Schuifspanning

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Afschuiving

Een schuifspanning is een spanning die het materiaal vervormt (meestal door schuivende krachten - torsie bij transversaal-werkende krachten) zonder dat het volume van het materiaal verandert. De vervorming van het materiaal ("schuif") wordt geëvalueerd door het meten van de verandering van de grootte van de hoek (afschuiflengte). De afschuiflengte en schuifspanning zijn gerelateerd aan elkaar met de glijdingsmodulus volgens:

\tau = G * \Gamma

waar \tau de schuifspanning is, G de glijdingsmodulus en \Gamma de afschuiflengte. Deze afschuiflengte kan bij benadering ook als gezien worden als de lengte

\frac{a}{h}, mits \frac{a}{h} = \tan(\Gamma) \simeq \Gamma

is, bij kleine \Gamma. De schuifspanning heeft N m−2 als eenheid.

Directe afschuiving van een object door het uitoefenen van een moment, zal behalve een schuifkracht ook een trekspanning en drukspanning geven.

Een eenvoudige definitie van een schuifspanning is, 'De componenten van een spanning op een punt die parallel staan aan het vlak waarin zij liggen'.

Deze spanning zorgt voor een verschuiving in het materiaal. Deze afschuiving is afhankelijk van de glijdingsmodulus van het materiaal.

Afschuiving in vloeistof

Ook bij vloeistoffen is sprake van schuifspanning, τ. Het is de kracht (per vierkante meter) die benodigd is om een snelheidsgradiënt (dv/dy) in stand te houden:

 \tau_{yx} = \eta {dv_x \over dy}

De evenredigheidsconstante, η, is de viscositeit van de vloeistof.

Zie ook[bewerken]