Deflatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor het proces waarbij materiaal door de wind wordt verplaatst, zie Deflatie (geomorfologie)

Deflatie ('uitblazen') of waardevermeerdering van het geld is in de economie het verschijnsel dat het algemeen prijsniveau daalt[1]. Dit betekent in de praktijk dat - bij wijze van voorbeeld - een product dat op een gegeven moment 1 munteenheid kost, na een jaar 0,95 munteenheid kost (of in geval van ernstige deflatie bijvoorbeeld 0,1 of 0,01 eenheden). Bij deflatie groeit de koopkracht (ervan uitgaande dat de lonen gelijk blijven of stijgen, of, theoretisch, in ieder geval met een kleiner percentage dalen dan het percentage deflatie) en dit is daarom het tegenovergestelde van inflatie.

Analoog aan het gegeven dat inflatie = geldvermeerdering[2], geldt dat deflatie = geldvermindering, in verhouding tot de hoeveelheid goederen. Dit kan bijvoorbeeld optreden door productverbetering, waardoor men "meer waar voor hetzelfde geld" krijgt.

Het lijkt dat dit een gunstig effect op de economie zou moeten hebben, maar deflatie kan zeer schadelijk voor de economie zijn, omdat consumenten hun bestedingen zullen uitstellen: over een jaar kunnen zij immers meer kopen voor dezelfde hoeveelheid geld. Bij deze platitude dient men wel alle omstandigheden in aanmerking te nemen, voor men tot een oordeel komt. Er zijn namelijk ook economen die wijzen op de productverbetering -een vorm van deflatie, omdat men een beter product voor hetzelfde of minder geld krijgt-, die wel degelijk mensen tot kopen overhaalt. Zo verbeteren fabrikanten de computers continu en toch stellen mensen de aanschaf ervan echt niet (lang) uit. De bedrijven zullen nu hun prijzen nog meer moeten verlagen om hun klanten te behouden. Hiermee is de indruk van de consument bevestigd: wachten loont. Ze zullen hierdoor nog langer wachten op nog lagere prijzen: een negatieve spiraal is geboren. Gevolg hiervan is echter dat de omzet van bedrijven verder terugloopt, waardoor zij in de problemen kunnen komen. De deflatie heeft ook invloed op de conjunctuur.

Een ander effect van deflatie is dat de reële rente stijgt: de schulden moeten immers nominaal afgelost worden, dus met een geldbedrag dat door de deflatie reëel meer waard is geworden dan op het moment dat de schuld werd aangegaan. Aangezien de nominale rentestand niet lager kan worden dan nul, is er een absolute grens voor het stimuleren van investeringen door verlaging van de rentestand en kan het rente-effect van oplopende deflatie niet onbeperkt worden gecompenseerd.

Uiteindelijk kan de economie op deze wijze in een recessie terechtkomen. Soms kan het verschijnsel zelfs leiden tot een totale economische ineenstorting: een berucht voorbeeld is de Grote Depressie vanaf 1929. Een veel gematigder variant van het scenario heeft zich voltrokken in Japan, dat vanaf de jaren 80 gedurende langere tijd deflatie kende.

Om deze reden wordt meestal geprobeerd deflatie te voorkomen. De instantie (regering of centrale bank) die het uitgeven van geld beheert, en daarmee het monetair beleid voert, streeft veelal naar het handhaven van een lage inflatie, het tegengestelde van deflatie. Het grootste risico wordt gelopen wanneer de rente al laag is: de oplopende besparingen door bestedingsuitstel kunnen dan niet tot een nog lagere rentestand leiden, het normale evenwichtsmechanisme.

Deflatie is minder zeldzaam dan algemeen wordt aangenomen. De Britse econoom Roger Bootle schreef hierover het boek “The Death of Inflation” (1997, ISBN 1-85788-148-6). Hij heeft de prijsontwikkeling in Groot-Brittannië onderzocht vanaf 1264. En concludeert dat 97% van alle Britse inflatie in de onderzochte periode heeft plaatsgevonden sinds 1940. Inflatie is volgens hem de uitzondering die de regel bevestigt.

Deflatie volgens de Oostenrijkse School[bewerken]

Volgens de Oostenrijkse School is deflatie het inkrimpen van de geldhoeveelheid. Het gevolg daarvan is dalende prijzen. Deflatie is geen gevaar voor de economie. Ten eerste wordt geld meer waard, zo ook de lonen en het spaargeld. De mensen worden welvarender met hetzelfde nominale loon, omdat ze daarvan meer kunnen kopen. Ten tweede stimuleert het mensen om te sparen, zodat er kapitaal wordt opgebouwd. Hieruit kunnen weer investeringen worden gedaan in productiviteitsverbetering. Er kunnen meer goederen worden geproduceerd en tegen een lagere prijs. Hierdoor neemt de welvaart nog meer toe. Ten derde zullen de schommelingen in de economie kleiner worden. Inflatie bevordert het maken van schulden. De kredietexpansie neemt toe en er zullen zeepbellen ontstaan of vergroot worden. Tijdens een zeepbel worden met krediet waninvesteringen gedaan, die uiteindelijk verliesgevend zullen zijn en de welvaart zullen verlagen. Ook zal deflatie na het klappen van een zeepbel mensen dwingen om snel hun schulden af te bouwen en te gaan sparen. Met het kapitaal dat dan wordt opgebouwd, kunnen dan weer investeringen worden gedaan.

Voetnoten[bewerken]

  1. Making Economic Sense (Murray Rothbard), hoofdstuk 68, noemt ook de verminderde toevloed van geld, wat hetzelfde effect heeft.
  2. Essay van Murray Rothbard: What has government done to our money?

Externe links[bewerken]