Likelihood ratio

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een likelihood ratio (LR) oftewel aannemelijkheidsverhouding is de verhouding tussen de proportie van mensen die aan de door de test onderzochte ziekte lijden en een bepaalde testuitslag hebben en de proportie van de mensen die niet aan de door de test onderzochte ziekte lijden en dezelfde testuitslag hebben.

Zouden er bv. 0,6 per één (60%) van degenen waarbij de ziekte aanwezig is positief scoren en 0,3 (30%) van degenen die er niet aan lijden ook positief scoren dan is de positieve likelihood ratio LR+ = 0,6 / 0,3 = 2. De negatieve likelihood ratio is LR- = 0,4 / 0,7 = 0,57.

De ruwe frequenties waarop voorgaande maten berekend worden worden meestal voorgesteld in een vierveldentabel.

                        ziekte aanwezig     ziekte afwezig
positieve test            60  ( a )            30  ( b )
negatieve test            40  ( c )            70  ( d )

De vierveldentabel die de frequenties bevat waarmee de likelihood ratio moet berekend worden moet zo geconstrueerd zijn dat de positieve predictieve waarde groter is dan de prevalentie.

In ons voorbeeld zijn er 0,6 per één personen die aan de ziekte lijden die positief scoren of 60 op 100. Men kan dus hier schrijven 0,6 = a / (a + c). Nu is a / (a + c) de sensitiviteit van de test. 30/100 is het complement van de specificiteit. De specificiteit is hier d / (b + d) = 0,7. Men kan dus schrijven: LR+ = sensitiviteit / (1 – specificiteit). Op analoge wijze kan men aantonen dat LR- = (1 - sensitiviteit) / specificiteit.

De likelihood ratio is een maat voor de kracht waarmee de test bij positief resultaat de waarschijnlijkheid van ziekte verhoogt en de mate van kracht waarmee de test bij negatief resultaat de waarschijnlijkheid van ziekte vermindert.

Men berekent er inderdaad de posttestwaarschijnlijkheid van ziekte mee, vertrekkende van een waarde van waarschijnlijkheid die men kende of inschatte en die pretestwaarschijnlijkheid van ziekte genoemd wordt. Deze pretestwaarschijnlijkheid wordt vermenigvuldigd met LR en gedeeld door (1 – de pretestwaarschijnlijkheid) waardoor men de odds bekomt. Gezien de posttestwaarschijnlijkheid = odds / (odds + 1) moet men het resultaat van voorgaande bewerking delen door ditzelfde resultaat vermeerderd met één.

LR+ is steeds groter dan 1, LR- is steeds kleiner dan 1. LR + varieert van 1 tot oneindig, LR- van 0 tot 1. Als LR = 1 dan verschilt de posttestwaarschijnlijkheid van ziekte niet van de pretestwaarschijnlijkheid (en is de test dus waardeloos).

Een LR+ > 10 wordt soms beschouwd als indicatief voor de aanwezigheid van ziekte, een LR- < 0,1 wordt beschouwd als indicatief voor de afwezigheid van ziekte. Deze regels zijn zeker niet blindelings toe te passen omwille van het effect van de pretestwaarschijnlijkheid van ziekte op de posttestwaarschijnlijkheid van ziekte. Zo zal een LR+ = 10 bij een pretestwaarschijnlijkheid van 1% slechts resulteren in een posttestwaarschijnlijkheid van 9% terwijl een LR+ = 3 bij een pretestwaarschijnlijkheid van 85% zal resulteren in een posttestwaarschijnlijkheid van 94%. Deze 94% kunnen dan voldoende geacht worden om tot een diagnose of een behandeling over te gaan terwijl dit niet het geval zal zijn bij genoemde lage pretestwaarschijnlijkheid ondanks een veel hoger LR+.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

1. Attia, J (2003). Moving beyond sensitivity and specificity: using likelihood ratios to help interpret diagnostic tests. Austr Presc 26:111-113.

2. Davidson, M (2002). The interpretation of diagnostic tests: a primer for physiotherapists. Australian Journal of Physiotherapy 48, 227-232.

3. Deeks, J and Altman, D (2004). Diagnostic tests 4: likelihood ratios. BMJ 229:168-169.

4. Pewsner, D, Battaglia, M, Minder, C, Marx, A, Bucher, H, Egger, M. (2004). Ruling a diagnosis in and out with “SpPIn” and “SnNOut”: a note of caution. BMJ 329:209-213.