Charles Barbaroux

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Charles Barbaroux

Charles Jean Marie Barbaroux (Marseille, 6 maart 1767 - Bordeaux, 25 juni 1794) was een Frans politicus gedurende de Franse Revolutie.

Levensloop[bewerken]

Geboren in Marseille, ging Barbaroux in de leer bij de Oratorianen, een seculiere geestelijk orde. Hij studeerde rechten en werd later een succesvol advocaat. Hij wilde griffier van de gemeenschap in Marseille worden en in 1792 ging hij als afgevaardigde naar het Assemblée Législative, maar werd door het departement Bouches-du-Rhône van royalistische sympathieën beschuldigd.

In Parijs werd Barbaroux lid van de Club der Jakobijnen en ontmoette daar Jacques Pierre Brissot, Jean-Marie Roland de la Platerie en diens vrouw Madame Roland. Het was zijn voorstel geweest om vrijwilligers in Marseille te ronselen voor een bataljon om koning Lodewijk XVI te arresteren wegens verraad aan Frankrijk.

Terug in Marseille, hielp Barbaroux een royalistische opstand de kop in te drukken en een radicale club van Jakobijnen daar te vestigen. Hij werd in 1793 gekozen tot afgevaardigde van Marseille in de Nationale Conventie met 775 stemmen tegen en 776 stemmen voor. Hij werd een tegenstander van de Montagnards en van Maximilien de Robespierre en diens schrikbewind. Barbaroux was tegen de Septembermoorden en viel Jean-Paul Marat regelmatig aan, door met temperamentvolle toespraken en hartstochtelijke verhalen door te geven dat Jean-Paul Marat het soort monster was waar de Franse Revolutie tegen was begonnen. Barbaroux was ook tegen het vestigen van de Parijse Commune. Ook stemde hij tegen de dood van koning Lodewijk XVI (thans Louis Capet) in januari 1793. Hij pleitte voor een levenslange gevangenisstraf. Omdat de meeste Jakobijnen voor de Septembermoorden waren, er deel aan namen en omdat ze voor de doodstraf van Louis Capet waren, stapte Barbaroux uit de club en voegde zich bij de Girondijnen.

Gedurende de strijd tussen de Girondijnen en de Montagnards in de Nationale Conventie, weigerde Barbaroux ontslag te nemen als volksvertegenwoordiger en ook weigerde hij diverse vermeende contrarevolutionairen gevangen te nemen inruil voor de zekerheid dat de Sansculottes hem op straat met rust zouden laten. Barbaroux vluchtte in april 1793 naar Caen, waar hij een Girondijnse opstand voorbereidde, vervolgens naar Saint-Émilion en tenslotte vestigde hij zich in Bordeaux, waar hij zijn memoires schreef (die in 1822 door zijn zoon werden gepubliceerd). Toen hij daar door de Nationale Garde werd ontdekt, probeerde hij zichzelf van het leven te beroven met een pistool, maar hij bracht zichzelf slechts een schotwond toe. In Bordeaux werd hij tenslotte geguillotineerd.