Ludmilla van Bohemen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ludmilla van Bohemen

De heilige Ludmilla (Bohemen, rond 860 - Tetín, bij Beroun, 15 september 921) was de echtgenote van Bořivoj I van Bohemen, de eerste christelijke vorst van Bohemen. Zij werden door de H. Methodius gedoopt in 873. Pogingen om de bevolking verplicht te bekeren tot het christendom, mislukten evenwel. Zij werd de grootmoeder en de opvoedster van Wenceslaus de Heilige, de latere koning van Bohemen, na de dood van zijn vader Vratislav.

Na de dood van Vratislav ontstonden er rond de prinsen Wenseclaus (opgevoed door Ludmilla) en Boleslav (opgevoed door Drahomira, weduwe van Vratislav en moeder van de prinsen), twee kampen aan het hof. Ludmilla zocht haar toevlucht in het kasteel Tetin maar werd daar in opdracht van Drahomira, die vond dat Ludmilla Wenceslaus te veel beïnvloedde, vermoord. Drahomira had de moordenaars met nadruk bevolen haar te doden zonder haar bloed te laten vloeien, om te voorkomen dat Ludmilla de status van martelaar zou krijgen. De moordenaars hebben Ludmilla daarom met haar halsdoek gewurgd (waar Ludmilla dan ook mee wordt afgebeeld). Ludmilla werd snel in een bescheiden graf in Tetin begraven en de moordenaars werden rijkelijk beloond. Toen bleek dat de moord niet geheim kon worden gehouden en het volk hierover zeer boos was, veranderde Drahomira haar houding. Ze strafte de moordenaars en liet een kerk (gewijd aan de aartsengel Michaël) over het graf van Ludmilla bouwen. Drahomira werd een jaar later door Wenseclaus verbannen. Ludmilla werd in 925 herbegraven in de St Joriskerk te Praag.

Ludmilla is de patroon van Bohemen, van de bekeerlingen, van Tsjechoslowakije, van de hertogen, de weduwen en wordt aangeroepen bij problemen met de schoonfamilie. Haar feestdag is op 16 september.