast moesten ze zuinig zijn met munitie. Het moet dan ook een teleurstelling zijn geweest dat het Hendrik van den Bergh niet lukte om de stad te bereiken en hij naar de Veluwe trok.

In augustus waren vanuit alle kwartieren de loopgraven de stad zo dicht genaderd, dat het tot een confrontatie kwam. Uiteindelijk werd op 11 september een bres geslagen bij bastion Vught. Dit wilde nog niet zeggen, dat de stad ingenomen was, want achter bastion Vught lag immers nog de oude Vughterpoort bij de Kuipertjeswal.

Pogingen tot ontzet[bewerken]

Frederik Hendrik in het legerkamp in Vught tijdens de belegering van 's-Hertogenbosch. Te zien zijn onder andere vechtende, dansende, gokkende en drinkende militairen. (Pauwels van Hillegaert)

De commandant van het Spaanse leger Hendrik van den Bergh had van de koning de taak gekregen 's-Hertogenbosch te ontzetten. Zelf was hij sceptisch of dit wel zou lukken. Het beleg was inmiddels zo ver gevorderd dat het Staatse leger genoeg tijd heeft gehad om verdedigingswerken op te zetten. Dat het leger niet eerder ingezet werd om het Staatse leger te verjagen kwam door een groot gebrek aan geld. Vanuit allerlei garnizoensteden en forten werden soldaten opgeroepen om het ontzettingsleger te vormen. Uiteindelijk werd een leger gevormd van rond de 30.000 man sterk. In werkelijkheid moet dit aantal lager liggen door desertie wat door wanbetaling en slechte omstandigheden veel voorkwam. Hendrik van den Bergh sprak over een leger van 23.000 man sterk. Het leger had voldoende levensmiddelen, artillerie en andere middelen, maar te weinig munitie om een groot gevecht aan te gaan.

Frederik Hendrik werd ongerust toen hij vernam dat een ontzettingsleger gevormd werd in de Zuidelijke Nederlanden. Hij was bang dat de bevoorrading van zijn leger het doelwit zou zijn en liet verouderde verdedigingswerken opknappen langs de bevoorradingsroute. Er werden troepen naar de rechteroever van de Maas gezonden en het Land van Altena werd onder water gezet. Daarnaast werd de circumvallatielinie nog eens verzwaard en versterkt.

Het leger van Hendrik van den Bergh trok van Turnhout naar Haaren waar op 27 juni werd overlegd over het ontzet. Het beleg was twee maanden gaande en naast Van den Bergh wisten ook andere officieren en de Infanta dat het onmogelijk was de stad te ontzetten. Toch waren ze naar de buitenwereld nog optimistisch om de bevolking moed te geven. Het leger was gelegerd in Haaren waarmee de Staatse kwartieren in bereik lagen. Na acht dagen van verkennen en wachten kwam de Spaanse aanval. Twee aanvallen werden uitgevoerd met doel het doorbreken van de circumvallatielinie en het versterken van de stad. De ene groep bestaande uit 3.000 man, geleid door kolonel Diesdorf moest de linie bij de Dommel doorbreken en via het Kleine fort naar de stad gaan. De ander bestaande uit 4.000 man en zeven compagnieën ruiters, geleid door de hertog van Bournonville moest de linie tussen de kwartieren van Brederode en Ernst Casimir aanvallen. Hendrik van den Bergh zelf ging met het grootste deel van het leger schijnaanvallen uitvoeren aan de kant van Vlijmen. Beide aanvallen waren niet succesvol. Het garnizoen kon niet te hulp schieten doordat communicatie van en naar de stad niet mogelijk was. Daarnaast was de verkenning gebrekkig, waardoor de waterstand hoger was dan verwacht en de verkeerde dijk werd doorstoken. Verder was de Staatse legerleiding al op de hoogte van de plannen door gevangen genomen verkenners en bodes. Na deze mislukte aanval waren er nog twee plannen om te ontzetten, maar die werden uiteindelijk afgebroken. Op 9 juli vertrok Hendrik van den Bergh met het leger naar Boxtel.

Hij was via Helvoirt naar Boxtel getrokken om vanuit daar enkele aanvallen uit te voeren. Deze mislukten echter steeds, en daarom koos hij voor een andere strategie en trok naar Holland, om daar te proberen steden te heroveren op de Staatse troepen.

Eerst ging hij naar Wesel, om zich daar aan te sluiten bij de troepen die de keizer van het Heilige Roomse Rijk beschikbaar had gesteld voor de Spanjaarden. Het plan was om via Amersfoort naar Holland op te trekken. Op 13 augustus werd Amersfoort aangevallen, onder leiding van generaal Ernesto Montecuccoli. De stad capituleerde een dag later.

Als antwoord stuurde Frederik Hendrik de compagnieën van Ernst Casimir, voornamelijk ruiters, naar de Veluwe. Daardoor had Frederik Hendrik paarden te weinig om de molens draaiende te houden. Het grootste deel van het leger bleef zodat de numerieke meerderheid bleef. Hij vermeed een confrontatie met Montecuccoli, aangezien hij die zou verliezen. Otto van Gendt, gouverneur van Emmerik, wist op 19 augustus Wesel op de Spanjaarden te veroveren, waar zich een grote voorraad wapens en levensmiddelen bevond. Door de inname van Wesel verloren de Spaanse troepen hun steunpunt voor het oosten en zuiden van de Republiek. Montecuccoli trok daarop zijn troepen terug.

Capitulatie[bewerken]

Plakaat op bastion Vught.

Door de dreiging van twee kanten tegelijkertijd was Anthonie Schets, de gouverneur van de stad, op aandringen van bisschop Ophovius gaan onderhandelen met Frederik Hendrik over de capitulatie. Op 14 september capituleerde de stad. Door deze capitulatie kwam een eind aan een indrukwekkende staat van dienst van 's-Hertogenbosch, de stad van Hertogdom Brabant. 's-Hertogenbosch was in Staatse handen.

Op de plek waar een bres is geslagen bij bastion Vught, is op een verharde verhoging een bronzen plaquette geplaatst. De tekst hierop luidt:

Hier werd de veste overmand...
Hier brak met 't Hertogdom de band,
Maar Brabant bleef sijn eyghen lant.

Gevolgen van de capitulatie[bewerken]

De uittocht van het garnizoen, katholieke geestelijken en anderen uit de stad na de capitulatie.

De gevolgen van de capitulatie van 's-Hertogenbosch waren groot voor de regio. Sommige inwoners van 's-Hertogenbosch hadden niet de indruk, dat deze verovering definitief zou zijn. Zij verwachtten dat de Spaanse troepen de stad weer zouden proberen te heroveren. Dit gebeurde echter niet, zodat de band met het hertogdom Brabant verbroken bleef.

De stad 's-Hertogenbosch kwam samen met de Meierij van 's-Hertogenbosch onder het gezag van de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, verenigd in de Unie van Utrecht. Dit gebied werd een onderdeel van Staats-Brabant. De zuidelijke grens kwam te liggen, waar nu ook de grens ligt, maar Lommel hoorde daar ook nog bij. Lommel is met België na 1839 geruild met Luyksgestel.

Een onbekend aantal inwoners van de stad, in ieder geval honderden, verlieten op 17 september de stad en trokken naar het zuiden, in de hoop dat het daar veilig zou zijn. Anderen, ook (kinderen van) Bosschenaren die in 1579 wegens hun reformatorische godsdienst de stad hadden moeten verlaten, kwamen juist weer terug.

Een ander gevolg van de capitulatie was de vervanging van de katholieke en koningsgezinde stadsregering van 's-Hertogenbosch. Zeven katholieke raadslieden moesten verdwijnen, terwijl twee moesten aanblijven, om de nieuwelingen te instrueren. Pas in 1794 kreeg de stad zijn eigen bestuur terug. Dat was bij de komst van de Fransen. Johan Wolfert van Brederode was de eerste gouverneur onder Staats gezag.

In de Sint-Janskathedraal werd op woensdag 19 september een eerste hervormde dienst gehouden. Frederik Hendrik van Oranje en zijn gemalin Amalia van Solms waren hierbij aanwezig. Andere hoge gasten waren de koning van de Bohemen en de Prins van Denemarken. De katholieke erediensten werden verboden. De Sint-Jan werd protestants, evenals de andere katholieke kerken. In de stad waren wel katholieke schuilkerken, die tegen betaling van steekpenningen wel werden gedoogd. Het vrouwenconvent Sint Geertrui werd gesloten en het gebouw van het vrouwenklooster werd vanaf 1629 gebruikt als Militair Hospitaal.

De economie van de stad groeide na 1629. In het begin van de zestiende eeuw had 's-Hertogenbosch 25.000 inwoners, ten tijde van het beleg van 's-Hertogenbosch waren er slechts ongeveer 11.000 over. Toen de prins kort na de inname de stad inspecteerde verzekerden burgers hem dat er 1.200 doden waren, daarnaast evenveel zieken en gewonden.[15] Na de sluiting van de Schelde in 1648, werd 's-Hertogenbosch een knooppunt tussen Holland en de Zuidelijke Nederlanden. Het inwoneraantal groeide toen weer.

In de stad werden een aantal gebouwen gebouwd, zoals de Citadel. Frederik Hendrik had als aanvaller ervaren, dat de afstand tussen bastion Baselaar en bastion Vught te groot was. Hij liet daarom bastion Oranje bouwen, om te voorkomen, dat de Spanjaarden de stad terug zouden veroveren. Ook veranderde het bastion Grobbendonck van naam. Het zou na de capitulatie Bastion Oliemolen heten.

Bij de vrede van Münster in 1648 werd bepaald dat Staats-Brabant niet het achtste lid van de Unie zou worden. Staats-Brabant werd een generaliteitsland. Dit hield in, dat Staats-Brabant onder het gezag van de Republiek viel en geen stemrecht had in het landsbestuur. Dit gold ook voor Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen. Indirect kan men zeggen, dat door het beleg van 's-Hertogenbosch, het huidige Noord-Brabant een provincie van Nederland is. Immers, vanaf die tijd behoorde de Meierij van 's-Hertogenbosch bij Staats-Brabant. In 1830 zou België zich afscheiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De grens van België werd gevormd door de grens tussen Staats-Brabant en het gebied dat Spaans bleef.

Het tijdvak van 1629 tot 1648 staat bekend als de retorsieperiode.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen


Referenties

  1. a b Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 29
  2. a b Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 30
  3. www.defensie.nl Beleg van 's-Hertogenbosch (01-05-1629) geraadpleegd op 27 september 2009
  4. R. de Graaf (2004): Oorlog mijn arme schapen, blz. 462
  5. Kring vrienden van 's-Hertogenbosch.
  6. a b Dagboek 1629. Ooggetuigen van het Beleg van 's-Hertogenbosch van Peter-Jan van der Heijden. ISBN 90-70706-96-2
  7. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 17
  8. a b c Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 57
  9. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 58
  10. a b J. Buisman, A.F.V. van Engelen (1998): Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel 4: 1575-1675 Franeker: Van Wijnen ISBN 9051941439
  11. 's-Hertogenbosch, stad in het hertogdom Brabant circa 1185-1629, Drs. P.Th.J. Kuijer. ISBN 90-400-9514-0
  12. Anna van Hambroeck, hoofdstuk 31, pagina 318 en volgende, Marianne Keser. ISBN 90-77721-13-4
  13. Stadsarchief Breda
  14. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 76
  15. Jean Le Clerc(1730): Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, sedert den aanvang van die Republyk tot op den vrede van Utrecht in 't jaar 1713 en het tractaat van Barriere in 't jaar 1715 gesloten... In 't fransch beschreven door den Heere Jean Le Clerc en nu in 't nederduitsch vertaald... blz: 502 - Uitgever: Amsterdam: Z. Chatelain, 1730

Beluister

(info)
Eerste opstand:
(1567-1570)
Valencijn · Wattrelos · Lannoy · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Eems · Jemmingen · Lanakerveld · Geldenaken · Loevestein)
Tweede opstand:
(1572-1576)
Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Saint-Ghislain · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Stavoren · Dokkum · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Geertruidenberg · Haarlem · Diemen · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Derde invasie · Mookerheide · Lillo · Zoetermeer · Buren · Oudewater · Schoonhoven · Krimpen aan de Lek · Woerden · Bommenede · Zierikzee · Muiden · Aalst · Slag bij Vissenaken · Maastricht · Antwerpen · Spanjaardenkasteel (Gent)
Algemene opstand:
(1576-1578)
Utrecht · Steenbergen · Breda · Amsterdam · Gembloers · Zichem · Beleg van Limburg · Inname van Dalhem · Nijvel · Kampen · Rijmenam · Aarschot · Deventer
Parma's negen jaren:
(1579-1588)
Maastricht · 's-Hertogenbosch · Baasrode · Kortrijk · Delfzijl · Oldenzaal · Groningen · Mechelen · Zwolle · Hardenbergerheide · Coevorden · Halle · Steenwijk · Kamerijk · Doornik · Noordhorn · Breda · Aalst · Oudenaarde · Punta Delgada · Lochem · Eindhoven · Gent · Aalst · Terborg · Antwerpen · Zutphen · Kouwensteinsedijk (Antwerpen) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Rijnberk · Grave · Zutphen · Warnsveld · Venlo · Sluis · Bergen op Zoom · Grevelingen
Maurits' tien jaren:
(1589-1599)
Zoutkamp · Breda · Steenbergen · Veldtocht van 1591 (Zutphen · Deventer · Delfzijl · Knodsenburg · Hulst · Nijmegen) · Steenwijk · Coevorden · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden · Groningen · Hoei · Grol · Calais · Hulst · Veldtocht van 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk · Meurs · Grol · Bredevoort · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen · Rijnberk · Zaltbommel)
Elf jaren strijd:
(1600-1607)
Nieuwpoort · Rijnberk · Oostende · Sluis · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal · Lingen · Bergen op Zoom · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort · Berkumerbrug · Grol · Rijnberk · Lochem · Grol · Gibraltar
Twaalfjarig Bestand:
(1609-1621)
Gulik-Kleefse Successieoorlog (Gulik) · Wezel · Antwerpen
Eindstrijd:
(1621-1647)
Gulik · Steenbergen · Bergen op Zoom · Veluwe · Breda · Oldenzaal · Grol · Baai van Matanzas · 's-Hertogenbosch · Veluwe · Wesel · Veldtocht langs de Maas (Venlo · Roermond · Maastricht) · Rijnberk · Philippine · Tienen · Schenkenschans · Breda · Venlo · Kallo · Duins · Sint-Vincent · Hulst · Antwerpen · Venlo · Puerto de Cavite