Obeid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aardewerk van de Obeid-cultuur
Verspreiding van de Obeid-cultuur

De tell (heuvel) van Obeid dicht bij Ur in het zuiden van Irak heeft zijn naam gegeven aan de prehistorische Obeidcultuur. Dit was een cultuur in het neolithicum die begon ca. 6500 v.Chr. in het begin van het Keramisch Neolithicum en voortduurde in de kopertijd tot het begin van de Urukperiode, ca. 4000 v.Chr. (Sommige bronnen geven 3700 v.Chr. als einde aan.). Deze Obeidcultuur bracht de eerste nederzettingen voort op de alluviale vlakte van zuidelijk Mesopotamië.

De Obeidperiode wordt in drie hoofdfasen onderverdeeld:

  • Vroeg-Obeid – soms Eridu genoemd naar de belangrijkste plaats uit die tijd, (5300 - 4700 v.Chr.), alleen aangetroffen in het uiterste zuiden van Irak, aan wat toen de kust van de Perzische Golf was. De zeespiegel stond toen lager dan nu, zodat een flink deel van het gebied van deze periode onder water en onder door de Tigris en Eufraat afgezet slib ligt. Deze fase vertoont een duidelijk verband met de noordelijker gelegen Samarracultuur en zag de vestiging van de eerste permanente nederzetting ten zuiden van de 12,5 cm-isohyeet. Deze mensen pionierden met de teelt van granen in extreem droge omstandigheden, wat mogelijk werd gemaakt door de hoge grondwaterstand in het zuiden van Irak.
  • Midden-Obeid – Obeid I, soms Hadji Muhammad genoemd, (4800 v.Chr. – 4500 v.Chr.), genoemd naar de typesite met die naam. Er werd vanuit de grotere nederzettingen een grootschalig netwerk van kanalen aangelegd. Geïrrigeerde landbouw, die waarschijnlijk eerst ontwikkeld is bij Choga Mami (4700 - 4600 v.Chr.) en zich toen snel verbreidde, is het eerste noodzakelijke samenwerkingsproject en het eerste voorbeeld van gecentraliseerde coördinatie van arbeid.
  • Laat- of "klassiek" Obeid, Obeid II, III en IV – Tijdens deze periode trad er een sterke en snelle verstedelijking op en verbreidde de Obeidcultuur zich naar het noorden van Mesopotamië waar hij (na een hiaat) de Halafcultuur verving. Door de Obeidcultuur gemaakte artefacten zijn langs de hele kust van Arabië gevonden, waaruit de groei van een handelssysteem blijkt dat zich uitstrekte vanaf de Middellandse Zee tot Oman.

Maatschappij[bewerken]

De Obeidcultuur wordt gekenmerkt door grote dorpen die bestonden uit rechthoekige huizen met muren van in de zon gebakken baksteen en met veel kamers. Door het gebruik van baksteen kon men grotere gebouwen bouwen maar het is uitgesloten dat men al tempels bouwde. Waarschijnlijk ging het hier over vergaderzalen waar de dorpsoudsten samenkwamen.Belangrijk is de opkomst van een hiërarchie van nederzettingen met gecentraliseerde grote nederzettingen van meer dan 10 ha met daaromheen kleinere dorpen met een oppervlakte van minder dan 1 ha. Tot de huishoudelijke artikelen behoorden het voor de Obeidcultuur kenmerkende mooie en kwalitatief goede bruin of groen gekleurd aardewerk dat beschilderd was met zwarte of bruine geometrische patronen. Voor de vervaardiging daarvan werd blijkbaar een draaibare schijf gebruikt, maar het pottenbakkerswiel was nog niet bekend. Gereedschap, zoals sikkels, werd in het zuiden vaak gemaakt van gebakken klei; in het noorden werd natuursteen en soms metaal gebruikt.

In de Obeidperiode ontstond ook een duidelijke en steeds sterker wordende sociale stratificatie en afnemende sociale gelijkheid. Dit valt vooral te merken in enkele immense bouwprojecten die enkel en alleen maar mogelijk zijn indien men hiervoor samenwerkt onder het gezag van een enkeling. Morton Fried en Elman Service zien in deze periode een erfelijke elite ontstaan, die connecties had met de tempels en hun graanschuren en mogelijk moesten zorgen voor het oplossen van conflicten en het handhaven van de orde.

Verder ontstonden in deze periode bouwwerken die te groot waren voor de nederzettingen die ze moesten onderhouden. Waarschijnlijk hadden ze een regionale functie. Door onvoldoende onderzoek in Mesopotamië zelf is dat nog niet met zekerheid te zeggen, maar bij Susa in Elam ligt dat anders: in de omringende nederzettingen zijn geen sporen van tempels aangetroffen zodat de tempel van Susa het heiligdom was voor de hele streek.

De Obeidcultuur is duidelijk niet in het zuiden ontstaan: er zijn duidelijke overeenkomsten met eerdere culturen in midden-Irak maar de kolonisten in het uiterste zuiden namen hun cultuur mee.

Economie[bewerken]

Een belangrijke vernieuwing in de Obeidperiode is de invoering van controlemechanismen: voor het eerst worden zegels en stempels gebruikt en vanaf ca. 4000 v.Chr. worden de eerste kleitabletten aangetroffen met nog zeer eenvoudige aantekeningen. Uit de symbolen die voor de eerste administratiesystemen werden gebruikt heeft zich langzaam het schrift ontwikkeld.

Verder is er een duidelijke indeling in drie sociale groepen te zien: de boeren die intensieve landbouw bedreven met gewassen en dieren die uit het noorden kwamen, in tenten wonende nomadische herders en in rieten hutten wonende jagers en vissers aan de kust.

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]

  • Nissen, Hans J. (1990) (Elizabeth Lutzeier translator) "The Early History of the Ancient Near East, 9000-2000 B.C." (University Of Chicago Press) ISBN 0226586588
  • Mellaart, James (1975) "The Neolithic of the Near East" (Thames and Hudson) ISBN 0684144840
  • Bogucki, Peter (1990) "The Origins of Human Society" (Blackwell History of the World) ISBN 1577181123
  • Barthel Hrouda (Hg.): Der alte Orient, Bertelsmann, Gütersloh 1991
  • Barthel Hrouda: Mesopotamien. Die antiken Kulturen zwischen Euphrat und Tigris, C.H. Beck, München 1997 (Beck'sche Reihe Wissen)
  • Hans J. Nissen: Geschichte Altvorderasiens, Oldenbourg, München 1999 (Oldenbourg Grundriss der Geschichte, Band 25) ISBN 3-486-56373-4
  • Reinhard Bernbeck: Die Auflösung der häuslichen Produktionsweise: das Beispiel Mesopotamiens, Reimer, Berlin 1994 (Berliner Beiträge zum Vorderen Orient 14)